ECLI:NL:TGZRAMS:2026:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9002
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-01-2026 |
| Datum publicatie: | 30-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9002 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een neuroloog. De neuroloog heeft klager beoordeeld in het kader van een CBR-keuring van de rijvaardigheid van klager. Voor het college is te volgen dat de neuroloog op grond van de medische gegevens van klager aannemelijk heeft geacht dat sprake is geweest van meerdere epileptische aanvallen. Vanwege de door klager aan de behandelend neuroloog beschreven déjà vues is de neuroloog ervan uitgegaan dat klager eerder insulten had gehad. De neuroloog hoeft voor een keuring geen diagnose te stellen, maar kan volstaan met voldoende verdenking op een neurologische oorzaak. Het rapport is kort, maar voldoet aan de eisen. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
A2025/9002
Beslissing van 30 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 30 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
neuroloog,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. K.T.B. Salomons, werkzaam in Den Haag.
1. De zaak in het kort
1.1 Nadat klager betrokken was geraakt bij een eenzijdig auto-ongeval met een verdenking
van een epileptische aanval, heeft het CBR een keuring van de rijvaardigheid van klager
nodig geacht. De neuroloog heeft deze keuring verricht en heeft een rij-ontzegging
van een jaar geadviseerd aan het CBR, kort gezegd omdat hij ervan is uitgegaan dat
klager al eerder (lichte) epileptische aanvallen had gehad. Klager is het oneens met
dit advies en stelt dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de neuroloog het
heeft gebaseerd op onjuiste aannames.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 september 2025;
- het verweerschrift met de bijlage.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in december 1972, is op 16 juni 2025 betrokken geraakt bij een
eenzijdig auto-ongeval. De politie vermoedde een epileptische aanval omdat klager
een ernstige beetwond aan zijn tong had en omdat hij zich niets meer wist te herinneren
van het ongeval.
3.2 Klager is van 16 juni 2025 tot en met 18 juni 2025 opgenomen geweest in het E op de afdeling Neurologie. In een brief van 19 juni 2025 schrijft de behandelend neuroloog onder andere:
“Patiënt werd op 16-6-2025 opgenomen na een eerste gegeneraliseerd insult met focaal
begin in de auto, waarbij patiënt een auto-ongeluk heeft gehad. Er volgde een klinische
MRI hersenen en een EEG. (…) In overleg met de patient werd gezien de ernst van het
insult en de tongbeet gestart met levetiracetam 2dd 500 mg (…)
Conclusie
1. Status na eerste gegeneraliseerde aanval met focaal begin in de auto, verdenking
al langer déjà vues.”
3.3 Op 29 juli 2025 is klager voor een controle op de Polikliniek Neurologie van het E gezien. De behandelend neuroloog schrijft in een brief van 30 juli 2025 onder andere: “Het gaat wel goed. De tong is minder flexibel, heeft iets moeite met sommige letters. Er zijn geen nieuwe aanvallen geweest. ook geen deja vue gevoel meer, alleen 1 keer in de eerste week na opname, duurde zeer kort.”
3.4 Het CBR heeft besloten dat een medische keuring moest plaatsvinden. Verweerder heeft de keuring in opdracht van Medisch Keuringsinstituut Nederland B.V. (hierna: MKIN) verricht. In zijn keuringsformulier heeft hij op 9 augustus 2025 als conclusie genoteerd:
“C/ Eenzijdig ongeval door eenmalig geg epileptisch insult eci, 16 juni, met achteraf
blijkend tevens focale epileptische insulten (als deja vues geinterpreteerd door behandelend
neuroloog) . Geen neurologische afw
Niet rijgeschikt tot 23 juni 2026 (hij had een week na het geg insult nog een deja
vu).”
3.5 Het CBR heeft de conclusie van de neuroloog overgenomen en klager een rijontzegging van een jaar gegeven.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Klager verwijt de neuroloog dat hij:
a) een verkeerde diagnose heeft gesteld;
b) feiten heeft verdraaid en zijn conclusies heeft gebaseerd op aannames;
c) een rapport heeft opgesteld dat niet aan de eisen voldoet die van toepassing
zijn op medisch specialistische rapportages.
4.2 De neuroloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Klachtonderdeel a) verkeerde diagnose
5.3 Klager verwijt de neuroloog dat hij de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van meerdere insulten terwijl dat niet blijkt uit de informatie van de behandelend neuroloog waarop de neuroloog zijn diagnose heeft gebaseerd. Klager is van mening dat de neuroloog op zijn minst had moeten toelichten waarom hij afweek van de conclusie van de behandelend neuroloog.
