ECLI:NL:TGZRAMS:2026:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8736
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8736 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster verwijt de psychotherapeut dat hij haar onheus en onprettig heeft bejegend en dat hij de behandeling voortijdig en onzorgvuldig heeft beëindigd. Het college kan niet vaststellen dat er sprake is geweest van onheuse bejegening. De ontstane dynamiek tussen partijen leverde een voldoende gewichtige reden op om de behandelingsovereenkomst te beëindigen. Mogelijk had de psychotherapeut meer tijd kunnen nemen voor uitleg over de redenen van de beëindiging. Alles in ogenschouw genomen is de wijze waarop de psychotherapeut de behandelingsovereenkomst heeft beëindigd niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Alle klachtonderdelen ongegrond. |
A2025/8736
Beslissing van 3 maart 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 3 maart 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
psychotherapeut,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. E.J.C de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was in therapie bij de psychotherapeut. Klaagster verwijt hem dat
hij haar onheus en onprettig heeft bejegend en dat hij de behandeling voortijdig en
onzorgvuldig heeft beëindigd zonder zorg te dragen voor een doorverwijzing en het
continueren van de zorg en zonder de gelegenheid te bieden voor een bemiddelingsgesprek
met de mogelijkheid tot herstel van de behandelrelatie. De psychotherapeut stelt dat
de klacht ongegrond is.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de psychotherapeut gegeven de omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 juli 2025;
- het aanvullende stuk van klaagster, bijlage 2 bij het klaagschrift, ontvangen
op
4 augustus 2025;
- het verweerschrift;
- de repliek, ontvangen op 24 september 2025;
- de dupliek, ontvangen op 13 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2026. De partijen zijn verschenen. Klaagster werd vergezeld door haar echtgenoot, D. De psychotherapeut werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster is vanaf februari 2023 in therapie geweest bij de psychotherapeut.
De therapie bestond aanvankelijk uit individuele gesprekken en vanaf februari 2024
betrof het groepstherapie.
3.2 Op 6 maart 2025 heeft klaagster per e-mail onder meer aan de psychotherapeut gevraagd of hij een voorwoord zou willen schrijven voor het boek wat zij geschreven had over haar jeugd. Vervolgens zijn klaagster en de psychotherapeut na de groepstherapie op 11 maart 2025 hierover in gesprek gegaan. Hierbij heeft de psychotherapeut onder andere zijn zorgen uitgesproken over het vastleggen van jeugdherinneringen in het boek, terwijl de therapie nog niet was afgerond en mede zag op de jeugd van klaagster.
3.3 Na het gesprek heeft klaagster per e-mail van 17 maart 2025 laten weten dat zij
dit niet als een prettig gesprek had ervaren. Op verzoek van klaagster vond er op
25 maart 2025 een tweede gesprek plaats. Na afloop voelde klaagster zich opnieuw
niet begrepen en heeft zij geconcludeerd dat zij er niet samen uitkwamen.
3.4 Voorafgaand aan de groepstherapie van 8 april 2025 heeft de psychotherapeut klaagster gevraagd of zij nog een nader gesprek wenste. Dat was niet het geval en klaagster zou onder meer hebben aangegeven dat zij haar therapie eind april zou beëindigen. In de groepstherapie is vervolgens de situatie tussen klaagster en de psychotherapeut besproken, waarbij klaagster het woord grensoverschrijding heeft gebruikt.
3.5 In de tussentijd, op 2 april 2025, had klaagster een klacht ingediend bij het E (hierna: E). De psychotherapeut heeft per toeval hiervan kennisgenomen en heeft per e-mail van 11 april 2025 als volgt aan klaagster bericht (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) De problematiek in de therapeutische relatie is ernstig en verstoort de interacties
tussen jou, mij en de groep. Ook kan ik geen verantwoordelijkheid nemen voor een doorlopend
groepsproces waarin een van de leden uit het therapeutische contact is gegaan. Je
kunt dan ook niet deelnemen aan de groep tot het moment dat de therapeutische relatie
weer enigszins is genormaliseerd. Ik nodig je bij deze nogmaals voor een gesprek uit.
