ECLI:NL:TGZRAMS:2026:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8362
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8362 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager is door twee huisartsen, verweerder en verweerster in de zaak A2025/8821, gezien en beoordeeld. Enkele dagen later is in het ziekenhuis de diagnose fasciitis necroticans gesteld en heeft klager zeer intensieve maar ook mutilerende behandelingen ondergaan die hem uiteindelijk hebben gered maar met zeer ernstig en blijvend letsel tot gevolg. Het is in het kader van de tuchtklacht niet aan het college om het ingebrachte deskundigenbericht te beoordelen. Het college betrekt dit wel bij de beoordeling van de klachtonderdelen. Het college overweegt dat in de situatie van klager het geenszins voor de hand lag dat de klachten waarmee klager eerst bij de waarnemend huisarts en vervolgens ook bij de andere huisarts presenteerde, zich uiteindelijk zo zouden ontwikkelen zoals zij hebben gedaan. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond. |
A2025/8362
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 24 februari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
gemachtigde: mr. S. Oosting, werkzaam in Groningen,
tegen
C,
huisarts,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. E.J. Wervelman, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is op 20 juli 2015 beoordeeld en behandeld door verweerder, destijds
waarnemend
huisarts. De klachten waarmee klager zich tot verweerder wendde, bestonden uit keelpijn
sinds twee
dagen en pijn bij het slikken. Verweerder constateerde een keelontsteking zonder
koorts en met een
forse, symmetrische zwelling zonder exsudaat (beslag) of pus. Verweerder heeft klager
pijnstilling
en prednisolon voorgeschreven en een vangnetadvies meegegeven.
1.2 Twee dagen later is klager gezien door een andere huisarts, mevrouw D (verweerster
in de zaak
A2025/8821), en zij heeft verweerder tijdens het consult gevraagd om even mee te
kijken naar de
keel van klager. Verweerder constateerde toen dat de zwelling was afgenomen.
1.3 In de nacht van 22 op 23 juli 2015 is klager beoordeeld door een arts op de
huisartsenpost,
met spoed verwezen naar de spoedeisende hulp (hierna: SEH) van het E in B en op
23 juli 2015 rond
13:00 uur verwezen naar het F. Bij aankomst daar bleek klager inmiddels ernstig
ziek met als
diagnose fasciitis necroticans. Klager heeft zeer intensieve maar ook mutilerende
behandelingen
ondergaan die hem uiteindelijk hebben gered maar met zeer ernstig en blijvend letsel
tot gevolg.
1.4 Klager maakt de huisarts diverse verwijten zoals verwoord in 9 klachtonderdelen
(a t/m i).
Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij hem op 20 juli 2015 niet goed zou
hebben onderzocht, hem ten onrechte geen antibioticum heeft voorgeschreven, hem
ten onrechte prednisolon en diclofenac heeft voorgeschreven zonder maagbeschermer
en dat hij het voorgaande heeft gedaan zonder informed consent. De huisarts heeft
de klacht bestreden en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
1.5 Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond
is. Hierna
vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college
de beslissing
toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met 14 bijlagen, ontvangen op 7 april 2025;
- de aanvullende bijlagen (15 t/m 21) zijdens klager;
- het verweerschrift met 1 bijlage.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 januari 2026. Partijen zijn
verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en aan het
college en de
andere partij overhandigd. Deze klacht is ter zitting gelijktijdig behandeld met
de klacht tegen de
huisarts, mevrouw D.
2.4 Aan de spreekaantekeningen van de gemachtigde van klager waren nog 3 producties
gehecht. De
gemachtigde van de huisarts heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van deze
producties. De
voorzitter heeft ter zitting beslist dat de aanvullende producties worden geweigerd.
Deze
producties maken dus geen deel uit van het procesdossier.
3. De feiten
3.1 Klager wendde zich op maandag 20 juli 2015 in de middag tot de huisartsenpraktijk
van G en D
in verband met keelpijn en slikklachten. In verband met de vakantie van huisarts
D had klager een
consult bij verweerder, waarnemend huisarts in de praktijk van huisarts D. Klager
had sinds de
zaterdag ervoor last van keelpijn en sinds een dag lukte eten en drinken niet meer
door pijn en
moeite met slikken. Klager gebruikte ibuprofen tegen de pijn.
