ECLI:NL:TGZRAMS:2026:23 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7792
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2026 |
| Datum publicatie: | 22-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7792 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster, een jonge vrouw met borstkanker in de voorgeschiedenis, presenteert zich met rugklachten bij de huisarts. Na onderzoek stelt de huisarts haar gerust en raadt haar fysiotherapie aan. Enkele maanden later worden bij haar meerdere botmetastasen vastgesteld. Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat hij haar klachten niet serieus heeft genomen en haar niet tijdig heeft doorverwezen. Volgens de NHG-richtlijn Aspecifieke lagerugpijn komt lage rugpijn frequent voor en is er daarbij in de overgrote meerderheid geen specifieke lichamelijke oorzaak aanwijsbaar. Bij het ontstaan van een chronisch beloop kunnen psychologische en sociale factoren een rol spelen. Daarvoor heeft de huisarts oog gehad en in die zin heeft hij gehandeld conform de richtlijn. Hoewel naar het oordeel van het college een tweesporenbeleid de voorkeur had verdiend (aandacht voor zowel de lichamelijke als de psychosociale kant), is het college van oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
A2024/7792
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 22 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink en mr. N. Roovers, beiden werkzaam te Den Bosch,
tegen
B,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.A. de Clerck, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster, een jonge vrouw met borstkanker in de voorgeschiedenis, presenteert
zich met
rugklachten bij de huisarts. Na onderzoek stelt de huisarts haar gerust en raadt
haar fysiotherapie
aan. Enkele maanden later worden bij haar meerdere botmetastasen vastgesteld.
1.2 Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar klachten niet serieus heeft genomen
en haar niet
tijdig heeft doorverwezen. De huisarts vindt dat hij klaagster naar behoren heeft
onderzocht.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 29 oktober 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 20 maart 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de aanvullende stukken van de gemachtigde van verweerder per e-mails van 16 april
2025 en 2 mei 2025;
- de aanvullende stukken van de gemachtigde van de klaagster, opgevraagd door het
college op 22
juli 2025, binnengekomen op 15 september 2025.
2.2 De zaak is in eerste instantie behandeld op de openbare zitting van 22 juli
2025 en toen
aangehouden voor het opvragen van nadere informatie. Vervolgens is de zaak behandeld
op de openbare
zitting van 11 december 2025. Klaagster was met bericht van verhindering op beide
zittingen niet
aanwezig. Wel was op beide zittingen haar (tweede) gemachtigde aanwezig. Verweerder
met zijn
gemachtigde was op beide zittingen aanwezig. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van klaagster heeft een pleitnotitie voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder is de huisarts van klaagster. Met vijf andere huisartsen werkt
hij in een praktijk
van ongeveer 10.000 patiënten. Niet duidelijk is sinds wanneer klaagster zich bij
deze praktijk
heeft ingeschreven. Inmiddels is zij daar uitgeschreven.
3.2 Bij klaagster, geboren in 1993, is in 2019 borstkanker vastgesteld. Na behandeling
met
chemotherapie en meerdere operaties wordt zij in principe hersteld verklaard, al
staat zij nog wel
onder controle van de oncoloog.
3.3 Op 25 april 2022 heeft klaagster telefonisch contact met een collega van de
huisarts, vanwege
klachten over rugpijn en vaker plassen. Een urineweginfectie wordt met urineonderzoek
uitgesloten.
3.4 Op 13 mei 2022 ziet de huisarts klaagster. Gesproken wordt over de impact van
de
chemotherapie op haar leven. Zij geeft aan te willen sporten en in verband daarmee
verwijst de
huisarts haar naar de fysiotherapeut.
3.5 Op 4 augustus 2022 wordt klaagster, opnieuw vanwege rugklachten, gezien door
een collega van
de huisarts. Er is sprake van stekende pijn in de rechterbil die uitstraalt naar
de achterzijde van
het rechterbovenbeen. Lichamelijk onderzoek laat geen afwijkingen zien. De proef
van Lasèque en de
omgekeerde proef van Lasèque zijn beiden negatief. De collega legt uit dat waarschijnlijk
sprake is
van pijn vanuit het sacro-iliacale gewricht en stelt haar gerust. Geadviseerd wordt
om nog even
door te gaan met de fysiotherapie. Bij geen verbetering kan een verwijzing worden
overwogen. Daarna
heeft klaagster meerdere contacten met de praktijk, maar de rugklachten komen daarbij
niet aan de
orde, behalve tijdens een terugbelverzoek van klaagster op 30 maart 2023. Een collega
van de
huisarts probeert haar tevergeefs terug te bellen en spreekt haar voicemail in.