Omdat je aangaf je onveilig te hebben gevoeld, acht ik het beter dat hierbij een derde
persoon aanwezig is. Dit zal een vrouwelijke collega psychotherapeute zijn. Ik hoor
graag of je op dit aanbod wilt ingaan. (…)”
3.6 Diezelfde dag heeft klaagster per e-mail de klacht toegestuurd aan de psychotherapeut. De volgende dag, op 12 april 2025, heeft klaagster laten weten dat zij instemde met een gesprek met de psychotherapeut in aanwezigheid van een derde.
3.7 De psychotherapeut heeft vervolgens bij e-mail van 13 april 2025 aan klaagster voorgesteld het gesprek op 16 april 2025 te laten plaatsvinden, waarop klaagster diezelfde dag heeft geantwoord dat dit akkoord was.
3.8 Tijdens een intervisiebijeenkomst heeft de psychotherapeut de situatie besproken met collega’s. Naar aanleiding daarvan heeft hij klaagster per e-mail van 15 april 2025 het volgende laten weten:
“(…) De gebeurtenissen rondom de breuk in de vertrouwensband (de individuele gesprekken,
de groepssessie en de tegen mij ingediende klacht) zijn mij echter niet in de koude
kleren gaan zitten. Pas gisteren kreeg ik de kans om de situaties in een kring van
collega’s te reflecteren. Hierdoor ben ik tot het besef gekomen dat ik niet meer onbevangen
in het therapeutische proces kan staan en ik jou als therapeut niet meer gepast en
effectief kan begeleiden. Doordat door mijn laatste mail een andere indruk is ontstaan,
vind ik het eerlijk om je hierover te informeren voordat wij morgen in gesprek met
elkaar gaan. Ondanks het feit dat de therapie met mij niet verder zal gaan, is het
denk ik wel belangrijk om het gesprek te benutten om de lange therapie, waarin jij
naar mijn inschatting ook veel helpende dingen hebt kunnen vinden, tot een zo goed
mogelijke afronding te brengen.
Ik hoop dat jij mijn uitleg kunt begrijpen en dat jij gebruik wilt maken van de
mogelijkheid van een afrondend gesprek in bijzijn van mijn collega morgen om 13.00
uur. (…)”
3.9 Per e-mail van 15 en 16 april 2025 heeft klaagster onder meer laten weten dat zij niet naar het geplande gesprek (van 16 april 2025) zou komen en dat zij eventueel wel bemiddeling zou willen door het E. De psychotherapeut heeft schriftelijk gereageerd op de klacht, maar er is geen gesprek meer gekomen via de klachtenfunctionaris.
3.10 Op 6 mei 2025 heeft klaagster gemaild naar de psychotherapeut dat zij nog in gesprek wilde over therapiemogelijkheden elders. Dit laatste gesprek vond uiteindelijk plaats op 16 mei 2025 in aanwezigheid van een derde (een vrouwelijke collega van de psychotherapeut, tegen wie een tuchtklacht is ingediend met zaaknummer A2025/8735). In dit gesprek heeft de psychotherapeut onder meer uitgelegd waarom hij de behandelrelatie wenste te beëindigen.
3.11 De psychotherapeut heeft op 21 mei 2025 de huisarts van klaagster geïnformeerd en heeft het door hem bijgehouden dossier naar klaagster verstuurd. Ook heeft hij bij een bij hem bekende zorginstelling geïnformeerd voor klaagster, waaruit bleek dat een verwijzing via de huisarts diende te lopen.
