ECLI:NL:TGZRAMS:2026:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8821

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:35
Datum uitspraak: 24-02-2026
Datum publicatie: 24-02-2026
Zaaknummer(s): A2025/8821
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager is door twee huisartsen, verweerster en verweerder in de zaak A2025/8362, gezien en beoordeeld. Enkele dagen later is in het ziekenhuis de diagnose fasciitis necroticans gesteld en heeft klager zeer intensieve maar ook mutilerende behandelingen ondergaan die hem uiteindelijk hebben gered maar met zeer ernstig en blijvend letsel tot gevolg. Het is in het kader van de tuchtklacht niet aan het college om het ingebrachte deskundigenbericht te beoordelen. Het college betrekt dit wel bij de beoordeling van de klachtonderdelen. Het college overweegt dat in de situatie van klager het geenszins voor de hand lag dat de klachten waarmee klager eerst bij de waarnemend huisarts en vervolgens ook bij de andere huisarts presenteerde, zich uiteindelijk zo zouden ontwikkelen zoals zij hebben gedaan. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2025/8821

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 24 februari 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,
gemachtigde: mr. S. Oosting, werkzaam in Groningen,

tegen

C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. E.J. Wervelman, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager is op 20 juli 2015 beoordeeld en behandeld door de waarnemend huisarts, de heer D 
(verweerder in de zaak A2025/8362). De klachten waarmee klager zich tot de waarnemend huisarts 
wendde, bestonden uit keelpijn sinds twee dagen en pijn bij het slikken. De waarnemend huisarts 
constateerde een keelontsteking en heeft klager pijnstilling en prednisolon voorgeschreven en een 
vangnetadvies meegegeven.

1.2   Op 22 juli 2015 is klager gezien door verweerster. Klager gaf aan dat het niet beter ging. 
Verweerster heeft klager onderzocht, zijn temperatuur opgenomen en zij heeft tijdens het consult de 
waarnemend huisarts, die klager twee dagen daarvoor had gezien, gevraagd om even mee te kijken naar 
de keel van klager. De waarnemend huisarts constateerde toen dat de zwelling in de keel was 
afgenomen. Verweerster heeft klager geadviseerd om, als de verbetering niet doorzette, de volgende 
dag terug te komen.

1.3   In de nacht van 22 op 23 juli 2015 is klager beoordeeld door een arts op de huisartsenpost, 
met spoed verwezen naar de spoedeisende hulp (hierna: SEH) van het E in B en op 23 juli 2015 rond 
13:00 uur verwezen naar het F. Bij aankomst daar bleek klager inmiddels ernstig ziek met als 
diagnose fasciitis necroticans. Klager heeft zeer intensieve maar ook mutilerende behandelingen 
ondergaan die hem uiteindelijk hebben gered maar met zeer ernstig en blijvend letsel tot gevolg.

1.4   Klager maakt de huisarts diverse verwijten zoals verwoord in 5 klachtonderdelen (a t/m e). 
Klager verwijt de huisarts onder meer dat zij geen onderscheid heeft gemaakt tussen een ernstige en een milde keelontsteking, hem op 22 juli 2015 niet goed zou hebben onderzocht, hem ten onrechte geen antibioticum maar prednisolon heeft voorgeschreven en dat zij het voorgaande heeft gedaan zonder informed consent. Voorts meent klager dat de huisarts hem ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een KNO-arts. De huisarts heeft de klacht bestreden en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

1.5   Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. Hierna 
vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing 
toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met 14 bijlagen, ontvangen op 18 juli 2025;
-  de aanvullende bijlagen (15 t/m 21) zijdens klager;
-  het verweerschrift met 1 bijlage.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 januari 2026. Partijen zijn verschenen. 
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten 
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en aan het college en de 
andere partij overhandigd. Deze klacht is ter zitting gelijktijdig behandeld met de klacht tegen de 
waarnemend huisarts, de heer D.

2.4   Aan de spreekaantekeningen van de gemachtigde van klager waren nog 3 producties gehecht. De 
gemachtigde van de huisarts heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van deze producties. De 
voorzitter heeft ter zitting beslist dat de aanvullende producties worden geweigerd. Deze 
producties maken dus geen deel uit van het procesdossier.

