ECLI:NL:TGZRAMS:2026:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8773
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-02-2026 |
| Datum publicatie: | 27-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8773 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Klager is de IGJ. De fysiotherapeut heeft zich schuldig gemaakt aan het betasten van intieme delen van een cliënt die hij op dat moment behandelde. De wijze waarop de fysiotherapeut de kwetsbare en van hem afhankelijke cliënt heeft behandeld is onaanvaardbaar. Meer in het bijzonder verwijt het college de fysiotherapeut dat hij, ondanks dat hij gedurende zijn loopbaan meerdere meldingen heeft gekregen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zijn gedrag niet heeft gebeterd. Het college beveelt de doorhaling van de inschrijving van de fysiotherapeut in het BIG-register. |
A2025/8773
Beslissing van 27 februari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 27 februari 2026 op de klacht van:
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,
gevestigd in Utrecht,
klaagster, hierna ook: de inspectie,
vertegenwoordigd door: mr. A.W. de Haan en dhr. P.C.G. Hupperetz, werkzaam in Utrecht,
tegen
A,
fysiotherapeut,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut,
gemachtigde: mr. T. Fuchs, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 In het voorjaar van 2021 ontving de inspectie meldingen over de fysiotherapeut
van zowel het Openbaar Ministerie als de zorgaanbieder waar de fysiotherapeut werkzaam
was. De fysiotherapeut werd seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens twee cliënten
ten laste gelegd. In november 2022 heeft de rechtbank C de fysiotherapeut hiervoor
veroordeeld. Naar aanleiding van voornoemde meldingen is ook de inspectie een onderzoek
gestart. In het onderzoek is naar voren gekomen dat er zes cliënten zijn geweest die
melding hebben gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de fysiotherapeut.
Door verjaring en door de situatie dat niet alle meldingen zijn doorgezet tot officiële
klachten, focust de inspectie zich nu op de casus van ‘cliënt 1’ en stelt de inspectie
dat de fysiotherapeut zich op 14 december 2020 seksueel grensoverschrijdend heeft
gedragen tegenover cliënt 1.
1.2 De fysiotherapeut heeft de stellingen van de inspectie gedeeltelijk weersproken. Hij zegt er spijt van te hebben dat hij vrouwelijke cliënten in zijn praktijk een onveilig gevoel heeft gegeven, maar ontkent het seksueel grensoverschrijdende gedrag jegens cliënt 1.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de fysiotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2026. De partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van de fysiotherapeut heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 In december 2020 zocht cliënt 1 contact met de zorgaanbieder, omdat zij een
klacht wilde indienen jegens de fysiotherapeut over seksueel grensoverschrijdend gedrag.
3.2 Op 30 maart 2021 werd de fysiotherapeut aangehouden door de politie in verband met een aangfite van seksueel grensoverschrijdend gedrag in het verleden, betrekking hebbend op het gedrag van de fysiotherapeut in 2004 en in december 2020 jegens twee cliënten.
3.3 Tijdens het strafrechtelijk onderzoek tegen de fysiotherapeut is hij door een psycholoog onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat er bij de fysiotherapeut sprake is van een Autisme Spectrum Stoornis.
3.4 Bij vonnis van de rechtbank C van 17 november 2022 heeft de rechtbank ten laste
van de fysiotherapeut bewezen verklaard dat:
1
hij op 16 februari 2004 te B door andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen
tot het dulden van ontuchtige handeling, bestaande uit
- het betasten van de naakte schaamlippen van die [slachtoffer 1] ,
- het met zijn vingers drukken tegen de onderkant van het naakte schaambeen van
die [slachtoffer 1] en
- het met zijn vingers duwen van de schaamlippen van die [slachtoffer 1] in haar
vagina
en bestaande die andere feitelijkheden uit
- het onverhoeds uitvoeren van voornoemde ontuchtige handelingen,
- terwijl die [slachtoffer 1] op haar buik op een behandeltafel lag en
- terwijl verdachte haar behandelde als fysiotherapeut;
2
hij op 14 december 2020 te B terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg als
fysiotherapeut, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënte
aan verdachtes hulp had toevertrouwd, door
- met zijn handen en vingers de schaamstreek van die [slachtoffer 2] te betasten
en
- zijn vingers in de schaamstreek van die [slachtoffer 2] te duwen.
Aan de fysiotherapeut werd in kader van bijzondere voorwaarden opgelegd dat hij gedurende de proeftijd van 5 jaren geen werkzaamheden als fysio- en manueeltherapeut uit mag oefenen bij vrouwelijke patiënten. De fysiotherapeut is niet in beroep gegaan tegen deze uitspraak, zodat de proeftijd nog tot eind 2027 doorloopt.
4. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1 De inspectie verwijt de fysiotherapeut dat hij de professionele grenzen die
hij in acht behoort te nemen heeft overschreden door het seksueel grensoverschrijdend
gedrag jegens cliënt 1, in het vonnis van de rechtbank slachtoffer 2 genoemd, gedurende
de behandelrelatie.