3.2 Bij onderzoek constateerde verweerder een forse zwelling in de keel, zonder
exsudaat of pus.
Klager had een temperatuur van 37,5˚C en hij maakte geen zieke indruk. Verweerder
stelde de
diagnose keelontsteking en schreef ter behandeling een ontstekingsremmende pijnstiller
(diclofenac)
voor alsmede een vijfdaagse stootkuur prednisolon. Hij gaf klager het advies om
opnieuw contact op
te nemen indien de klachten zouden aanhouden (vangnetadvies).
3.3 Op woensdag 22 juli 2015 wendde hij zich in de middag opnieuw tot de huisartsenpraktijk.
Dit
keer werd hij gezien door huisarts D. Hij gaf aan dat zijn klachten niet waren afgenomen
en dat hij
zich niet goed voelde. Hij had die ochtend zelf zijn temperatuur gemeten en deze
was toen 39˚C. Hij
had ook wat last van zijn maag. Het slikken was pijnlijk en ook de keel en nek waren
heel pijnlijk.
3.4 Bij onderzoek constateerde huisarts D dat klager helder slijm in de keel had
en dat de hals
van klager erg pijnlijk was met flinke zwellingen. Klager had een temperatuur van
36,7˚C. Huisarts
D vroeg verweerder om even mee te kijken naar de keel van klager. Verweerder constateerde
toen dat
de zwelling van de keel was afgenomen ten opzichte van de maandag ervoor. Huisarts
D dacht aan de
ziekte van Pfeiffer. Zij schreef omeprazol voor ter bescherming van de maag en zette
de behandeling
met prednisolon voort. Zij adviseerde klager om de volgende dag terug te komen als
er geen sprake
zou zijn van een (verdere) verbetering.
3.5 In de avond van woensdag 22 juli 2015 nam klager contact op met de huisartsenpost
in verband
met ernstige pijnklachten. Rond middernacht is klager door de arts van huisartsenpost
naar de SEH
van het E in B verwezen. In de ochtend is klager overgebracht naar het F. Aldaar
is fasciitis
necroticans geconstateerd. Zijn onderbenen en de vingers van zijn linkerhand zijn
geamputeerd.
Daarna heeft klager nog vele operaties ondergaan.
3.6 De gemachtigde van klager heeft namens hem een verzoekschrift tot het inwinnen
van een
voorlopig deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank.1 Nadat dit verzoek werd
afgewezen, heeft
het Hof H het verzoek toegewezen en I, hoogleraar huisartsgeneeskunde als deskundige
benoemd. Aan
hem is gevraagd het medisch handelen van de twee huisartsen te beoordelen tijdens
de consulten van
20 en 22 juli 2015. Uit het rapport blijkt dat de gemachtigden van partijen in de
gelegenheid zijn
gesteld om op het conceptrapport van I te reageren door hem vragen te stellen en
verzoeken te doen.
Klager heeft het definitieve deskundigenrapport van I van 12 februari 2025 als bijlage
bij het
klaagschrift gevoegd en het maakt daarmee deel uit van het dossier dat aan het college
is
voorgelegd.
3.7 De conclusie van I met betrekking tot het consult van 20 juli 2015 luidt: “(…) ik beoordeel
het gehele handelen van de huisarts op 20 juli 2015 als in overeenstemming met de
professionele
standaard.”
3.8 De conclusie van I met betrekking tot het consult van 22 juli 2015 luidt: “Daarmee is mijn
oordeel dat het handelen van de huisarts op 22 juli 2015 geheel heeft voldaan aan
de professionele
standaard.”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
¹ Anders dan een deskundigenbericht dat door de rechter in een lopende procedure wordt
gelast dient
een voorlopig deskundigenbericht tot het vergaren en veiligstellen van bewijs ten
behoeve van een
partij die een procedure overweegt of al is begonnen. ‘Voorlopig’ betekent dus dat
het
deskundigenbericht wordt verzocht door (een van de) partijen en dat het niet door
de rechter wordt
bevolen. In een civiele procedure komt aan een voorlopig deskundigenbericht dezelfde
bewijswaarde
toe als aan een door de rechter bevolen deskundigenbericht.