3. De feiten
3.1   Klager wendde zich op maandag 20 juli 2015 in de middag tot de huisartsenpraktijk van G en C 
in verband met keelpijn en slikklachten. In verband met de vakantie van verweerster had klager een 
consult bij de waarnemend huisarts D (hierna: de waarnemend huisarts). Klager had sinds de zaterdag 
ervoor last van keelpijn en sinds een dag lukte eten en drinken niet meer door pijn en moeite met 
slikken. Klager gebruikte ibuprofen tegen de pijn.

3.2   Bij onderzoek constateerde de waarnemend huisarts een forse zwelling in de keel, zonder 
exsudaat of pus. Klager had een temperatuur van 37,5˚C en hij maakte geen zieke indruk. De 
waarnemend huisarts stelde de diagnose keelontsteking en schreef ter behandeling een 
ontstekingsremmende pijnstiller (diclofenac) voor alsmede een vijfdaagse stootkuur prednisolon. Hij gaf klager het advies om opnieuw contact op te nemen indien de klachten zouden aanhouden (vangnetadvies).

3.3   Op woensdag 22 juli 2015 wendde klager zich in de middag opnieuw tot de huisartsenpraktijk. 
Dit keer werd hij gezien door verweerster. Hij gaf aan dat zijn klachten niet waren afgenomen en 
dat hij zich niet goed voelde. Hij had die ochtend zelf zijn temperatuur gemeten en deze was toen 
39˚C. Hij had ook wat last van zijn maag. Het slikken was pijnlijk en ook de keel en nek waren heel 
pijnlijk.

3.4   Bij onderzoek constateerde verweerster dat klager helder slijm in de keel had en dat de hals 
van klager erg pijnlijk was met flinke zwellingen. Klager had een temperatuur van 36,7˚C. 
Verweerster vroeg de waarnemend huisarts om even mee te kijken naar de keel van klager. De 
waarnemend huisarts constateerde toen dat de zwelling van de keel was afgenomen ten opzichte van de 
maandag ervoor. Verweerster dacht aan de ziekte van Pfeiffer. Zij schreef omeprazol voor ter 
bescherming van de maag en zette de behandeling met prednisolon voort. Zij adviseerde klager om de 
volgende dag terug te komen als er geen sprake zou zijn van een (verdere) verbetering.

3.5   In de avond van woensdag 22 juli 2015 nam klager contact op met de huisartsenpost in verband 
met ernstige pijnklachten. Rond middernacht is klager door de arts van huisartsenpost naar de SEH 
van het E in B verwezen. In de ochtend is klager overgebracht naar het F. Aldaar is fasciitis 
necroticans geconstateerd. Zijn onderbenen en de vingers van zijn linkerhand zijn geamputeerd. 
Daarna heeft klager nog vele operaties ondergaan.

3.6   De gemachtigde van klager heeft namens hem een verzoekschrift tot het inwinnen van een 
voorlopig deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank.1 Nadat dit verzoek werd afgewezen, heeft 
het Hof H het verzoek toegewezen en I, hoogleraar huisartsgeneeskunde als deskundige benoemd. Aan 
hem is gevraagd het medisch handelen van de twee huisartsen te beoordelen tijdens de consulten van 
20 en 22 juli 2015. Uit het rapport blijkt dat de gemachtigden van partijen in de gelegenheid zijn 
gesteld om op het conceptrapport van I te reageren door hem vragen te stellen en verzoeken te doen. 
Klager heeft het definitieve deskundigenrapport van I van 12 februari 2025 als bijlage bij het 
klaagschrift gevoegd en het maakt daarmee deel uit van het dossier dat aan het college is 
voorgelegd.

3.7   De conclusie van I met betrekking tot het consult van 20 juli 2015 luidt: “(…) ik beoordeel 
het gehele handelen van de huisarts op 20 juli 2015 als in overeenstemming met de professionele 
standaard.”