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Klaagster verwijt de psychotherapeut - kort gezegd - dat hij:
a) klaagster onheus en onprettig heeft bejegend;
b) de behandeling voortijdig en onzorgvuldig heeft beëindigd zonder zorg te dragen
voor een doorverwijzing en het continueren van de zorg en zonder de gelegenheid te
bieden voor een bemiddelingsgesprek met de mogelijkheid tot herstel van de relatie.
4.2 De psychotherapeut heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of psychotherapeut de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) Onheuse en onprettige bejegening
5.2 Klaagster stelt dat de psychotherapeut tijdens de gesprekken in maart 2025 op een intimiderende en overrulende manier het woord heeft gevoerd. Hierdoor heeft zij een vertrouwensbreuk ervaren en voelde zij zich in haar autonomie aangetast. In het tweede gesprek voelde zij zich opnieuw niet begrepen en raakte haar vertrouwen verder beschadigd.
5.3 De psychotherapeut heeft weliswaar bemerkt dat klaagster teleurgesteld was in het gesprek, maar weerspreekt dat sprake zou zijn geweest van onheuse of onprettige bejegening.
5.4 Het college stelt voorop dat verwijten over bejegening en beleving in het algemeen moeilijk te beoordelen zijn. Wel is gebleken dat zowel klaagster als de psychotherapeut terugkijken op gesprekken die niet goed zijn verlopen. Partijen hebben een verschillende visie op wat toen is gebeurd en gezegd en vooral de manier waarop. Zonder af te doen aan één van beide visies of aan de ervaringen van partijen, constateert het college dat niet valt vast te stellen wat er tijdens de gesprekken daadwerkelijk is gebeurd en gezegd. Nu de feitelijke gang van zaken niet is vast te stellen, kan ook niet worden geconcludeerd dat aannemelijk is geworden dat sprake is van een onheuse dan wel onprettige bejegening van klaagster door de psychotherapeut. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) Beëindiging van de behandelrelatie
5.5 Klaagster verwijt de psychotherapeut dat hij plotseling de behandelrelatie heeft
beëindigd, zonder doorverwijzing of het continueren van de zorg. Zij heeft weliswaar
bij het gesprek op 8 april 2025 in emotie aangegeven dat zij de beëindiging wenste,
maar haar wens was eigenlijk het hebben van een bemiddelend gesprek. Ter zitting heeft
klaagster aangegeven dat zij nog steeds op een wachtlijst staat en overbruggingszorg
heeft moeten regelen die zij zelf moet betalen.
5.6 De psychotherapeut heeft ter zitting aangegeven dat hij tot de conclusie is gekomen
de behandeling te moeten beëindigen, omdat dit hem de enige verantwoorde optie leek.
Hij voelde zich vanwege de ontstane dynamiek met klaagster niet meer in staat de behandeling
voort te zetten. Uit een intervisie met collega’s bleek voor hem dat hij niet meer
onbevangen in de therapie kon staan en zich onveilig voelde, mede omdat door klaagster
in een groepssessie de term “grensoverschrijdend” was gebruikt. Een bemiddelingsgesprek
zoals klaagster wenste, zag de psychotherapeut niet meer voor zich omdat klaagster
voortzetting van de therapie wenste. Het laatste gesprek van 16 mei 2025 was bedoeld
om te kijken wat klaagster nog nodig had en wat de psychotherapeut kon doen om te
helpen de zorg te continueren. De psychotherapeut heeft voor klaagster geïnformeerd
bij een zorginstelling, waarvoor hij een verwijsbrief naar de huisarts heeft opgesteld.
Dit leek hem de beste optie voor het overbruggen van de zorg. Het voortzetten van
de therapie totdat er een plaats bij een andere therapeut was gevonden zou zonder
vertrouwensbasis zijn geweest en mogelijk in strijd met de professionele standaard.
De psychotherapeut heeft een afweging tussen twee niet optimale situaties gemaakt.