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) Geen onderscheid heeft gemaakt tussen een ernstige en een milde keelontsteking;
b) Onvoldoende onderzoek heeft verricht;
c) Ten onrechte geen antibioticum maar prednisolon heeft voorgeschreven en daarmee
zonder
aanvaardbare reden is afgeweken van de NHG standaard 2007;
d) Diclofenac en prednisolon heeft voorgeschreven zonder maagbeschermer;
e) Prednisolon heeft voorgeschreven zonder informed consent;
f) Bij het tweede consult de behandeling met prednisolon heeft voortgezet;
g) Bij het tweede consult onvoldoende onderzoek heeft verricht;
h) Bij het tweede consult de behandeling met prednisolon heeft voortgezet zonder
informed consent;
i) Klager bij het tweede consult ten onrechte niet heeft doorverwezen naar de
KNO-arts.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is duidelijk dat het ernstige en blijvende letsel dat klager heeft opgelopen
zeer
ingrijpend is voor klager. Evident is dat hij hiervan dagelijks de nare gevolgen
van ondervindt.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of een huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Deskundigenrapport I
5.3 De gemachtigde van klager heeft een verzoekschrift tot het inwinnen van een
deskundigenbericht ingediend en het Hof H heeft I als deskundige benoemd om het
medisch handelen
van de huisartsen tijdens de consulten van 20 en 22 juli 2015 te beoordelen. De
gemachtigde van
klager heeft aangegeven dat klager het niet eens is met de beoordeling door I en
zijn conclusies
dat zowel het handelen van de huisarts op 20 juli 2015 als het handelen van de huisarts
op 22 juli
2015 in overeenstemming met de professionele standaard is geweest. De gemachtigde
van klager heeft
vele bezwaren zijdens klager tegen de beoordeling en conclusies van I naar voren
gebracht in de
fase van de conceptrapportage. I heeft uitvoerig op de bezwaren van klager gereageerd
en het
definitieve deskundigenrapport van I beslaat 79 pagina’s.
5.4 Verweerder heeft in zijn verweerschrift veelvuldig verwezen naar het deskundigenrapport
van I
ter onderbouwing van zijn verweer.
5.5 Zijdens klager is betoogd dat aan het deskundigenbericht van I gebreken kleven.
De
gemachtigde van klager geeft in het klaagschrift aan dat klager, nu I niet meer
in het BIG-register
staat ingeschreven, het rapport van I niet ter beoordeling aan het college kan voorleggen
en dit
ertoe heeft geleid dat klager het handelen van verweerder (en huisarts D) thans
aan het college
voorlegt.
5.6 Klager heeft aangegeven dat volgens hem aan het deskundigenrapport van I de volgende
gebreken
kleven:
- I is van mening dat als in een richtlijn/standaard niet wordt gesproken over
een bepaald
medicijn, het niet in afwijking van die standaard kan zijn om dat medicijn voor
te schrijven.
Volgens klager is dat onjuist;
- I heeft in zijn rapport een verwijzing opgenomen naar een wetenschappelijk artikel
uit 2017
terwijl het handelen van de huisarts plaatsvond in 2015;
- I vergelijkt het gebruik van prednisolon bij acute keelpijn en CODP met elkaar
en hij onderbouwt
dit door te verwijzen naar de ervaring in de huisartsenpraktijk met het gebruik
van
corticosteroïden. Volgens klager is dit niet juist;
- I heeft volgens klager niet alle vragen beantwoord;
- I stond ten tijde van het opstellen van zijn deskundigenbericht niet meer ingeschreven
in het
BIG-register.