¹ Anders dan een deskundigenbericht dat door de rechter in een lopende procedure wordt gelast dient 
een voorlopig deskundigenbericht tot het vergaren en veiligstellen van bewijs ten behoeve van een 
partij die een procedure overweegt of al is begonnen. ‘Voorlopig’ betekent dus dat het 
deskundigenbericht wordt verzocht door (een van de) partijen en dat het niet door de rechter wordt 
bevolen. In een civiele procedure komt aan een voorlopig deskundigenbericht dezelfde bewijswaarde 
toe als aan een door de rechter bevolen deskundigenbericht.

3.8   De conclusie van I met betrekking tot het consult van 22 juli 2015 luidt: “Daarmee is mijn 
oordeel dat het handelen van de huisarts op 22 juli 2015 geheel heeft voldaan aan de professionele 
standaard.”

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klager verwijt de huisarts dat zij:
a)   Geen onderscheid heeft gemaakt tussen een ernstige en een milde keelontsteking;
b)   Onvoldoende onderzoek heeft verricht;
c)   Ten onrechte de behandeling zonder antibioticum maar met prednisolon heeft voortgezet en 
daarmee zonder aanvaardbare reden is afgeweken van de NHG standaard 2007;
d)   De behandeling met prednisolon heeft voortgezet zonder informed consent;
e)   Klager niet heeft doorverwezen naar de KNO-arts.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het is duidelijk dat het ernstige en blijvende letsel dat klager heeft opgelopen zeer 
ingrijpend is voor klager. Evident is dat hij hiervan dagelijks de nare gevolgen van ondervindt.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2   De vraag is of een huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Deskundigenrapport I
5.3   De gemachtigde van klager heeft een verzoekschrift tot het inwinnen van een 
deskundigenbericht ingediend en het Hof H heeft I als deskundige benoemd om het medisch handelen 
van de huisartsen tijdens de consulten van 20 en 22 juli 2015 te beoordelen. De gemachtigde van 
klager heeft aangegeven dat klager het niet eens is met de beoordeling door I en zijn conclusies 
dat zowel het handelen van de huisarts op 20 juli 2015 als het handelen van de huisarts op 22 juli 
2015 in overeenstemming met de professionele standaard is geweest. De gemachtigde van klager heeft 
vele bezwaren zijdens klager tegen de beoordeling en conclusies van I naar voren gebracht in de 
fase van de conceptrapportage. I heeft uitvoerig op de bezwaren van klager gereageerd en het 
definitieve deskundigenrapport van I beslaat 79 pagina’s.

5.4  Verweerster heeft in haar verweerschrift veelvuldig verwezen naar het deskundigenrapport van I 
ter onderbouwing van haar verweer.

5.5   Zijdens klager is betoogd dat aan het deskundigenbericht van I gebreken kleven. De 
gemachtigde van klager geeft in het klaagschrift aan dat klager, nu I niet meer in het BIG-register 
staat ingeschreven, het rapport van I niet ter beoordeling aan het college kan voorleggen en dit 
ertoe heeft geleid dat klager het handelen van verweerster (en de waarnemend huisarts) thans aan 
het college voorlegt.

5.6  Klager heeft aangegeven dat volgens hem aan het deskundigenrapport van I de volgende gebreken 
kleven:
-  I is van mening dat als in een richtlijn/standaard niet wordt gesproken over een bepaald 
medicijn, het niet in afwijking van die standaard kan zijn om dat medicijn voor te schrijven. 
Volgens klager is dat onjuist;
-  I heeft in zijn rapport een verwijzing opgenomen naar een wetenschappelijk artikel uit 2017 
terwijl het handelen van de huisarts plaatsvond in 2015;
-  I vergelijkt het gebruik van prednisolon bij acute keelpijn en CODP met elkaar en hij onderbouwt 
dit door te verwijzen naar de ervaring in de huisartsenpraktijk met het gebruik van 
corticosteroïden. Volgens klager is dit niet juist;
-  I heeft volgens klager niet alle vragen beantwoord;
-  I stond ten tijde van het opstellen van zijn deskundigenbericht niet meer ingeschreven in het 
BIG-register.