Achteraf betreurt de psychotherapeut de gang van zaken, zeker gezien de lange duur
van de therapie, maar hij was niet meer in staat om de ontstane dynamiek bij te sturen.
5.7 Het college stelt voorop dat uit artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek (Wet
geneeskundige behandelingsovereenkomst, WGBO) volgt dat de hulpverlener een behandelingsovereenkomst
alleen kan opzeggen als daar een gewichtige reden voor is. Verder staat in de Beroepscode
voor psychotherapeuten (2018) het volgende:
“II.3.1
De psychotherapeut heeft niet het recht de behandeling te verbreken tenzij sprake
is van gewichtige redenen. Gewichtige redenen kunnen zijn:
a. de psychotherapeut heeft goede redenen om te verwachten dat voortzetting van
de behandeling niet zal leiden tot een verdere verbetering of stabilisering van
het
functioneren van de cliënt;
b. de cliënt eist vervanging van het oorspronkelijk overeengekomen doel door een
ander;
c. de psychotherapeut vreest dat voortzetting van de behandeling redelijkerwijs
niet
meer te verenigen is met zijn eigen lichamelijke of geestelijke gezondheid dan wel
met zijn eigen veiligheid of de veiligheid van derden;
d. de cliënt wil niet meewerken aan bepaalde methoden die de psychotherapeut
in het kader van de behandeling toepast, als gevolg waarvan de psychotherapeut
voortzetting ervan niet langer verantwoord acht;
e. een ernstig verstoorde relatie die maakt dat een onwerkbare situatie is ontstaan;
f. praktische omstandigheden (zoals gezondheidsklachten, verhuizing) die maken
dat voortzetting van de behandeling in redelijkheid niet van de psychotherapeut
kan worden gevergd.
II.3.2
Als de psychotherapeut besluit de behandeling te verbreken, dan dient hij:
a. zijn beslissing tijdig aan de cliënt kenbaar te maken en in voor de cliënt
begrijpelijke termen te motiveren, en
b. aan te bieden hem zo goed mogelijk te adviseren omtrent de vraag wat in het
gegeven geval het beste gedaan kan worden, en c.q. of
c. aan te bieden voor een adequate verwijzing zorg te dragen.”
5.8 Het college dient allereerst te beoordelen of er een gewichtige reden was om de
behandelingsovereenkomst te beëindigen. Uit het feitenoverzicht blijkt dat er veel
speelde tussen klaagster en de psychotherapeut en dat in elk geval de twee gesprekken
in maart 2025 voor beiden niet zoals gewenst zijn verlopen. Verder is gebleken dat
klaagster op
8 april 2025 heeft aangegeven de behandeling te willen beëindigen, hoewel zij ter
zitting heeft aangegeven dat dit uit emotie was en dat zij eigenlijk bemiddeling wenste.
Het college is van oordeel dat de ontstane dynamiek tussen partijen in dit specifieke
geval een voldoende gewichtige reden opleverde om de behandelingsovereenkomst te beëindigen.
Gelet op het verstoorde contact en de (tevergeefse) pogingen om met elkaar het gesprek
aan te gaan acht het college voldoende objectief invoelbaar dat er een onwerkbare
situatie was ontstaan en voortzetting van de groepstherapie niet mogelijk was.
5.9 Het college komt dan ook tot de (deel)conclusie dat de psychotherapeut de behandelrelatie met klaagster in deze omstandigheden mocht opzeggen.
5.10 Vervolgens overweegt het college ten aanzien van de wijze waarop de behandelingsovereenkomst is beëindigd als volgt. Het college stelt vast dat uit het dossier is gebleken dat de psychotherapeut pogingen heeft gedaan om met klaagster in gesprek te gaan, ondanks dat de gesprekken in maart 2025 moeizaam waren verlopen. Toen er vervolgens bij de groepstherapie de situatie is ontstaan dat klaagster aangaf dat sprake was van grensoverschrijding heeft dit het contact verder bemoeilijkt. De psychotherapeut heeft tijdens een intervisie de situatie getoetst en vervolgens de conclusie getrokken dat hij geen goede therapeut meer kon zijn voor klaagster. Het college oordeelt dat er onvoldoende basis was voor herstel van de vertrouwensrelatie benodigd om de behandelrelatie voort te zetten, zoals het oorspronkelijke plan was van de psychotherapeut en de wens van klaagster.
