ECLI:NL:TGZRAMS:2026:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8436

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:27
Datum uitspraak: 22-01-2026
Datum publicatie: 23-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/8436
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Na terugkeer van vakantie in het buitenland krijgt klaagster ernstige buikklachten. Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat zij niet de juiste diagnose heeft gesteld en niet adequaat heeft gehandeld naar aanleiding van haar klachten. Het college overweegt dat klaagster in een periode van ruim een half jaar meerdere malen is beoordeeld door verweerster en collega’s van verweerster. Er is op meerdere momenten aanvullend (specialistisch) onderzoek gedaan, wat blijkens het medisch dossier geen verdere aanknopingspunten gaf. De enkele omstandigheid dat later een Helicobacter pylori-bacterie infectie is vastgesteld, maakt niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij had klaagster al eerder op deze bacterie laten testen en de uitslag was toen negatief. Verweerster had naar het oordeel van het college geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het testresultaat. De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 22 januari 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,

tegen

C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam te Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster keert terug van vakantie in D en krijgt dan ernstige buikklachten. In de huisartsenpraktijk wordt zij veelvuldig onderzocht en ook is zij verwezen voor specialistisch onderzoek. Een duidelijke oorzaak wordt echter niet gevonden en de klachten verdwijnen niet. Nadat klaagster uit onvrede naar een andere huisartspraktijk overstapt en uiteindelijk wordt verwezen naar een tropenkliniek, wordt daar een infectie met de Helicobacter pylori-bacterie vastgesteld. Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat zij niet de juiste diagnose heeft gesteld en niet adequaat heeft gehandeld naar aanleiding van haar klachten.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 24 april 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 25 juni 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025;
- een aanvullende verklaring met stukken van klaagster, ontvangen op 24 oktober 2025;
- een dupliek – reactie op deze aanvulling, van verweerster, ontvangen op 5 december 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster was patiënt in de praktijk van de huisarts. In de praktijk werken vier huisartsen. De klacht betreft de periode van juli 2023 tot en met februari 2024. Klaagster heeft in die periode verweerster maar ook andere huisartsen geconsulteerd in verband met onder andere ernstige buikklachten na haar vakantie in D in juni/juli 2023, alwaar zij tweemaal een voedselvergiftiging had opgelopen.

3.2 Klaagster wordt op 25 juli 2023 door een collega huisarts van verweerster gezien. Klaagster vertelde dat zij sinds vier dagen terug was van vakantie. Zij was in twee dagen vijf kilo afgevallen, had geen eetlust, obstipatie, een brandend gevoel, neusbloedingen, moest hoesten en slijm overgeven. Klaagster had geen koorts. De waarnemend huisarts heeft haar hartslag, bloeddruk en zuurstofgehalte gemeten. Deze waren normaal. Klaagster kreeg Azitromycine voorgeschreven en er werd een bloedonderzoek verricht door het laboratorium. Uit dit bloedonderzoek bleken geen problemen met de nieren, geen bloedarmoede, geen infecten, de schildklier werkte goed en de leverfuncties waren goed. Het BSE was iets verhoogd, wat kan passen bij ontstekingsactiviteit.

3.3 In de periode van 8 augustus 2023 tot en met 18 januari 2024 zijn er diverse contacten en consulten van klaagster met de praktijk, waaronder vier keer met de huisarts, en de overige met collega’s van de huisarts. De huisarts laat op 6 september 2023 fecesonderzoek uitvoeren, om te testen op infectie met de Helicobacter pylori-bacterie. Deze test was negatief. Dit is op 7 september 2023 aan klaagster doorgegeven. Klaagster kreeg een verwijzing voor een endoscopie, een PPI (maagzuurremmer), Movicolon en Zofran. Op 6 december 2023 onderging zij een gastroscopie. Daarbij was een beeld te zien van cardiale insufficiëntie en reflux bij obstipatie. Het advies werd gegeven om door te gaan met PPI op geleide van de klachten. In verband met aanhoudende klachten werd met klaagster op 13 december 2023 afgesproken dat er een onderzoek naar coeliakie en lactose in het bloed zou worden uitgevoerd, alvorens klaagster werd doorverwezen naar de MDL-arts. Uit dit onderzoek bleek dat klaagster lactose-intolerant is. Op 15 december 2023 is deze uitslag door verweerster met klaagster besproken. Ook heeft verweerster overleg gehad met de MDL-arts. De MDL-arts adviseerde om steeds kleine beetjes te eten.

