ECLI:NL:TGZRAMS:2026:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8652
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8652 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat hij onredelijk lang met een risico van een hartinfarct heeft gelopen en dat zijn herstelproces is vertraagd doordat er geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden. Het college is van oordeel dat de huisarts voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Gezien de hoge hartslag is voor het college navolgbaar dat de huisarts klager heeft doorverwezen voor een holteronderzoek en een fietsergometrie. Tijdens de spreekuurcontacten was er geen sprake van symptomen die duidden op een dreigend hartinfarct. |
A2025/8652
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 24 februari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande, werkzaam te Rijswijk,
tegen
C,
huisarts, werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is bij de huisarts geweest vanwege pijn op de borst en hoesten. De
huisarts schreef
een inhalatiemiddel voor en liet een holteronderzoek doen, waarbij geen bijzonderheden
werden
gevonden. Vervolgens verwees hij klager voor een fietsergometrie. Voordat de fietsergometrie
had
plaatsgevonden, is klager door een cardioloog in E gedotterd.
1.2 Klager verwijt de huisarts dat hij onredelijk lang met een risico van een hartinfarct
heeft
gelopen en dat zijn herstelproces is vertraagd doordat er geen adequate behandeling
heeft
plaatsgevonden. De huisarts heeft de klacht bestreden en het college verzocht de
klacht ongegrond
te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 november
2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1976, kwam op 24 december 2024 op het spreekuur bij de
huisarts. Klager
vertelde dat hij last had van stekende pijn op de borst links en dat hij de afgelopen
maanden meer
aan het hoesten was. De pijn werd meer bij sporten en bij op de borst liggen. De
huisarts heeft
lichamelijk onderzoek verricht waarbij hij de pijn kon opwekken door druk uit te
oefenen op de
borstkas. Klager had een polsslag van 115 slagen per minuut. De huisarts schreef
het
inhalatiemiddel Foster voor vanwege de hoestklachten en vroeg een holteronderzoek
aan vanwege de
snelle polsslag. In het medisch dossier heeft de huisarts hierover het volgende
genoteerd (alle
citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“S Pijn op de borst links. Komt en gaat. Bij sporten en bij erop liggen meer pijn.
Steken van
aard. Afgelopen maanden meer aan het hoesten.
O Niet bleek/zweten/dyspnoisch.
Sat 98%, pols 115p/m reg, RR 160/100 VAG, zacht longgeluiden, geen bijgeluien S1S2,
geen souffles
Drukpijn linker op de borst, herkenbaar E Tachycardie, POB, hoesten
P Foster voor hoesten (eerder goed effect) Holter ecg gezien tachycardie.
Uitleg gegeven over POB li: passend bij rib opklachten/bij hoesten”
3.2 Het holteronderzoek vond plaats op 14 januari 2025. Bij dit onderzoek werden
geen
significante ritme- of geleidingsstoornissen gevonden. De cardioloog concludeerde
dat geen
verwijzing nodig was.
3.3 Op 4 februari 2025 kwam klager opnieuw bij de huisarts op het spreekuur. Klager
meldde dat de
hoestklachten waren afgenomen, maar dat hij nog regelmatig pijn op de borst had.
De huisarts
verwees klager voor een fietsergometrie. Over dit consult heeft de huisarts het
volgende genoteerd:
“S Hoesten gaat beter met puffer. Blijft regelmatig POB houden. Niet duidelijk inspannings
gebonden.
E Pijn op de borst
P Verwezen naar (…)
P Fiets ergometie. Daarna retour
P: spiro alhier herhalen?”
3.4 Voordat de fietsergometrie zou plaatsvinden, ontving de huisarts op 25 februari
2025 een
bericht van een cardioloog uit E. Klager was daar gedotterd en er waren twee stents
geplaatst.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
De beoordeling
4.2 De huisarts heeft toegelicht dat hij, op basis van wat klager vertelde en
het lichamelijk
onderzoek, uitging van pijn van de borstkas na een (maandenlange) periode van hoesten.
Wel vond hij
dat de snelle polsslag hier niet volledig bij paste. Om een ritmestoornis uit te
sluiten vroeg hij
daarom een holteronderzoek aan. Uit dit onderzoek bleek niet dat er sprake was van
een
ritmestoornis. Vanwege de aanhoudende klachten en om een ischemische (onvoldoende
doorbloeding)
oorzaak uit te sluiten, verwees de huisarts klager voor een fietsergometrie.
4.3 Het college is van oordeel dat de huisarts voldoende zorgvuldig onderzoek heeft
gedaan. De
klachten die hierbij naar voren kwamen waren atypisch. Gezien de hoge hartslag is
voor het college
navolgbaar dat de huisarts klager heeft doorverwezen voor een holteronderzoek en
een
fietsergometrie. Tijdens de spreekuurcontacten was er geen sprake van symptomen
die duidden op een
dreigend hartinfarct. Er was op dat moment dan ook geen indicatie voor een spoedverwijzing
naar het
ziekenhuis.
4.4 Klager heeft nog naar voren gebracht dat de klachten in februari 2025 verergerden
en dat
hierover meerdere malen met de huisartsenpraktijk is gebeld. De huisarts stelt dat
hij geen bericht
heeft gekregen dat de klachten waren toegenomen. Het college kan uit het medisch
dossier niet
opmaken dat er tussentijds is gebeld met de huisartsenpraktijk. Om die reden kan
het college niet
vaststellen dat de huisarts op de hoogte was van toegenomen klachten en of hij naar
aanleiding
daarvan al dan niet adequaat heeft gereageerd. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt
dat het
woord van klager minder geloof verdient dan dat van de huisarts, maar op de omstandigheid
dat voor
het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst
de feiten
moeten worden vastgesteld waarop het verwijt is gebaseerd. Deze feiten kan het college
hier niet
vaststellen.
Slotsom
4.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 24 februari 2026 door E.A. Messer, voorzitter,
W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, G.J. Dogterom, V.M. Schijf en J.W. Sollie,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.