5.11 Uiteindelijk heeft de psychotherapeut besloten de behandeling te beëindigen. De vraag die voorligt is of hij hierbij heeft voldaan aan de zorgvuldigheideisen die daaraan worden gesteld, mede in het licht van de relatief lange duur van de behandelrelatie. Het college is van oordeel dat de psychotherapeut gelet op de omstandigheden van het geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de behandelrelatie met klaagster te beëindigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, per e-mail en voor klaagster onverwacht.
5.12 De psychotherapeut had, mede gelet op de lange duur van de behandelrelatie, er goed aan gedaan om de tijd te nemen om tot een afsluiting van de behandelrelatie met klaagster te komen. Het was beter geweest als de psychotherapeut in één of twee sessies aan klaagster uitleg had gegeven over de redenen van de beëindiging van de behandelingsovereenkomst of klaagsters aanbod van een bemiddelingsgesprek had aangenomen, ook al zou een dergelijk gesprek niet tot herstel van de behandelrelatie leiden. De psychotherapeut heeft uitgelegd dat hij in zijn e-mail van 15 april 2025 alvast heeft aangekondigd dat de groepstherapie niet kon worden voortgezet omdat hij klaagster daarmee in het gesprek van 16 april 2025 niet wilde overvallen. Deze benadering van de psychotherapeut, die daarmee juist in het belang van klaagster heeft willen handelen, kan niet als dermate onzorgvuldig worden aangemerkt dat hier sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de psychotherapeut de redenen van de beëindiging van de behandeling in het gesprek van de volgende dag (16 april 2025) had willen toelichten, maar dat klaagster dit gesprek zelf heeft afgezegd. Het college acht het verder zorgvuldig dat de psychotherapeut het laatste, afrondende gesprek met klaagster in aanwezigheid van een collega heeft gevoerd.
5.13 De psychotherapeut heeft getracht een verwijzing naar een andere behandelaar te bewerkstelligen. Hierbij is hem gebleken dat de route die hiervoor aangewezen is, verliep via de huisarts. De psychotherapeut heeft vervolgens zorg gedragen voor een terugverwijzing naar de huisarts. Het college heeft oog voor de negatieve gevolgen die het heeft gehad voor klaagster dat geen (vergoede) vervolgzorg voorhanden was, maar de lange wachttijden komen niet voor rekening van de psychotherapeut. De psychotherapeut heeft een eenmanspraktijk en het was voor hem dus ook niet mogelijk is om cliënten over te dragen aan collega’s.
5.14 Onder die omstandigheden was terugverwijzing naar de huisarts de minst slechte optie. Verweerder heeft dan ook voldoende inspanning geleverd om de continuïteit van zorg niet in gevaar te brengen. Van het niet-verlenen van noodzakelijke spoedhulp of op korte termijn dreigende schade voor klaagster is niet gebleken, er was geen sprake van een crisissituatie of noodzaak tot spoedzorg.
5.15 De conclusie is dat de psychotherapeut mogelijk meer tijd had kunnen nemen voor uitleg aan klaagster over de redenen van de beëindiging van de behandelrelatie, maar dat de wijze waarop de psychotherapeut de behandelingsovereenkomst met klaagster uiteindelijk heeft beëindigd, alles in ogenschouw genomen, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ook dit klachtonderdeel ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Publicatie
5.17 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch
Contact.
Deze beslissing is gegeven door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, A.T. Prinsen-Reinders, I.E. Visser en S.J.A. de Vries, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.