5.7 Het is in het kader van de tuchtklacht jegens verweerder niet aan het college
om het
deskundigenbericht van I te beoordelen. De door de gemachtigde van klager genoemde
gebreken aan het
deskundigenrapport van I maken naar het oordeel van het college niet dat aan het
deskundigenbericht
van I – een gezaghebbend deskundige – geen enkele waarde meer kan worden toegekend
en dat de inhoud
van het deskundigenbericht buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Klager
heeft het
deskundigenbericht van I als bijlage bij het klaagschrift gevoegd en verweerder
heeft zijn verweer
grotendeels op het rapport van I gebaseerd. Het college zal om die reden bij de
beoordeling van de
klachtonderdelen ook het deskundigenrapport van I betrekken.
Klachtonderdeel a) Geen onderscheid tussen een ernstige en een milde keelontsteking
5.8 Klager verwijt verweerder dat hij tijdens het (eerste) consult op 20 juli
2015 geen
onderscheid heeft gemaakt tussen een ernstige en een milde keelontsteking.
5.9 Verweerder voert aan dat er geen sprake was van een ernstige keelontsteking.
5.10 Uit het huisartsenjournaal blijkt dat klager tijdens het consult van 20 juli
2015 last had
van keelpijn en slikklachten, dat er sprake was van een forse zwelling van de keel
zonder pus en
dat klager geen koorts had. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de klieren
in de hals van
klager waren opgezet. Volgens verweerder was sprake van symmetrie.
De keel van klager was gezwollen en deze zwelling was ook symmetrisch. De slijmvliezen
waren rood
en er was geen sprake van zweertjes. Het zag er niet alarmerend uit.
5.11 Volgens het college kan op basis van de klachten en bevindingen ten tijde van
het consult van
20 juli 2015 niet de conclusie worden getrokken dat sprake was van een ernstige
keelontsteking. Er
was weliswaar sprake van slikklachten, maar er was geen sprake van koorts, pus,
kwijlen of ernstig
ziek zijn en aldus was er geen sprake van (objectief vaststelbare) ernstige symptomen.
Verweerder
heeft ervoor gekozen om, nu er geen sprake was van ernstige symptomen die duidden
op een ernstige
keelontsteking, geen antibioticum voor te schrijven. Dit is in lijn met de NHG standaard
Acute
keelpijn 2007 geweest. Klachtonderdeel a is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b) Onvoldoende onderzoek verricht
5.12 Klager stelt dat verweerder tijdens het consult van 20 juli 2015 onvoldoende
onderzoek heeft
verricht. Volgens klager had verweerder in zijn onderzoek ook de halsklieren moeten
betrekken en
moeten onderzoeken of er sprake was van een vergroting van de klieren en zo ja,
of dit de voorste
halsregio was of de gehele halsregio. Voorts had verweerder aan klager moeten vragen
of hij koorts
had gehad en of er sprake was van hoesten.
5.13 Verweerder heeft onder verwijzing naar het deskundigenrapport van I bestreden
dat hij
onvoldoende onderzoek heeft verricht.
5.14 Uit het huisartsenjournaal blijkt dat verweerder de keel van klager heeft bekeken
en de
temperatuur van klager heeft opgenomen. Hij constateerde een forse zwelling in de
keel, zonder pus.
Tijdens de zitting heeft verweerder naar aanleiding van vragen van het college beschreven
hoe het
consult destijds is verlopen. Hij heeft toegelicht dat hij bij zijn onderzoek ook
de klieren in de
hals heeft betrokken en toen heeft vastgesteld dat deze symmetrisch waren opgezet.
5.15 Het college is van oordeel dat verweerder tijdens de zitting duidelijk heeft
aangegeven welk
onderzoek hij heeft verricht en wat hij daarbij heeft geconstateerd. Op basis van
hetgeen
verweerder ter zitting heeft verklaard, gaat het college ervan uit dat hij tijdens
het consult van
20 juli 2015 ook de klieren in de hals heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het
huisartsenjournaal dat verweerder de temperatuur van klager heeft opgenomen en genoteerd.
Het
college is van oordeel dat verweerder, gelet op de door klager gepresenteerde klachten,
op 20 juli
2015 voldoende onderzoek heeft verricht. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) In afwijking van NHG standaard prednisolon voorgeschreven in plaats
van
antibioticum
5.16 Volgens klager heeft verweerder in strijd met de NHG standaard Acute keelpijn
2007 geen
antibioticum voorgeschreven en tevens prednisolon voorgeschreven, hetgeen contra-geïndiceerd
was volgens de bijsluiter. Klager zelf had gevraagd om een antibioticum.
