ECLI:NL:TGZRAMS:2026:3 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8420
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:3 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-01-2026 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8420 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart (GPK). De arts heeft geoordeeld dat er sprake is van zwaarwegende sociaal-medische gronden voor het toekennen van een GPK en zij heeft haar sociaal-medisch advies aan de gemeente gezonden. Ongeveer een week later is het advies van de arts ingetrokken door de organisatie waarvoor de arts werkzaam is. Klager verwijt de arts dat zij a) hem niet de mogelijkheid heeft gegeven om gebruik te maken van het correctie/blokkeringsrecht en b) geen reden en onderbouwing heeft gegeven voor het intrekken van het advies.Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. |
A2025/8420
Beslissing van 6 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 6 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
arts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart
(hierna: GPK). De arts heeft geoordeeld dat er sprake is van zwaarwegende sociaal-medische
gronden voor het toekennen van een GPK en zij heeft haar sociaal-medisch advies aan
de gemeente gezonden. Ongeveer een week later is het advies van de arts ingetrokken
door de organisatie waarvoor de arts werkzaam is.
1.2 Klager verwijt de arts dat zij a) hem niet de mogelijkheid heeft gegeven om gebruik te maken van het correctie/blokkeringsrecht en b) geen reden en onderbouwing heeft gegeven voor het intrekken van het advies.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 april 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de e-mail van klager van 7 juli 2025 met bijlagen;
- de brief van klager van 8 juli 2025, binnengekomen op 14 juli 2025, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 5 augustus 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft bij de gemeente waar hij woont een aanvraag ingediend voor een
GPK voor een bestuurder. In verband met deze aanvraag heeft de gemeente aan D, de
organisatie waarvoor de arts werkzaam is, verzocht een sociaal-medisch advies op te
stellen. D heeft klager ingepland voor een telefonische keuring bij de arts.
3.2 Het telefonische spreekuur met de arts vond plaats op 30 december 2024. Op basis van de anamnese en het aanwezige dossier heeft de arts geoordeeld dat er bij klager sprake was van zwaarwegende sociaal-medische gronden voor het toekennen van een GPK. De arts heeft deze conclusie tijdens het spreekuur met klager besproken. Vervolgens heeft de arts het sociaal-medisch advies direct aan de gemeente gestuurd.
3.3 Op 9 januari 2025 heeft D aan klager een brief gestuurd met de mededeling dat het sociaal-medisch advies van de arts is ingetrokken. Hierover is het volgende toegelicht: “Het consult is telefonisch afgenomen, omdat u aangaf bedlegerig te zijn. Uit de door u aangeleverde medische informatie is echter niet gebleken dat u (permanent) bedlegerig bent. Daarom is onze conclusie dat uw consult op locatie had moeten plaatsvinden.”
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) geen mogelijkheid gegeven voor correctie/blokkeringsrecht
4.2 De arts heeft toegelicht dat zij klager aan het eind van het telefoongesprek
heeft meegedeeld dat zij een positief advies zou geven en dat zij gevraagd heeft of
klager inzage wenste in het sociaal-medisch advies. Hierop heeft klager volgens haar
laten weten dat het advies direct aan de gemeente kon worden gestuurd, wat zij vervolgens
ook heeft gedaan. Klager betwist dat hij dit op die manier heeft gezegd en zegt dat
hij het eens was met het advies, maar dat hij wel inzage wenste voordat het wordt
gestuurd.
4.3 Uit de adviesrapportage blijkt dat de arts het advies met klager heeft besproken en dat hij het eens was met de strekking van het advies. Voor het college is niet vast te stellen wat hierover tijdens het spreekuur precies is gezegd en afgesproken. Het college kan daarom ook niet vaststellen dat de arts het advies ten onrechte niet eerst aan klager heeft toegezonden. Overigens heeft klager niet naar voren gebracht dat er onjuistheden in het advies van de arts staan of dat hij het advies had willen blokkeren. Dat ligt ook niet voor de hand, nu het een positief advies was.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) geen onderbouwing gegeven voor intrekken advies
4.4 De arts heeft toegelicht dat zij niet betrokken was bij de beslissing tot intrekking van het advies. Het college leest in de brief van 9 januari 2025 dat deze beslissing is genomen door D. In de brief is aan klager toegelicht waarom het advies is ingetrokken. Nu niet is gebleken dat de arts hierbij betrokken is geweest, kan zij ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor dit besluit en de onderbouwing hiervan. Klachtonderdeel b) is daarom ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 6 januari 2026 door N.B. Verkleij, voorzitter, M.
Keus en
F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.