ECLI:NL:TGZRAMS:2026:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8700

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:2
Datum uitspraak: 06-01-2026
Datum publicatie: 06-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/8700
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in haar sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts haar sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een rapportage.Het college komt tot het oordeel dat klaagster voor een deel van de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is.

A2025/8700
Beslissing van 6 januari 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 6 januari 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,

tegen

C,
arts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door de arts gekeurd in verband met de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. De arts heeft in haar sociaal-medisch advies geschreven dat klaagster niet voldoet aan de medische criteria voor het toekennen van de kaart. Klaagster verwijt de arts haar sociaal-medisch advies niet strookt met de regelgeving en niet voldoet aan de eisen van een rapportage.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster voor een deel van de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klaagster van 28 oktober 2025, binnengekomen op 29 oktober 2025, met bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.


2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klaagster heeft een gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK) voor een bestuurder aangevraagd. In verband met deze aanvraag heeft de Stichting E aan F (hierna: F) gevraagd om klaagster medisch te keuren. De arts is werkzaam bij F waar zij sociaal-medische onderzoeken uitvoert.

3.2 Op 19 december 2024 heeft een collega van de arts (verweerder in de zaak A2025/8699) een medisch onderzoek gedaan bij klaagster. Vanwege onvrede bij dat consult is het advies dat de collega-arts had opgesteld niet aan de gemeente verstuurd en is aan klaagster een herbeoordeling bij de arts (verweerster in deze zaak) aangeboden. Dat onderzoek vond plaats op 5 maart 2025.

3.3 Op 27 maart 2025 heeft F het door de arts opgestelde concept sociaal- medisch advies aan klaagster toegestuurd voor inzage en correctie. De arts heeft op basis van haar onderzoek en de beschikbare medische informatie een negatief advies gegeven voor de aanvraag van een GPK. Klaagster heeft haar akkoord gegeven voor het doorsturen van het advies aan de gemeente. De gemeente heeft de aanvraag van de GPK afgewezen.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster maakt de arts de volgende verwijten:
a) De arts heeft ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Zij heeft geen onderzoek gedaan naar de aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen, die een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigen;
b) Het advies van de arts voldoet niet aan de eisen van de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart.
c) F heeft niet adequaat gereageerd op de klacht van klaagster, haar verzoek om tot een oplossing te komen en haar verzoek om informatie over de toepasselijke richtlijnen;
d) F moet de kosten betalen van de aanvraag van de gehandicaptenparkeerkaart.

4.2 De arts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in de klachtonderdelen c en d en die klachtonderdelen dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het overige heeft de arts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid ten aanzien van de klachtonderdelen c en d
5.1 De klachtonderdelen c en d zijn gericht tegen F. Het college is met de arts van oordeel dat klaagster ten aanzien van deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk is, nu deze niet gaan over het handelen van de arts. Het college zal deze klachtonderdelen daarom niet verder inhoudelijk bespreken. Voor zover klaagster bij klachtonderdeel d verzoekt om ook de arts te veroordelen in de kosten, zal het college dit bespreken onder 5.9.

De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden, waaronder de Richtlijn Gehandicaptenparkeerkaart 2022 (hierna: de Richtlijn GPK) en het Medisch Werkdocument Gehandicaptenparkeerkaart 2024 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid (hierna: het Medisch Werkdocument).

5.3 Daarnaast moet volgens vaste jurisprudentie een advies zoals de arts heeft opgesteld voldoen aan de volgende eisen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Dit laatste betreft een marginale beoordeling.

Klachtonderdeel a) en b) advies voldoet niet aan de eisen en ten onrechte niet de hardheidsclausule toegepast
5.4 De klachtonderdelen a en b gaan over het sociaal-medisch advies dat de arts heeft gegeven. Vanwege de samenhang beoordeelt het college deze klachtonderdelen gezamenlijk.

