ECLI:NL:TGZRAMS:2026:25 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8537
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2026 |
| Datum publicatie: | 23-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8537 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klagers zijn respectievelijk echtgenoot en nicht van patiënte. Patiënte is op 84-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker overleden. Klagers vinden dat de huisarts patiënte passende medische zorg heeft onthouden en in de laatste fase van haar leven te weinig steun en aandacht heeft gegeven. Het college overweegt dat tussen het moment van diagnose en het overlijden van patiënte - een ruim jaar later - er zeker 30 contactmomenten zijn geweest, telefonisch, met een consult of visite. Niet duidelijk is waar en op welk moment patiënte passende zorg is onthouden. Evenmin blijkt uit het dossier dat de huisarts patiënte in de laatste fase van haar leven te weinig aandacht en steun zou hebben gegeven. Uit het dossier spreekt eerder een grote betrokkenheid van de huisarts bij de patiënte en een proactieve houding. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 22 januari 2026 op de klacht van:
A en B,
wonende in C,
klagers,
tegen
D,
huisarts,
werkzaam in C,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klagers zijn respectievelijk echtgenoot en nicht van E (hierna patiënte), geboren
in 1941. Patiënte is in januari 2024 gediagnosticeerd met baarmoederkanker. Zij wordt
hieraan geopereerd en nabehandeld. Helaas blijken er later uitzaaiingen in de buikholte,
met als gevolg een ileus (darmobstructie). Er zijn onvoldoende behandelmogelijkheden.
Patiënte gaat vervolgens snel achteruit en overlijdt op 8 maart 2025. Klagers vinden
dat de huisarts patiënte passende medische zorg heeft onthouden en in de laatste fase
van haar leven te weinig steun en aandacht heeft gegeven.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 22 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte was ingeschreven bij de praktijk van de huisarts. Zij meldt zich vanaf
september 2023 een aantal keren met klachten van plassen. Zij krijgt na een kweek
een antibioticum voorgeschreven. De klachten verdwijnen en afgesproken wordt dat patiënte
in de gaten houdt of de klachten terugkomen. Op 9 januari 2024 komt patiënte op het
spreekuur (bij een huisarts in opleiding) omdat ze plotseling incontinent is voor
urine en bloed plast en haar buik sinds september 2023 niet helemaal in orde voelt.
De uitslag van een kweek blijkt in orde en het wordt duidelijk dat het bloedverlies
zeer vermoedelijk niet uit de urinewegen afkomstig is, maar een vaginale oorsprong
heeft. Er volgt een verwijzing naar een gynaecoloog.
3.2 De gynaecoloog stelt de diagnose endometriumcarcinoom (baarmoederkanker). Patiënte wordt op 14 maart 2024 geopereerd en krijgt bestraling. Het proces na de operatie kenmerkt zich door klachten over de ontlasting (onder andere obstipatie). Zij komt hiervoor regelmatig op de praktijk. Omdat de klachten niet overgaan vindt nader onderzoek plaats door een internist-oncoloog en de gynaecoloog. Op 5 maart 2025 belt de gynaecoloog naar de praktijk met slecht nieuws. Vanwege uitzaaiingen in de buikholte is er een ileus ontstaan en er zijn onvoldoende behandelmogelijkheden. Patiënte gaat vervolgens snel achteruit en overlijdt op 8 maart 2025.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts dat zij:
a) patiënte passende medische zorg heeft onthouden,
b) patiënte steun en aandacht in deze ellendige en bedreigende fase in haar leven
heeft onthouden.
4.2 De huisarts heeft de klacht bestreden en verzocht deze als ongegrond af te wijzen.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdelen a) onthouden passende medische zorg en b) geen steun en aandacht
5.3 Klagers hebben aangevoerd dat patiënte geen gehoor kreeg bij haar huisarts,
geen contact kreeg en werd afgewimpeld. Verder heeft de huisarts patiënte in de laatste
fase van haar leven te weinig steun en aandacht gegeven. Patiënte voelde zich volgens
klagers “onbegrepen, verwaarloosd en afgeserveerd”.
5.4 Het college zal beide klachtonderdelen gezamenlijk bespreken. Uit het medisch dossier volgt dat, anders dan klagers menen, de klachten van patiënte keer op keer serieus zijn genomen en dat er telkens adequate stappen zijn gezet met de kennis van dat moment. Ook zijn herhaaldelijk concrete afspraken gemaakt in welk geval patiënte weer contact zou moeten opnemen. Patiënte is ook vlot doorverwezen naar de gynaecoloog toen de klachten daartoe aanleiding gaven. Tussen het moment van diagnose en het overlijden van patiënte zijn er zeker 30 contactmomenten geweest, telefonisch, met een consult of visite. Niet duidelijk is waar en op welk moment patiënte passende zorg is onthouden. Evenmin blijkt uit het dossier dat de huisarts patiënte in de laatste fase van haar leven te weinig aandacht en steun zou hebben gegeven. Uit het dossier spreekt eerder een grote betrokkenheid van de huisarts bij de patiënte en een proactieve houding.
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 22 januari 2026 door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, G.J. Dogterom, A. Medema en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.