5.4 Het college overweegt dat de neuroloog klager niet heeft gezien voor een consult maar voor een keuring. Zoals de neuroloog zelf ook naar voren brengt, lag het dus niet op zijn weg om een diagnose te stellen, maar om te onderzoeken of het verkeersongeval veroorzaakt kan zijn geweest door een neurologische oorzaak. Daarvoor is geen onomstotelijk bewijs vereist, maar volstaat voldoende verdenking. Zoals bij de bespreking van het volgende klachtonderdeel zal blijken, is het college van oordeel dat de neuroloog op grond van zijn onderzoek tot zijn conclusie heeft mogen en kunnen komen dat sprake is geweest van meerdere epileptische aanvallen. Dit klachtonderdeel faalt.
Klachtonderdeel b) verdraaiing feiten en conclusies gebaseerd op aannames
5.5 Nadat klager een klacht had ingediend bij het MKIN, heeft de neuroloog bij brief van 8 september 2025 een antwoord gegeven op die klacht. Daarin schrijft de neuroloog onder andere dat de behandelend neuroloog zou hebben geschreven dat klager vaker focale aanvallen had gehad. Klager wijst erop dat de behandelend neuroloog alleen heeft gesproken van verdenkingen van déjà vues en niet over feitelijk vastgestelde focale aanvallen; de neuroloog verdraait dus de feiten. Daarnaast doet de neuroloog volgens klager ten onrechte de aanname dat het feit dat de behandelend neuroloog Levetiracetam aan hem heeft voorgeschreven, duidt op meerdere insulten. Zoals te lezen is in de brief van de behandelend neuroloog, heeft hij deze medicatie voorgeschreven vanwege de ernst van het insult en de angst van klager voor herhaling, aldus klager. De neuroloog heeft hetgeen klager heeft aangevoerd (gemotiveerd) weersproken.
5.6 Voor het college is te volgen dat de neuroloog op grond van de medische gegevens van klager aannemelijk heeft geacht dat sprake is geweest van meerdere epileptische aanvallen. Vanwege de door klager aan de behandelend neuroloog beschreven déjà vues (een déjà vu is een stoornis of verandering aan het bewustzijn die kan passen bij een epileptische aanval die zich beperkt tot een kleiner deel van de hersenen) is de neuroloog ervan uitgegaan dat klager eerder insulten had gehad. Daarbij komt dat klager ook een week na het ongeval nog een déjà vue had, ondanks de medicatie die hij toen nam ter voorkoming van epilepsie. Die informatie tezamen geeft – op basis van objectieve normen - voldoende verdenking van meerdere insulten, ook al heeft de behandelend neuroloog dat vermoeden niet met zoveel woorden geuit. Dat deze verdenking er voor klager toe leidt dat hij een rijontzegging van een jaar heeft gekregen, is begrijpelijkerwijs teleurstellend voor hem, maar maakt niet dat de neuroloog tot een ander advies had moeten komen. Dit klachtonderdeel faalt.
Klachtonderdeel c) rapportage voldoet niet aan de eisen
5.7 Volgens klager voldoet het advies uit het keuringsformulier van 9 augustus 2025
niet aan de eisen die van toepassing zijn op medisch specialistische rapportages,
vooral niet waar het de eisen van toetsbaarheid en consistentie betreft. Door zijn
advies niet op feiten (uit de informatie van de behandelend neuroloog) te baseren
maar op aannames, heeft de neuroloog tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.8 Voor een medische keuring zoals deze geldt dat in een rapport op inzichtelijke en consistente wijze moet worden uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt, dat de in de uiteenzetting genoemde gronden aantoonbaar voldoende steun moeten vinden in feiten, omstandigheden en bevindingen zoals vermeld in het rapport en dat de bedoelde gronden de daaruit getrokken conclusie moeten kunnen rechtvaardigen (vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 30 januari 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:17). Daarnaast dient de rapporteur binnen de grenzen van zijn deskundigheid te blijven. Naar het oordeel van het college voldoet het advies van de neuroloog aan deze eisen. Het rapport is weliswaar kort, maar passend bij een keuring als de onderhavige. Ook dit klachtonderdeel faalt.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 januari 2026 door J.J. Dijk, voorzitter, J.A. Carpay
en G.J. Renzenbrink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.