4.2 De fysiotherapeut heeft verweer gevoerd en hij heeft het college daarnaast verzocht om rekening te houden met zijn wens om zijn praktijk op een waardige wijze af te bouwen met inachtneming, ook na november 2027, van de bijzondere voorwaarde zoals die nu ook geldt.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 Het college overweegt als volgt. Hoewel de fysiotherapeut reeds in 2022 strafrechtelijk
is veroordeeld voor de rechtbank voor de gebeurtenis in december 2020, moet het college
de door klager ingediende klacht zelfstandig toetsen, omdat het tuchtrecht een eigen
beoordelingskader heeft. De vraag is of de fysiotherapeut de zorg heeft verleend die
van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende fysiotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor
de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
De klacht
5.2 De inspectie concludeerde op basis van haar onderzoek dat de fysiotherapeut
seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond jegens twee cliënten, waarbij de
inspectie zich -wegens het tijdverloop- formeel nog slechts kan richten op de situatie
bij cliënt 1. Volgens de inspectie heeft de fysiotherapeut ontucht gepleegd door tijdens
de behandeling met zijn handen en vingers de schaamstreek van cliënt 1 te betasten
en zijn vingers in de schaamstreek van deze cliënt te duwen. Hij zou daarbij ook haar
clitoris hebben aangeraakt.
5.3 De fysiotherapeut heeft tijdens de zitting verklaard dat hij cliënt 1 hielp
bij een oefening. Daarbij stond hij naast haar en heeft hij haar bekken willen stabiliseren
door haar ‘os pubis’ (schaambeen) vast te pakken. Verder heeft de fysiotherapeut aangegeven
dat hij, mede door de bij hem tijdens het strafrechtelijk onderzoek gestelde diagnose
van een Autisme Spectrum Stoornis, onvoldoende heeft gezorgd voor een veilige omgeving
voor vrouwelijke cliënten en vaak geen ‘informed consent’ had verkregen van zijn cliënten.
De fysiotherapeut ontkent echter elke vorm van seksuele intentie bij zijn handelingen.
5.4 Bij de zelfstandige beoordeling van de klacht door het college wegen, naast de
eigen verklaringen van de fysiotherapeut, het strafvonnis van de rechtbank en het
onderzoeksrapport van de inspectie in belangrijke mate mee bij de beantwoording van
de vraag of er sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Op basis van het strafvonnis, het onderzoeksrapport en de eigen verklaringen van
de fysiotherapeut is het college van oordeel dat de fysiotherapeut grotendeels de
handelingen heeft begaan die de inspectie hem in de klacht verwijt. Voor het college
staat in voldoende mate vast dat de fysiotherapeut met zijn handen en vingers de schaamstreek
van cliënt 1 heeft betast en zijn vingers in haar schaamstreek heeft geduwd.
5.5 Het college heeft daarbij in de eerste plaats gekeken naar het vonnis van de rechtbank in de strafzaak. In dat vonnis heeft de rechtbank bewezenverklaard dat de fysiotherapeut de genoemde handelingen heeft verricht. Bovendien is de fysiotherapeut in dat vonnis ook schuldig bevonden aan soortgelijke seksueel grensoverschrijdende handelingen, in 2004, bij de hiervoor in 5.2 genoemde andere vrouwelijke patiënt. De rechtbank heeft de verklaringen van beide patiënten betrouwbaar geacht en heeft meegewogen dat de fysiotherapeut over de behandeling van elk van de twee patiënten heeft verklaard dat hij hen tijdens de behandeling heeft aangeraakt bij het schaambeen.
5.6 Daarnaast heeft het college gelet op het onderzoeksrapport van de inspectie. In dit onderzoek speelt het vonnis van de rechtbank een rol maar de inspectie heeft ook een eigen onderzoek ingesteld, ondermeer door een uitgebreid gesprek met de fysiotherapeut en met diens behandelend psycholoog.
5.7 Tot slot heeft het college de verklaringen van de fysiotherapeut zelf meegewogen. De fysiotherapeut heeft tijdens de behandeling van de klachtzaak ter zitting verklaard dat hij geen seksuele bijbedoelingen had bij zijn handelingen maar dat hij zich realiseert dat hij de vrouwelijke patiënten zich onveilig heeft laten voelen en dat er geen sprake was van “informed consent”.
5.8 Net als voor het bewijs in de strafzaak is voor de klachtzaak niet relevant of
de fysiotherapeut seksuele bijbedoelingen had bij de handelingen die hij verrichtte.
Ook de in het psychologisch onderzoek gestelde diagnose Autisme Spectrum Stoornis
doet niet terzake bij het vaststellen van de handelingen en dat geldt ook voor de
drukke agenda die de fysiotherapeut in die tijd zegt te hebben gehad. De handelingen
waar het om gaat hebben
naar hun aard en verschijningsvorm een seksueel grensoverschrijdend karakter en
konden door cliënt 1 ook als zodanig worden opgevat.
