ECLI:NL:TGZRAMS:2026:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9104

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:32
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/9104
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. Klaagster is student verpleegkunde in opleiding (MBO niveau 4) en heeft een klacht ingediend tegen de verpleegkundige bij wie zij haar praktijkstage heeft gelopen. Zij klaagt over de totstandkoming en inhoud van de beoordeling van haar praktijkstage. De klacht valt niet onder de eerste tuchtnorm. Ook niet onder de tweede tuchtnorm omdat het handelen geen weerslag op de individuele gezondheidszorg heeft. Klaagster kennelijk niet ontvankelijk.

A2025/9104

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 28 januari 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
verpleegkundige,
destijds werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2025;
- het verweerschrift.

2. De overwegingen
2.1 De voorzitter moet beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende van belang.

2.2 Klaagster is een student verpleegkunde (MBO verpleegkundige niveau 4). Zij heeft bij de verpleegkundige stage gelopen en de verpleegkundige was haar praktijkopleider. De verpleegkundige heeft een beoordeling geschreven waarin zij het functioneren van klaagster heeft beoordeeld. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat er onjuistheden in de beoordeling staan en dat klaagster door deze beoordeling moeilijkheden ervaart met betrekking tot haar diplomering. De verpleegkundige heeft inhoudelijk verweer gevoerd.

2.3 Om de klacht in behandeling te kunnen nemen, dient de voorzitter eerst te onderzoeken of de klacht onder een van de tuchtnormen valt. In artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) zijn twee normen geformuleerd waaraan het handelen of nalaten van een zorgverlener kan worden getoetst. De eerste tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt of de naaste betrekkingen van de patiënt. Van de eerste tuchtnorm is geen sprake omdat er geen behandelrelatie tussen klaagster en de verpleegkundige bestaat. De voorzitter moet daarom toetsen of de klacht onder de tweede tuchtnorm valt.

2.4 De tweede tuchtnorm betreft gedragingen die niet onder de eerste norm vallen, maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Als algemene voorwaarde van het toepassen van de tweede tuchtnorm geldt het al langer door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) gehanteerde weerslagcriterium. Dit houdt in dat het handelen een weerslag moet hebben op de individuele gezondheidszorg.

2.5 Volgens de voorzitter is er onvoldoende sprake van een weerslag op de individuele gezondheidszorg. Klaagster heeft kennelijk (de totstandkoming van) de beoordeling van haar praktijkstage willen laten toetsen door het Tuchtcollege, maar daar is de tuchtrechtspraak niet voor bedoeld, althans niet wanneer het geen weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

2.6 Daarom is de voorzitter van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.

3. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.


Deze beslissing is gegeven op 28 januari 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.