ECLI:NL:TGZRAMS:2026:183 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9545

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:183
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 29-07-2026
Zaaknummer(s): A2026/9545
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De klacht gaat over de betrokkenheid van de psychotherapeut bij de familie van klager. Uit de door klager overlegde mailwisseling tussen hem en de psychotherapeut blijkt dat klager de psychotherapeut een groot aantal vragen voorlegt waarin hij opheldering vraagt over de grenzen tussen diens rol als vriend en als professional, maar klager noemt daarin geen feitelijke handelingen die zouden duiden op tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Ook overigens blijkt naar het oordeel van de voorzitter niet dat er sprake is van handelen dat in strijd is met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar hoort te doen. De klacht is kennelijk ongegrond.

A2026/9545

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 22 juni 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
psychotherapeut, werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de psychotherapeut.


1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 20 januari 2026;
-  het verweerschrift.

2. De overwegingen
2.1   De voorzitter moet beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De voorzitter 
komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de 
klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende van 
belang.

2.2   De klacht gaat – verkort en zakelijk weergegeven – over het de betrokkenheid van de 
psychotherapeut bij de familie van klager. Klager heeft zes klachtonderdelen geformuleerd: 
rolvermenging buiten behandelrelatie (1), gezagsuitoefening zonder professioneel kader (2), 
instructieve inmenging richting een derde (3), ondergraving van lopende zorgtrajecten (4), 
schending van professionele normen (5) en strijd met algemene beginselen van behoorlijk handelen 
(6).

2.3   De psychotherapeut stelt dat klager niet-ontvankelijk is. Hiertoe is aangevoerd dat de klacht 
niet valt onder de eerste tuchtnorm, aangezien er geen sprake is van een behandelrelatie tussen de 
psychotherapeut en (de familie van) klager. Daarnaast is aangevoerd dat ook geen sprake is van 
schending van de tweede tuchtnorm, omdat de klacht niet kan worden aangemerkt als een uitzonderingssituatie die maakt dat het handelen in de privésfeer -en niet in de hoedanigheid van een BIG-geregistreerd beroepsbeoefenaar-kan worden getoetst. Voor zover klager ontvankelijk wordt verklaard, is door de psychotherapeut nog 
inhoudelijk verweer gevoerd.

Valt de klacht onder de eerste tuchtnorm?
2.4   Allereerst moet worden beoordeeld of de klacht onder een van de twee tuchtnormen valt. Bij de 
eerste tuchtnorm wordt gekeken of er sprake is geweest van een behandelrelatie. Deze tuchtnorm 
staat omschreven in artikel 47 lid 1, aanhef en onder a, van de Wet BIG. Uit het dossier blijkt 
niet dat tussen klager of de familie van klager en de psychotherapeut een behandelrelatie heeft 
bestaan of dat de psychotherapeut anderszins in zijn hoedanigheid als psychotherapeut bij de 
behandeling van (het gezin van) klager betrokken is geweest. De eerste tuchtnorm is daarom niet van 
toepassing.

Valt de klacht onder de tweede tuchtnorm?
2.5   De volgende vraag is of de gedragingen waarover geklaagd wordt onder de tweede tuchtnorm 
vallen, die is neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef en onder b Wet BIG. Voor handelen in strijd 
met de tweede tuchtnorm moet sprake zijn van handelen dat in strijd is met wat een behoorlijk 
beroepsbeoefenaar hoort te doen, en dat voldoende verband houdt met de individuele gezondheidszorg. 
De voorzitter is van oordeel dat dit in deze zaak niet kan worden vastgesteld.

2.6   Uit de stukken blijkt van problemen in de dynamiek van het gezin van klager en zijn ouders. 
De psychotherapeut heeft verklaard dat hij een vriendschappelijke verstandhouding had met de ouders 
van klager. Hij ontkent dat sprake was van ongevraagde professionele inmenging op de punten die 
door klager zijn aangevoerd en stelt dat hij zich in de contacten met het gezin expliciet en 
herhaaldelijk heeft gedistantieerd van zijn rol als psychotherapeut. De voorzitter heeft niet 
vastgesteld dat dit standpunt van de psychotherapeut onjuist is. Uit de door klager overlegde 
mailwisseling tussen hem de psychotherapeut blijkt dat klager de psychotherapeut een groot aantal 
vragen voorlegt waarin hij opheldering vraagt over de grenzen tussen diens rol als vriend en als 
professional, maar klager noemt daarin geen feitelijke handelingen die zouden duiden op 
tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Ook overigens blijkt naar het oordeel van de voorzitter niet 
dat er sprake is van handelen dat in strijd is met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar hoort te 
doen.

3. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 22 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.