3.6 Op 10 mei 2023 wordt klaagster vanwege rugklachten door de huisarts gezien. Hij
noteert in het
dossier:
S pijn rug al langere tijd links onder met uitstraling tot in onderbeen
O drukpijn si gewrichten links, flexie en retroflexie pijnlijk, lasegue-/-, heup
links gb E lage
rugklachten
P geruststelling, helaas alleen fysio en oefening, waarschijnlijk chronische klachten
3.7 Daarna zijn er meerdere consulten in de praktijk waarbij de rugklachten niet
aan de orde
komen.
3.8 Op 31 juli 2023 wordt klaagster gezien door een collega van de huisarts. Klaagster
zegt dat
zij sinds enkele dagen pijn heeft in haar rechterbil, die doortrekt tot in haar
kuit. Ze heeft
minder kracht en plast in haar broek zonder aandrang te voelen. Op andere momenten
lukt het plassen
juist niet. Bij lichamelijk onderzoek blijkt de proef van Lasèque positief. Klaagster
wordt via de
SEH doorverwezen naar de neuroloog, waar zij dezelfde dag nog wordt gezien.
3.9 Op 4 september 2023 wordt op een MRI-scan een HNP L5-S1 aangetoond. Daarnaast
rijst de
verdenking op meerdere botmetastasen in de wervelkolom en het sacrum.
3.10 Kort nadat de botmetastasen zijn vastgesteld laat klaagster zich uitschrijven
uit de praktijk
en wordt het dossier overgedragen aan haar nieuwe huisarts.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klaagster heeft de huisarts onjuist gehandeld, omdat hij:
a) haar klachten niet serieus heeft genomen;
b) haar niet tijdig heeft doorverwezen; en
c) tekort is geschoten in het bijhouden van het patiëntendossier.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college onderkent dat bij klaagster, een jonge vrouw, die zich met rugklachten
bij de
huisarts presenteerde, uiteindelijk uitgezaaide kanker is vastgesteld. Het college
is zich ervan
bewust dat dit een grote impact op haar moet hebben gehad en dat deze uitkomst grote
gevolgen heeft
voor haar actuele en toekomstige kwaliteit van leven. Ook de huisarts heeft zich
dit erg
aangetrokken. Dat neemt niet weg dat het college gehouden is een zakelijke beoordeling
te geven van
de vraag of de huisarts bij zijn handelen al dan niet binnen de grenzen van hetgeen
tuchtrechtelijk
aanvaardbaar is, is gebleven.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) en b) klachten onvoldoende serieus genomen en niet tijdig doorverwezen
5.3 Het college ziet aanleiding de eerste twee klachtonderdelen gezamenlijk te
behandelen.
5.4 Volgens klaagster heeft de huisarts haar klachten niet voldoende serieus genomen.
Hij zou
niet hebben gehandeld conform de professionele standaard, in het bijzonder de NHG-standaard
‘Lagerugpijn’ met het oog op haar oncologische voorgeschiedenis. Ook heeft hij haar
niet tijdig
verwezen en evenmin aanvullend onderzoek geïnitieerd. De huisarts stelt dat hij
de klachten van
klaagster wel degelijk serieus heeft genomen en dat hij adequaat onderzoek heeft
verricht om te
beoordelen of een verwijzing op zijn plaats was.
5.5 Het college stelt vast dat de klacht zich toespitst op het consult van 10 mei
2023. Uit de
dossieraantekeningen (zie 3.6) blijkt dat klaagster toen aangaf al langere tijd
pijn in haar linker
onderrug te hebben, die uitstraalde naar haar onderbeen. Klaagster had zich eerder
bij collega’s in
de praktijk met rugklachten gepresenteerd, met name op 25 april 2022, 4 augustus
2022 en 30 maart
2023. Tijdens het bedoelde consult van 10 mei 2023 verricht de huisarts lichamelijk
onderzoek.
Daaruit komen geen bijzonderheden naar voren. In het bijzonder zijn de proeven van
Lasèque
negatief. Ter zitting heeft de huisarts aangegeven dat hij tijdens zijn onderzoek
geen
alarmsignalen heeft gezien, waarmee hij doelt op heftige pijn, krachtsverlies en
nachtelijke
toename van pijn. Hij was op de hoogte van de borstkanker in haar voorgeschiedenis.
Zijns inziens
hield deze ziekte, en de behandeling daarvan, klaagster nog steeds erg bezig, ook
al was zij
hersteld verklaard. Dat was hem ook gebleken tijdens zijn consult van 13 mei 2022
met haar. De
huisarts concludeert op 10 mei 2023 uiteindelijk tot chronische lage rugklachten.
Hij stelt haar
gerust en verwijst haar (terug) naar de fysiotherapeut.
5.6 Volgens de NHG-richtlijn Aspecifieke lagerugpijn komt lage rugpijn frequent
voor en is er
daarbij in de overgrote meerderheid geen specifieke lichamelijke oorzaak aanwijsbaar.