5.7   Het is in het kader van de tuchtklacht jegens verweerster niet aan het college om het 
deskundigenbericht van I te beoordelen. De door de gemachtigde van klager genoemde gebreken aan het 
deskundigenrapport van I maken naar het oordeel van het college niet dat aan het deskundigenbericht 
van I – een gezaghebbend deskundige – geen enkele waarde meer kan worden toegekend en dat de inhoud 
van het deskundigenbericht buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Klager heeft het 
deskundigenbericht van I als bijlage bij het klaagschrift gevoegd en verweerster heeft haarverweer 
grotendeels op het rapport van I gebaseerd. Het college zal om die reden bij de beoordeling van de 
klachtonderdelen ook het deskundigenrapport van I betrekken.

Klachtonderdeel a) Geen onderscheid tussen een ernstige en een milde keelontsteking
5.8   Klager verwijt verweerster dat zij tijdens het (tweede) consult op 22 juli 2015 geen 
onderscheid heeft gemaakt tussen een ernstige en een milde keelontsteking.

5.9  Verweerster voert aan dat er geen sprake was van een ernstige keelontsteking.

5.10  Uit het huisartsenjournaal blijkt dat klager tijdens het consult van 22 juli 2015 last had 
van keelpijn en slikklachten, dat de zwelling van de keel was afgenomen (dat werd geconstateerd 
door de waarnemend huisarts die verweerster bij het consult had geroepen) en dat klager geen koorts 
had. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat klager tijdens het consult aangaf zich slecht te voelen. Verweerster kon niet objectiveerbaar vaststellen dat het niet goed zou zijn met klager. Klager had een pijnlijke hals en verweerster voelde zwellingen van de lymfeklieren. Verweerster dacht aan de ziekte van Pfeiffer. Op vragen van het college heeft 
verweerster geantwoord dat de keel van klager rood en gezwollen was, zonder pus of asymmetrie. Er 
waren geen wondjes of zweertjes. Het zag er niet alarmerend uit. De prednisolon leek volgens 
verweerster zijn werk te doen. Verweerster verwachtte dat klager zich snel beter zou gaan voelen. 
Omdat klager zich op dat moment nog niet beter voelde, heeft zij klager geadviseerd om de dag erna 
terug te komen als de verbetering niet zou doorzetten.

5.11  Volgens het college kan op basis van de klachten en bevindingen ten tijde van het consult van 
22 juli 2015 niet de conclusie worden getrokken dat sprake was van een ernstige keelontsteking. Er 
was weliswaar sprake van slikklachten, maar er was geen sprake van koorts, pus, kwijlen of ernstig 
ziek zijn en aldus was er geen sprake van (objectief vaststelbare) ernstige symptomen. Verweerster 
heeft ervoor gekozen om, nu er geen sprake was van ernstige symptomen die duidden op een ernstige 
keelontsteking, de behandeling zonder antibioticum voort te zetten. Dit is in lijn met de NHG 
standaard Acute keelpijn 2007 geweest. Voorts heeft verweerster het gebruik van prednisolon 
voortgezet, aangezien dit middel effectief bleek tegen de zwelling in de keel. Dit is niet in 
strijd met de NHG standaard Acute keelpijn 2007. Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b) Onvoldoende onderzoek verricht
5.12  Klager stelt dat verweerster tijdens het consult van 22 juli 2015 onvoldoende onderzoek heeft 
verricht. Volgens klager had verweerster in haar onderzoek ook de halsklieren moeten betrekken en 
moeten onderzoeken of er sprake was van een vergroting van de klieren en zo ja, of dit de voorste 
halsregio was of de gehele halsregio. Voorts had verweerster aan klager moeten vragen of hij 
hoestte.

5.13  Verweerster heeft onder verwijzing naar hetgeen zij heeft genoteerd in het huisartsenjournaal 
bestreden dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht. Voorts heeft zij verwezen naar het 
deskundigenrapport van I.

