ECLI:NL:TGZRAMS:2026:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8548

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:29
Datum uitspraak: 27-01-2026
Datum publicatie: 27-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/8548
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Volgens klager heeft de huisarts onjuiste en onvolledige informatie over de moeder aan Veilig Thuis verstrekt (klachtonderdeel 1). Ook klaagt klager over de inhoud en het verloop van het telefonisch gesprek dat hij met de huisarts voerde (klachtonderdeel 2).

A2025/8548
Beslissing van 27 januari 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 27 januari 2026 op de klacht van:


A,
wonende te B,
klager,


tegen


C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. N.J.I.A. Nuijten, werkzaam te Amsterdam.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft, mede namens zijn minderjarige zoon, een klacht ingediend tegen de huisarts. Klager vindt dat de huisarts onvolledige en onjuiste informatie over zijn ex-vriendin (tevens zijnde de moeder van zijn zoon) heeft verstrekt aan Veilig Thuis. Ook stelt klager dat de huisarts tijdens een telefonisch gesprek met klager een misplaatste opmerking heeft gemaakt, onnodig zijn stem heeft verheven en abrupt de verbinding heeft verbroken.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
- de door klager nagezonden bijlagen, ontvangen op 23 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de namens de huisarts nagezonden bijlagen, ontvangen op 12 augustus 2025 en op
7 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 oktober 2025;
- de reactie op het proces-verbaal namens de huisarts, ontvangen op 17 november 2025;
- de, zoals afgesproken tijdens het mondeling vooronderzoek, door klager nagezonden bijlage, ontvangen op 3 december 2025.

2.2 Namens de huisarts zijn een aantal bijlagen ingediend waarvan op diens verzoek, met toepassing van artikel 67 lid 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), door de voorzitter van het tuchtcollege (ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een derde) is bepaald dat kennisnemen daarvan niet aan klager wordt toegestaan.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De feiten
3.1 Klager en zijn ex-vriendin (hierna: de moeder) zijn de ouders van een op
28 januari 2024 geboren zoon (hierna: de zoon). De moeder en de zoon staan ingeschreven bij de praktijk van de huisarts.

3.2 In januari 2025 is Veilig Thuis E (hierna: VT) een onderzoek gestart in verband met ontvangen meldingen en daardoor ontstane zorgen over de relatie tussen klager en de moeder en zorgen over de moeder in combinatie met de verzorging van de zoon. In dat kader heeft VT de huisarts op 5 februari 2025 telefonisch verzocht om informatie te verstrekken. De daarna via de mail van VT ontvangen vragen over de moeder heeft de huisarts, nadat de moeder had ingestemd met de informatieverstrekking en met haar was afgestemd welke informatie zou worden gedeeld, aan VT beantwoord. Op
19 februari 2025 heeft de huisarts nog nadere verduidelijkende informatie aan VT verzonden.

3.3 De huisarts heeft op 17 april 2025 telefonisch contact gehad met de moeder over huiduitslag bij de zoon. Omdat klager was toegezegd dat hij op de hoogte zou worden gehouden van medische aangelegenheden van de zoon is hij daarover door de assistente van de huisarts geïnformeerd. Klager sprak daarna met de moeder en later die dag ook nog telefonisch met de huisarts. Gelet op het verloop van dit laatste telefoongesprek is het gesprek door de huisarts voortijdig beëindigd.


4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klager heeft de huisarts onjuiste en onvolledige informatie over de moeder aan VT verstrekt (klachtonderdeel 1). Ook klaagt klager over de inhoud en het verloop van het telefonisch gesprek dat hij met de huisarts voerde op 17 april 2025 (klachtonderdeel 2).

4.2 De huisarts heeft op de klachtonderdelen gereageerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe het volgende.

Klachtonderdeel 1) De informatie aan VT
5.3 Klager stelt dat de huisarts VT onjuist en onvolledig over de moeder heeft geïnformeerd door de bij haar gediagnostiseerde aandoeningen (MS en prolactinoom) en de daardoor bij haar bestaande stemmingswisselingen niet te vermelden. Klager stelt dat deze informatie blijkt uit de brief van de internist van de moeder van 1 oktober 2024 en de huisarts dit alles ten onrechte niet heeft vermeld.

5.4 De huisarts stelt dat hij pas met de ontvangst van de tuchtklacht bekend is geraakt met de (door klager bij zijn klaagschrift gevoegde) brief van de internist, dat hij niet op de hoogte was van mogelijke stemmingswisselingen en dat hij deze ook nooit bij de moeder heeft bemerkt. Hij is dan ook van mening dat hij VT aan de hand van de hem bekende (medische) informatie antwoord heeft gegeven en dat van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking geen sprake is geweest.

5.5 Het college heeft geen enkele reden te twijfelen aan de stelling van de huisarts dat hij, ten tijde van het verstrekken van informatie aan VT, niet op de hoogte was van de brief van de internist. Uit het dossier leidt het college immers af dat de desbetreffende brief alleen aan de moeder is gestuurd en dat er inderdaad geen afschrift aan de huisarts is verzonden. Dat de huisarts anderszins op de hoogte was, had moeten zijn of had kunnen zijn van mogelijke stemmingswisselingen bij de moeder is het college nergens uit gebleken. Het college is op grond van alle stukken dan ook van oordeel dat niet kan wordt gezegd dat de huisarts VT onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd zodat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard.

Klachtonderdeel 2) Het telefoongesprek van 17 april 2025
5.6 Klager stelt dat de huisarts hem tijdens dit telefoongesprek heeft medegedeeld dat hij de moeder moet vertrouwen. Gezien de aangifte door klager van mishandeling door haar en haar jarenlange stemmingswisselingen en woede en agressie in al haar relaties, heeft klager dat als zeer misplaatst ervaren. Ook verwijt hij de huisarts dat hij tijdens dit telefoongesprek zijn stem heeft verheven en abrupt de verbinding heeft verbroken.

5.7 De huisarts stelt dat hij klager tijdens dit gesprek niet heeft medegedeeld dat hij de moeder moet vertrouwen, maar dat hij de informatie die klager van de moeder had ontvangen over de huiduitslag bij zijn zoon, kon vertrouwen. Omdat klager vervolgens bleef haken op het onderwerp dat de moeder verschrikkelijk was en niet te vertrouwen - ook nog nadat de huisarts hem had aangegeven dat hij niet met hem over de moeder wenste te spreken maar alleen over de zoon – en klager zich op dat gespreksonderwerp niet liet corrigeren, heeft de huisarts het gesprek moeten beëindigen.

5.8 Het college stelt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen. Het college is van die communicatie immers geen getuige geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals, het misverstaan van elkaar een voortdurend actueel gevaar is, dat nog toeneemt naarmate deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van verwijten als bedoeld, voor derden tot een moeilijke opgaaf. Het vorenstaande betekent dat het college niet kan vaststellen hoe het gesprek tussen klager en de huisarts is verlopen. Dat betekent dat het college ook niet kan vaststellen dat de huisarts hier tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van de huisarts, maar op de omstandigheid dat de feitelijke gang van zaken niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat het college ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaart.

Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.


6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 27 januari 2026 door A. van Maanen, voorzitter, E. Pans,
lid-jurist, G.J. Dogterom, A. Wewerinke en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.