Bij het
ontstaan van een chronisch beloop kunnen psychologische en sociale factoren, zoals
ongerustheid,
depressieve gevoelens en psychische stress, een rol spelen, aldus de richtlijn.
Daarvoor heeft de
huisarts oog gehad en in die zin heeft hij gehandeld conform de richtlijn.
5.7 Mogelijk heeft de huisarts, door de nadruk te leggen op de psychosociale achtergrond
van de
lage rugpijn bij klaagster, minder oog gehad voor een onderliggende lichamelijke
aandoening als
oorzaak. Hoewel naar het oordeel van het college een tweesporenbeleid de voorkeur
had verdiend
(aandacht voor zowel de lichamelijke als de psychosociale kant), acht het college
het handelen van de huisarts niettemin invoelbaar. Daarbij speelt ook een rol dat
klaagster zich de ene keer presenteerde met pijn rechts in de rug/het been (4 augustus
2022) en de andere keer met pijn links in de rug/het been (10 mei 2023).
5.8 Hieraan doet niet af dat de huisarts blijkbaar over het hoofd heeft gezien dat
klaagster in
april 2021 was gestopt met de antihormoontherapie (die gepland was tot april 2025),
zoals te lezen
was in de brief van de oncoloog aan de huisarts van 24 juni 2021. Kennelijk heeft
klaagster dit ook
niet uit zichzelf gemeld aan de huisarts. Ook heeft de huisarts, zo is tijdens de
zitting
vastgesteld, de brief van de fysiotherapeut van 1 maart 2023 niet gezien. Daarin
vraagt de
fysiotherapeut aan de huisarts, naar aanleiding van de aanmelding van klaagster
– in verband met
recidiverende lage rugpijn met soms uitstraling naar het rechterbeen – :“(…) vanwege DTF en
borstkanker in voorgeschiedenis graag uw visie en eventuele verwijzing voor nadere
therapeutische
behandeling.” Beide punten hadden de huisarts eventueel op het spoor kunnen zetten van dat er,
naast de psychosociale component, meer aan de hand zou kunnen zijn.
5.9 Al met al komt het college tot de conclusie dat het handelen van de huisarts
mogelijk beter
had gekund, maar dat hij niet dusdanig is tekortgeschoten dat een tuchtrechtelijk
verwijt op zijn
plaats zou zijn.
5.10 De eerste twee klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.
Klachtonderdeel c) patiëntendossier onvoldoende bijgehouden
5.11 Volgens klaagster heeft de huisarts nagelaten een volledig en adequaat patiëntendossier
bij
te houden, waardoor haar noodzakelijke zorg is onthouden. Consulten zouden onvolledig
zijn
vastgelegd en correspondentie zou ontbreken. Volgens de huisarts voldoet de verslaglegging
aan de
daaraan te stellen eisen.
5.12 Het college stelt voorop dat de huisarts ten tijde van het indienen van de klacht
niet meer
beschikte over het originele dossier, omdat klaagster toen reeds was overgestapt
naar een andere
huisarts en de huisarts het dossier aan zijn opvolger had overgedragen. Voor zijn
verweer heeft de
huisarts het dossier van klaagster bij deze nieuwe huisarts moeten opvragen. De
huisarts heeft
toegelicht dat daarbij de specialistenbrieven niet zijn meegekomen en dat om technische
redenen in
het dossier niet meer zichtbaar was wie destijds welk consult heeft gehouden. Aan
de hand van zijn
agenda heeft de huisarts dit zo goed mogelijk proberen te reconstrueren, zodat duidelijk
is welke
consulten hij met klaagster heeft gehad. Dat deze reconstructie onjuist zou zijn,
is gesteld noch
gebleken.
5.13 Het bevreemdt het college dat klaagster blijkbaar wel over het volledige dossier
beschikt,
maar er kennelijk voor heeft gekozen slechts enkele gedeelten hiervan in deze procedure
over te
leggen.
5.14 Wat hier verder van zij, dat het dossier door de huisarts niet naar behoren
zou zijn
bijgehouden heeft het college niet kunnen vaststellen. De aantekeningen van met
name de consulten
van 13 mei 2022 en 10 mei 2023 voldoen aan de norm die in dit opzicht aan een huisarts
kunnen
worden gesteld. Enkele relevante specialistenbrieven zijn na de eerste zitting in
deze zaak door
het college opgevraagd. Welke voor het huisartsgeneeskundig handelen relevante informatie
zou
ontbreken heeft klaagster ook niet duidelijk kunnen maken.
5.15 Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
Publicatie
5.17 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere huisartsen van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden
zonder
vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist,
G.J. Dogterom, A. Medema en J.C. van der Molen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
T.C. Brand, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.