3.4 Op 18 december 2023 is klaagster doorverwezen naar de MDL-arts. De MDL-arts wees de verwijzing af en verwees klaagster naar de diëtiste. Op 21 december 2023 is op verzoek van klaagster de verwijzing naar de MDL-arts omgezet naar een andere MDL-arts.

3.5 Op 18 januari 2024 kwam klaagster op consult bij een collega huisarts. Zij had de dag ervoor plots witte en gelige ontlasting gehad. De collega huisarts liet nog een bloedonderzoek uitvoeren. Uit dit onderzoek kwamen geen afwijkingen. Klaagster had al een afspraak staan bij de MDL-arts. Tevens werd afgesproken dat zij weer op controle zou komen na twee weken. Klaagster maakte deze controle afspraak vervolgens niet. Op 9 februari 2024 stapte klaagster over naar een andere huisartsenpraktijk.

3.6 Na een verwijzing van die andere huisartsenpraktijk naar de tropenkliniek van het G is aldaar in juni 2024 een besmetting met de Helicobacter pylori-bacterie vastgesteld.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klaagster heeft de huisarts onzorgvuldig gehandeld, omdat -samengevat-:
a) zij een verkeerde diagnose stelde en een onjuiste behandeling gaf;
b) zij geen gehoor gaf aan haar klachten;
c) zij heeft geweigerd inzage te geven aan klaagster in haar medisch dossier;
d) er sprake was van onbereikbaarheid en chaos in de praktijk.

4.2 De huisarts heeft zich tegen de klacht verweerd en verzocht deze ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?

5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) verkeerde diagnose en onjuiste behandeling en b) geen gehoor geven aan klachten
5.3 Het college ziet aanleiding de klachtonderdelen a) en b) gezamenlijk te behandelen. Klaagster stelt in dit verband dat de huisarts haar symptomen heeft genegeerd en deze telkens heeft toegeschreven aan obstipatie. Er zijn verschillende middelen voorgeschreven om dit te verhelpen, terwijl klaagster nauwelijks iets at. Onder die omstandigheden is het volgens klaagster logisch dat er weinig of geen ontlasting is. Ondanks haar herhaalde verzoeken om verder onderzoek, bleef de huisarts bij deze diagnose. Pas na haar overstap naar een andere huisartsenpraktijk werden haar klachten serieus genomen en is zij doorverwezen voor nader onderzoek. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de vaststelling van de Helicobacter pylori-bacterie, aldus steeds klaagster.

5.4 Het college is van oordeel dat beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn. Klaagster is in een periode van ruim een half jaar meerdere malen beoordeeld door verweerster en collega’s van verweerster. Er is op meerdere momenten aanvullend (specialistisch) onderzoek gedaan, wat blijkens het medisch dossier geen verdere aanknopingspunten gaf. De enkele omstandigheid dat later een Helicobacter pylori-bacterie infectie is vastgesteld, maakt niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij had immers klaagster al eerder, op 6 september 2023, op deze bacterie laten testen en de uitslag was toen negatief. Verweerster had naar het oordeel van het college geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het testresultaat.

Klachtonderdeel c) geen inzage in het medisch dossier
5.5 Op grond van de aantekeningen in het medisch dossier kan dit klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard. In het dossier van klaagster staat de volgende notitie, opgesteld door de praktijkassistente (11 januari 2024) (citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “Mvr belt; had in juli lab geprikt, wilt weten wat er allemaal is bepaald. Ik heb een paar onderdelen opgenoemd maar mvr wilt excact weten wat er allemaal instaat. --› aangegeven dat ik het zal uitprinten, mvr kan het morgen komen ophalen. ›in de zwarte kast bij de balie.” Het college stelt vast dat de huisarts dus wel inzage in het dossier heeft willen geven, maar dat klaagster hier kennelijk geen gebruik van heeft gemaakt. Klachtonderdeel c is ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) onbereikbaarheid en chaos in de praktijk
5.6 Klaagster heeft in dit verband gesteld dat de praktijk regelmatig gesloten was en niet bereikbaar. Door de huisarts is hier tegenover gezegd dat de praktijk enkele weken per jaar gesloten is, dat dat op de website wordt vermeld en dat er dan een waarnemend huisarts is waar patiënten terecht kunnen. Verder heeft zij uitgebreid uiteengezet hoe de bereikbaarheid is geregeld en geborgd. Klaagster heeft tot slot op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake was van chaos in de praktijk. Dit alles betekent dat ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.

Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 22 januari 2026 door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, G.J. Dogterom, A. Medema en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.