5.17 Verweerder heeft aangegeven dat het voorschrijven van een antibioticum niet
conform de NHG
standaard Acute keelpijn 2007 zou zijn geweest, omdat klager niet voldeed aan de
criteria voor een
ernstige keelontsteking. Voorts stelt hij dat hij prednisolon heeft voorgeschreven
teneinde de
zwelling te verminderen en dat het off-label voorschrijven van dit middel in dit
geval, gelet op de
korte duur en rekening houdend met de bijwerkingen en risico’s, verantwoord was.
Ter onderbouwing
van zijn stellingen verwijst hij naar het deskundigenrapport van I.
5.18 Het college overweegt dat in de NHG standaard Acute keelpijn 2007 wordt aanbevolen
om geen
antibiotica voor te schrijven bij patiënten met acute keelpijn, tenzij er sprake
is van een ernstig
verlopende keelontsteking of een verhoogd risico op complicaties. Gelet op de klachten
van klager
en hetgeen verweerder had geconstateerd bij onderzoek, kon verweerder naar het oordeel
van het
college tot de conclusie komen dat sprake was van een milde keelontsteking. Het
voorschijven van
een antibioticum was dus niet geïndiceerd en het niet-voorschijven ervan is niet
in strijd met de
NHG standaard Acute keelpijn 2007.
5.19 Voorts overweegt het college dat het voorschrijven van off-label medicatie onder bepaalde
voorwaarden is toegestaan, gangbaar is en veel voorkomt. Ter zitting heeft verweerder
toegelicht
dat hij klager prednisolon heeft voorgeschreven vanwege de forse zwelling in de
keel van klager.
Verweerder liet het college weten goede ervaringen hiermee te hebben bij eerdere
patiënten en dat
door de ontzwellende werking van prednisolon de slikklachten veelal snel verminderen.
Verweerder
heeft klager tijdens het consult verteld dat prednisolon de zwelling snel zou moeten
doen afnemen
en dat hij klager daarnaast een pijnstiller wilde voorschrijven. Daarmee stemde
klager volgens
verweerder in.
5.20 Het college is van oordeel dat verweerder gelet op zijn bevindingen tijdens
het consult van
20 juli 2015 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door prednisolon,
diclofenac en geen
antibioticum voor te schrijven. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Klachtonderdeel d) Diclofenac en prednisolon voorgeschreven zonder maagbeschermer
5.21 Klager meent dat verweerder hem op 20 juli 2015 geen diclofenac en prednisolon
had mogen
voorschrijven zonder hem ook een maagbeschermer voor te schijven.
5.22 Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het deskundigenrapport van I op
het standpunt dat
het niet voorschrijven van maagbeschermende medicatie als omissie kan worden gezien
maar dat klager
slikklachten had en het daarom verstandig kan zijn het moeten slikken van medicijnen
te beperken,
temeer omdat het ging om een kortdurende behandeling met prednisolon en diclofenac,
klager geen
voorgeschiedenis had van maagzweren en verweerder de duidelijke instructie aan klager
had
meegegeven over wat te doen bij toename of verandering van klachten.
5.23 Het college heeft kennis genomen van de uitvoerige en onderbouwde beoordeling
van dit punt
door I. Het college volgt I hierin. Het college is van oordeel dat verweerder met
zijn handelen is
gebleven binnen de grenzen van hetgeen van een redelijk handelende en redelijk bekwame
huisarts mag
worden verwacht. Wellicht dat het beter was geweest om wel (meteen) een maagbeschermer
voor te
schrijven, maar dit is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat tuchtrechtelijk
verwijtbaar is
gehandeld. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e) Geen informed consent
5.24 Volgens klager heeft verweerder hem niet geïnformeerd dat hij in strijd met
de NHG standaard
Acute keelpijn 2007 in plaats van een antibioticum prednisolon kreeg voorgeschreven
en dat dit
laatste middel off-label werd voorgeschreven. Tevens is hij niet geïnformeerd over het feit dat hij
geen maagbeschermer kreeg voorgeschreven.