5.14  Uit het huisartsenjournaal blijkt dat verweerster de keel van klager heeft bekeken en de 
waarnemend huisarts erbij heeft geroepen om te beoordelen hoe de keel was ten opzichte van twee 
dagen ervoor. Zij heeft de halsklieren van klager onderzocht en gevoeld dat de deze waren opgezet. 
Verweerster heeft de temperatuur van klager opgenomen en deze was met 36,7˚C niet verhoogd. Zij 
heeft de oren van klager onderzocht en geen bijzonderheden gezien. Tijdens de zitting heeft 
verweerster naar aanleiding van vragen van het college beschreven hoe het consult destijds is 
verlopen. Zij heeft toegelicht dat zij bij haar onderzoek ook de klieren in de hals heeft 
betrokken. Klager heeft ter zitting bevestigd dat verweerster zijn hals heeft onderzocht en dat het 
onderzoek pijnlijk was.

5.15  Het college is van oordeel dat verweerster tijdens de zitting duidelijk heeft aangegeven welk 
onderzoek zij heeft verricht en wat zij daarbij heeft geconstateerd. Op basis van hetgeen 
verweerster ter zitting heeft verklaard en de bevestiging van klager dat verweerster aan zijn hals 
heeft gevoeld, stelt het college vast dat verweerster tijdens het consult van 22 juli 2015 ook de 
klieren in de hals heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het huisartsenjournaal dat verweerster de 
oren van klager heeft onderzocht, in de keel heeft gekeken, de waarnemend huisarts erbij heeft 
geroepen om te beoordelen hoe de keel eruit zag ten opzichte van twee dagen ervoor en dat zij de 
temperatuur van klager heeft opgenomen. Het college is van oordeel dat verweerster, gelet op de 
door klager gepresenteerde klachten, haar eigen bevindingen en die van de waarnemend huisarts, op 
22 juli 2015 voldoende onderzoek heeft verricht. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c) In afwijking van NHG standaard de behandeling met prednisolon voortgezet zonder 
antibioticum

5.16  Volgens klager heeft verweerster in strijd met de NHG standaard Acute keelpijn 2007 geen 
antibioticum voorgeschreven en de behandeling met prednisolon voortgezet, hetgeen 
contra-geïndiceerd was volgens de prednisolon bijsluiter.

5.17  Verweerster heeft aangegeven dat het voorschrijven van een antibioticum niet conform de NHG 
standaard Acute keelpijn 2007 zou zijn geweest, omdat klager niet voldeed aan de criteria voor een 
ernstige keelontsteking. Voorts stelt zij dat zij de behandeling met prednisolon heeft voortgezet 
omdat dit middel effectief bleek tegen de zwelling in de keel. Ter onderbouwing van haar stellingen 
verwijst zij naar het deskundigenrapport van I.

5.18  Het college overweegt dat in de NHG standaard Acute keelpijn 2007 wordt aanbevolen om geen 
antibiotica voor te schrijven bij patiënten met acute keelpijn, tenzij er sprake is van een ernstig 
verlopende keelontsteking of een verhoogd risico op complicaties. Gelet op de klachten van klager 
en hetgeen verweerster en de waarnemend huisarts op 22 juli 2015 hadden geconstateerd bij 
onderzoek, kon verweerster naar het oordeel van het college tot de conclusie komen dat sprake was 
van een milde keelontsteking. Het voorschijven van een antibioticum was dus niet geïndiceerd en het 
niet-voorschijven ervan is niet in strijd met de NHG standaard Acute keelpijn 2007.

5.19  Voorts overweegt het college dat het voorschrijven van off-label medicatie onder bepaalde 
voorwaarden is toegestaan, gangbaar is en veel voorkomt. Ter zitting heeft verweerster toegelicht 
dat de prednisolon zijn werk leek te doen omdat de zwelling in de keel volgens de waarnemend 
huisarts was afgenomen. Het college is van oordeel dat verweerster gelet op haar bevindingen en de 
bevindingen van de waarnemend huisarts tijdens het consult van 22 juli 2015 dat de zwelling in de 
keel was afgenomen, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het gebruik van 
prednisolon voort te zetten en geen antibioticum voor te schrijven. Klachtonderdeel c) is 
ongegrond.