5.9 Het college stelt daarbij vast dat er bij de behandeling medisch technisch gezien geen enkele noodzaak was om in de buurt te komen van de schaamstreek, zoals de fysiotherapeut ook zelf heeft gezegd.
5.10 Door cliënt 1 bij het onderzoek op deze wijze te benaderen heeft de fysiotherapeut voor haar een onveilige situatie laten ontstaan. Iemand die zich tot een fysiotherapeut wendt moet kunnen vertrouwen op een behandeling met respect voor de integriteit van het lichaam. In deze zaak heeft de fysiotherapeut dit vertrouwen ernstig beschaamd.
5.11 De fysiotherapeut heeft hierdoor gehandeld in strijd met de voor hem geldende beroepsnormen, zoals de Beroepsethiek en Gedragsregels voor de Fysiotherapeut (KNGF 2012), het Beroepsprofiel Fysiotherapeut (KNGF 2014) en de overige voor hem geldende professionele standaarden. Door zijn handelingen heeft hij bovendien het vertrouwen in de beroepsgroep ernstig geschaad. Dit betekent dat de fysiotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.13 Voorts dient het college te oordelen welke maatregel passend is. De fysiotherapeut heeft zich schuldig gemaakt aan het betasten van intieme delen van een cliënt die hij op dat moment behandelde. De wijze waarop de fysiotherapeut de kwetsbare en van hem afhankelijke cliënt heeft behandeld is onaanvaardbaar. Meer in het bijzonder verwijt het college de fysiotherapeut dat hij, ondanks dat hij gedurende zijn loopbaan meerdere meldingen heeft gekregen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zijn gedrag niet heeft gebeterd. Zo is in het onderzoek van de inspectie vermeld dat er in 2000 bij het toenmalig Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam door nog een derde cliënt een klacht tegen de fysiotherapeut is ingediend, waarbij de fysiotherapeut volgens die cliënt zijn vingers in haar vagina heeft gestopt. Hoewel het tuchtcollege op 22 februari 2000 de klacht ongegrond heeft verklaard, is de fysiotherapeut er in die klachtzaak op gewezen dat hij de behandeling op een andere manier had moeten uitvoeren en betere uitleg had moeten geven aan de patiënt. Daarbij is in het onderzoek naar voren gekomen dat er ook andere cliënten van de fysiotherapeut melding hebben gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de fysiotherapeut. Hoewel naar aanleiding van die meldingen geen nader onderzoek is ingesteld, acht het college van belang dat het ontvangen van meerdere vergelijkbare signalen van onvrede en een heldere instructie van het tuchtcollege over de omgang met patiënten, kennelijk voor de fysiotherapeut geen aanleiding zijn geweest om de grenzen van zijn cliënten beter in de gaten te houden en alert te zijn op het krijgen van informed consent. Hij heeft daarmee het vertrouwen van de cliënten misbruikt en beschaamd en hun mentale gezondheid geschaad. Ook in algemene zin heeft hij het vertrouwen dat patiënten in zorgverleners moeten kunnen hebben ernstig beschaamd en daarmee schade aan de beroepsgroep toegebracht.
5.14 Het college heeft kennisgenomen van het over de fysiotherapeut opgestelde psychologisch rapport, waaruit een Autisme Spectrum Stoornis bij de fysiotherapeut blijkt, en ook van de opmerkingen van de fysiotherapeut dat hierdoor voor hem veel van zijn eigen gedrag duidelijk is geworden. Bovendien heeft het college gezien dat de fysiotherapeut de voorwaarden van de rechtbank opvolgt, goed meewerkt bij het toezicht met de reclassering en gesprekken heeft gevoerd met een psycholoog. Tenslotte is meegewogen dat de fysiotherapeut zijn loopbaan graag op waardige wijze wil afsluiten en zich daarbij zal beperken tot het behandelen van uitsluitend mannelijke cliënten.
5.15 Tegenover deze omstandigheden staat echter dat ook de behandelend psycholoog heeft aangegeven dat er bij het afsluiten van het behandeltraject bij de fysiotherapeut nog geen sprake was van een eindsituatie in de behandeling en dat het voor de fysiotherapeut moeilijk blijft om emoties, gevoelens en non-verbale communicatie goed op te pikken en signalen goed te lezen. Dit, gevoegd bij het feit dat het college de vastgestelde lichamelijke integriteitsschending zeer ernstig vindt, maakt dat niet kan worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register.
Publicatie
5.16 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere fysiotherapeuten mogelijk van deze zaak kunnen leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- beveelt de doorhaling van de inschrijving van de fysiotherapeut in het BIG-register,
dan wel ontzegt de fysiotherapeut, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk
worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om
wederom in dit register te worden ingeschreven;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening de bevoegdheid van de fysiotherapeut
om aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen totdat
de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel
in beroep is vernietigd;
- bepaalt dat de beslissing ingevolge artikel 71 wet BIG in de Nederlandse Staatscourant
zal worden bekend gemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift
Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, W. Langoor, M.J.F. Vuister en D. van Poppel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.