5.5 Op grond van de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart kunnen bestuurders in aanmerking komen voor een GPK indien zij met de gebruikelijke hulpmiddelen in redelijkheid niet meer dan honderd meter kunnen lopen. Bestuurders die wel honderd meter kunnen lopen, maar een andere ernstige beperking hebben waardoor er sprake is van een medische noodzaak om dichtbij te parkeren, kunnen ook in aanmerking komen voor een GPK, dit wordt de hardheidsclausule genoemd. Door klaagster is aangevoerd dat de arts uitsluitend heeft beoordeeld of zij honderd meter kan lopen. Klaagster heeft toegelicht dat haar loopbeperking verslechtert en dat zij als gevolg van een operatie wegens een tumor haar nek beperkt kan bewegen en daarom een brede parkeerplek nodig heeft voor het in-en uitstappen. Daarnaast is klaagster van mening dat het advies van de arts niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. Zo ontbreken volgens haar de feiten, heeft de arts geen onderzoek gedaan naar de gezondheidstoestand, zijn de onderzoeksbevindingen niet gespecificeerd, heeft de arts de door klaagster verstrekte informatie van de neurochirurg niet betrokken in haar advies en vroeg de arts niet naar informatie van de fysiotherapeut. In het algemeen is het advies volgens klaagster inhoudelijk niet juist en is het advies daarnaast onvoldoende onderbouwd.

5.6 Naar het oordeel van het college voldoet het advies van de arts aan de hiervoor, onder 5.5, genoemde eisen. Uit het advies blijkt dat het onderzoek bestond uit het afnemen van de anamnese, de observatie van klaagster tijdens het spreekuur en de door klaagster verstrekte medische informatie. De arts heeft op basis hiervan beschreven welke beperkingen klaagster heeft met lopen en met de beweeglijkheid van haar nek. Uit paragraaf 1.4 van de Richtlijn GPK volgt dat het medisch advies aan de gemeente beknopt dient te zijn zodat er niet onnodig privacygevoelige informatie wordt meegestuurd (het zogeheten zuinigheidsbeginsel). Het is daarom zorgvuldig dat de arts de medische aandoening van klaagster niet nader heeft gespecificeerd, dit was ook niet nodig voor de onderbouwing. Naar het oordeel van het college beschikte de arts over voldoende informatie voor het opstellen van haar advies. Het was niet nodig om een lichamelijk onderzoek te doen of nadere informatie op te vragen. Op basis van alle informatie heeft de arts inzichtelijk uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.

5.7 Het college is verder van oordeel dat de arts in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat klaagster niet voldoet aan de criteria voor het toekennen van een GPK. Het is heel vervelend voor klaagster dat haar loopbeperking verslechtert, maar voor het onderzoek ging het om haar loopbeperking op het moment van het onderzoek. De arts heeft voldoende onderbouwd dat klaagster op het moment van de beoordeling in staat was om, met de gebruikelijke hulpmiddelen, meer dan honderd meter te lopen. De arts heeft verder in redelijkheid kunnen concluderen dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden. Voor wat betreft de nekklachten volgt uit het Medisch Werkdocument dat problemen bij het in-en uitstappen geen reden hoeft te zijn om een GPK toe te kennen, omdat de auto iets verder weg kan worden geparkeerd op een parkeerplaats parallel aan de weg. Dit heeft de arts in haar advies ook voldoende uitgelegd. Uit het onderzoek zijn geen andere beperkingen naar voren gekomen die relevant waren voor de aanvraag van een GPK. De klachtonderdelen a en b zijn kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a en b kennelijk ongegrond zijn. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen d en e.

Kostenveroordeling
5.9 Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt in deze procedure en voor de aanvraag van de gehandicaptenparkeerplaats. Het college kan niet beslissen dat een zorgverlener de kosten van een dergelijke aanvraag moet vergoeden. Een veroordeling in proceskosten van de tuchtprocedure is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu dat niet het geval is, is er voor een kostenveroordeling geen plaats.

6. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel d en e.
Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 6 januari 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
M. Keus en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.