Klachtonderdeel d) Prednisolon voortgezet zonder informed consent

5.20  Volgens klager heeft verweerster hem niet geïnformeerd dat in strijd met de NHG standaard 
Acute keelpijn 2007 de behandeling met prednisolon werd voortgezet en dat hij geen antibioticum 
kreeg voorgeschreven.

5.21  Verweerster verwijst naar het deskundigenrapport van I en stelt dat er geen sprake is van het 
ontbreken van informed consent.

5.22  Het college overweegt dat het in beginsel van een huisarts wordt verwacht dat zij de patiënt 
inlicht over de mogelijke risico’s van een behandeling. Klager had twee dagen voor het consult van 
22 juli 2025 ingestemd met het gebruik van prednisolon. Het college is gelet daarop van oordeel dat 
verweerster klager niet (alsnog) expliciet hoefde te infomeren over alle mogelijke risico’s van het 
voortzetten van het gebruik van prednisolon, mede vanwege het feit dat het een kortdurende kuur 
betrof en het feit dat de prednisolon effect leek te hebben. Klachtonderdeel d) is daarom 
ongegrond.

Klachtonderdeel e) Klager niet doorverwezen naar KNO-arts
5.23  Volgens klager had verweerster hem bij het consult van 22 juli 2015 moeten doorverwijzen naar 
de KNO-arts omdat er bij klager tekenen waren van een mogelijk peritonsillair infiltraat of abces. 
In dat geval adviseert de NHG standaard Acute keelpijn 2007 verwijzing naar de KNO-arts.

5.24  Verweerster betwist dit klachtonderdeel onder verwijzing naar het deskundigenrapport van I. 
Volgens verweerster blijkt uit dit rapport ook dat er tijdens het consult van 22 juli 2015 geen 
tekenen aanwezig waren die wezen op een (kans op een) latere ontwikkeling tot sepsis of fasciitis 
necroticans.

5.25  Het college overweegt dat op 22 juli 2015 een verwijzing naar de KNO-arts niet aan de orde 
was. Zoals hiervoor al beschreven, kon verweerster op 22 juli 2015, gelet op de klachten van klager 
en hetgeen verweerster en de waarnemend huisarts tijdens het consult hadden geconstateerd bij 
onderzoek, tot de conclusie komen dat sprake was van een milde keelontsteking. De zwelling in de 
keel was afgenomen. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat zij verwachtte dat de toestand van 
klager spoedig nog verder zou verbeteren. Het was daarom niet geïndiceerd om klager door te 
verwijzen naar de KNO-arts.

5.26  Het college overweegt ten overvloede nog het volgende. Fasciitis necroticans is een zeer 
ernstige bacteriële infectie die zich aanvankelijk aandient als een onschuldige infectie. De 
bacterie die het lichaam is binnengekomen is echter zeer virulent en kan zich snel vermenigvuldigen 
en zich snel verspreiden via ontsteking van de bindweefselbanen (fascie) die organen en spieren 
omhullen. Bij de afweerreactie van het lichaam treedt snel diffuus intravasale stolling op die 
allerlei organen kan aandoen. De ziekte is zeldzaam maar snel progressief. Het missen van de 
diagnose in de beginfase is bijna niet te voorkomen omdat de aanvankelijke symptomen zeer 
aspecifiek zijn. Het beloop kan in uren tot dagen fataal zijn. In de situatie van klager lag het 
dus geenszins voor de hand dat de klachten waarmee klager zich op 20 juli 2015 bij de waarnemend huisarts en op 22 juli 2015 bij verweerster presenteerde, zich uiteindelijk zo zouden ontwikkelen zoals zij hebben gedaan.

5.27  Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Slotsom
5.28  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Kostenveroordeling
5.29  Klager heeft verzocht verweerster te veroordelen in de kosten die hij heeft gemaakt in deze 
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond 
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Gelet op het voorgaande wijst het college 
het verzoek om een kostenveroordeling af.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;
-  wijst het verzoek van klager om een kostenveroordeling af.

Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
lid-jurist, G.J. Dogterom, V.M. Schijf en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.