5.25 Verweerder verwijst naar het deskundigenrapport van I en stelt dat hij klager
wel over het
voorschrijven van diclofenac en prednisolon heeft geïnformeerd. Voorts geeft hij
aan dat hij klager
niet behoefde te informeren over alle risico’s van prednisolon omdat het slechts
een korte
(stoot)kuur betrof.
5.26 Het college overweegt dat het in beginsel van een huisarts wordt verwacht dat
hij de patiënt
inlicht over de mogelijke risico’s van een behandeling. In dit geval is het college
met verweerder
van oordeel dat hij klager niet expliciet hoefde te infomeren over alle mogelijke
risico’s van het
gebruik van prednisolon, mede vanwege het feit dat het een kortdurende kuur betrof.
Dit gaat ook op
voor het niet informeren over het achterwege laten van een maagbeschermer.
5.27 Het college overweegt ten overvloede nog het volgende. Fasciitis necroticans
is een zeer
ernstige bacteriële infectie die zich aanvankelijk aandient als een onschuldige
infectie. De
bacterie die het lichaam is binnengekomen is echter zeer virulent en kan zich snel
vermenigvuldigen
en zich snel verspreiden via ontsteking van de bindweefselbanen (fascie) die organen
en spieren
omhullen. Bij de afweerreactie van het lichaam treedt snel diffuus intravasale stolling
op die
allerlei organen kan aandoen. De ziekte is zeldzaam maar snel progressief. Het missen
van de
diagnose in de beginfase is bijna niet te voorkomen omdat de aanvankelijke symptomen
zeer
aspecifiek zijn. Het beloop kan in uren tot dagen fataal zijn. In de situatie van
klager lag het
dus geenszins voor de hand dat de klachten waarmee klager zich op 20 juli 2015 bij
verweerder
presenteerde, zich uiteindelijk zo zouden ontwikkelen zoals zij hebben gedaan.
5.28 Klachtonderdeel e) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel f, g, h en i) Tweede consult
5.29 De klachtonderdelen f, g, h en i hebben allen betrekking op het tweede consult
dat plaatsvond
op 22 juli 2015. Deze klachtonderdelen worden gezamenlijk behandeld. Het tweede
consult vond plaats bij een andere huisarts dan verweerder, bij huisarts D. Verweerder
werd die dag door huisarts D tijdens het consult erbij geroepen om mee te kijken naar
de keel van klager. Verweerder heeft toen geconstateerd dat de zwelling in de keel
was afgenomen.
5.30 Klager geeft in zijn klaagschrift aan dat het tweede consult plaatsvond bij
verweerder en
niet bij huisarts D. Verweerder zou volgens klager juist huisarts D erbij hebben
geroepen om zijn
keel (mee) te beoordelen. Verweerder heeft ontkend dat klager het tweede consult
bij hem had en
geeft aan dat dit consult plaatsvond bij huisarts D. Het huisartsenjournaal vermeldt
bij de datum
van het tweede consult de initialen van huisarts D en daarom gaat het college ervan
uit dat het
consult plaatsvond bij huisarts D en niet bij verweerder.
5.31 Het college overweegt dat verweerder tijdens het tweede consult uitsluitend
betrokken was bij
de beoordeling van de zwelling van de keel. Niet is gebleken dat verweerder dit
niet zorgvuldig
heeft gedaan. Voor zover het gaat om het meekijken naar de keel is klachtonderdeel
g ongegrond.
Voor het overige zien de klachtonderdelen f, g, h en i op het handelen van huisarts
D. Aangezien
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen,
wijst het
college deze klachtonderdelen als ongegrond af.
Slotsom
5.32 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Kostenveroordeling
5.33 Klager heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die hij heeft
gemaakt in deze
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk)
gegrond
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Gelet op het voorgaande wijst
het college
het verzoek om een kostenveroordeling af.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart alle klachtonderdelen ongegrond;
- wijst het verzoek van klager om een kostenveroordeling af.
Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
lid-jurist, G.J. Dogterom, V.M. Schijf en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari
2026.