We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:177 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8701

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:177
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 17-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/8701
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist onder meer dat zij geweigerd heeft om haar te verwijzen voor nader onderzoek naar autisme. Het college acht het gezien de bevindingen verdedigbaar dat verweerster de nadruk legde op de behandeling van trauma. Uit de e-mails van klaagster leek ook te volgen dat zij dit begreep. Wel was het beter geweest als verweerster nog de tijd had genomen om de verwijzing duidelijk door te spreken met klaagster, maar dit is onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Ook de andere klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2025/8701
Beslissing van 17 juli 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing van 17 juli 2026 op de klacht van:


A,
gevestigd in B,
klaagster, wonende te G,


tegen


C,
Verpleegkundig specialist GGZ,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook te noemen: de verpleegkundig specialist,
gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch, advocaat te Amsterdam.


1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster verwijt de verpleegkundig specialist onder meer dat zij geweigerd heeft om haar te verwijzen voor nader onderzoek naar autisme en dat zij achteraf haar dossier heeft aangepast.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 16 september 2025;
- de brief met bijlagen van klaagster, ontvangen op 21 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek d.d. 29 oktober 2025.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2026. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van verweerster heeft pleitaantekeningen samengevat voorgedragen en deze aan het college en de andere partij overhandigd.


3. De feiten
3.1 Klaagster is van 18 juli 2024 tot en met 28 maart 2025 onder behandeling geweest van E in D. Verweerster was haar (regie)behandelaar. Als diagnose werd gesteld:
- Aandachtdeficiëntie-/hyperactiviteitstoornis, gecombineerd beeld (primair), matig tot ernstig
- Ongespecificeerd trauma- of stressor-gerelateerde stoornis.

De behandeling bestond uit onder andere cognitieve gedragstherapie (CGT) met begeleiding en ondersteuning met methylfenidaat.

3.2 De verwijzing van E naar F d.d. 5 maart 2025 vermeldt onder meer als volgt:
“Reden van verwijzing behandeling gespecialiseerde GGZ voor trauma behandeling
Patiënt heeft deelgenomen aan 12 individuele sessies CGT gericht op ADHD. […] Zij wil graag diagnostieke duidelijkheid omtrent ASS en wil dit graag verder laten onderzoeken. […]
Actuele medicatie
Methylfenidaat 54 mg 1xdd 1 tablet voor 30 dagen per maand
Methylfenidaat 27 mg 1xdd 1 tablet voor 10 dagen per maand, tijdens pms [pms = premenstrueel syndroom]
Methylfenidaat 10 mg 1xdd 1 tablet voor 30 dagen per maand voor de rebound.
[…]
Conclusie
Het betreft een 24-jarige thuiswonende studerende vrouw bekend met ADHD. Zij heeft geprofiteerd van cognitieve gedragstherapie, farmacotherapie en psychoeducatie. […] Daarnaast is sprake van trauma vanuit het verleden. Wij zien geen aanwijzingen voor autisme. […]”

3.3 Het gespreksverslag d.d. 18 maart 2025 tussen klaagster en verweerster vermeldt onder andere het volgende:
“Pt wil graag een verwijzing voor autisme. Zegt dat ik dit heb beloofd en zij is niet gek. Pt blijft vragen om onderzoek naar autisme omdat de psycholoog heeft aangeraden dit te onderzoeken. Pt wil geen dex proberen, de mfd is niet de reden dat zij zich slecht voelt. Dit komt door de slechte communicatie door mij en de dingen die ik zeg. […] Pt wil dat er opnieuw gekeken wordt naar haar casus. Zegt dat de psycholoog alle 12 behandelingen heeft gezegd dat zij aanwijzingen zag voor autisme, ik zou dit ook hebben gezegd. Pt vindt dat ik racistisch ben en haar niet serieus [neem[ over haar telefoongesprek met F. […] Psyche/graag niet naar F voor ptss behandeling wil een verwijzing voor autisme onderzoek.”


De klacht en de reactie van de verpleegkundige specialist
4.1 Klaagster heeft de volgende klachten over het handelen van verweerster:
1. In het gespreksverslag van 18 juli 2024 is vermeld dat klaagster op 7-jarige leeftijd bij een psycholoog is gezien. Dit had moeten zijn: ’op 17-jarige leeftijd’. Ook staat hier vermeld dat klaagsters moeder een angststoornis ’heeft’. Dit moet zijn: ’heeft gehad’.
2. Verweerster heeft ten onrechte geen verwijzing opgesteld voor onderzoek naar autisme, hoewel haar psycholoog dat adviseerde. Verweerster heeft enkel, zonder klaagsters toestemming, een verwijzing opgesteld voor traumabehandeling, waarin autisme niet is meegenomen.
3. In het gesprek met verweerster van 18 maart 2025 zijn er door verweerster opmerkingen gemaakt die klaagster als manipulerend, kwetsend en psychologisch belastend heeft ervaren. Verweerster zou hebben gezegd:
a. “Je kunt toch gewoon naar je huisarts? We zijn gewoon in Nederland”
b. “Je bent nu twee mensen aan het opsplitten”
c. “Heb je met een psycholoog of met een secretaresse gesproken?” (naar aanleiding van een telefoongesprek met F)
d. “Mensen met autisme gaan niet goed op methylfenidaat”
e. “Door methylfenidaat kun je somber worden. Ik denk dat het verstandig is om over te stappen op dexamfetamine.”
4. Verweerster heeft klaagster geadviseerd om tijdens een PMS-week een dubbele dosering methylfenidaat te gebruiken. Omdat de normale dosering 54 mg is, zou een verdubbeling neerkomen op 108 mg per dag, terwijl het toegelaten maximum 72 mg per dag is.
5. Op 18 maart 2025 kreeg klaagster een paniek- en dissociatieaanval. Desondanks adviseerde verweerster om over te stappen op dexamfetamine, zonder daarbij het medicijngebruik te evalueren. Dit voelde voor klaagster onveilig en ongepast.
6. Verweerster heeft na het gesprek van 18 maart 2025 passages verwijderd uit sessieverslagen dan wel achteraf passages toegevoegd, zonder dit met klaagster te bespreken.
7. Zonder psychodiagnostisch onderzoek of bespreking heeft verweerster aan het dossier een passage toegevoegd over persoonlijkheidsproblematiek, terwijl daar nooit over is gesproken.
8. In de ontslagbrief is de informatie over persoonlijkheidsproblematiek gedeeld met de huisarts, zonder toestemming van klaagster.
9. In meerdere sessieverslagen zijn subjectieve formuleringen opgenomen die volgens klaagster geen recht doen aan haar houding en uitspraken. Hierdoor ontstaat geen volledig en genuanceerd beeld van wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

4.2 Verweerster heeft puntsgewijs gemotiveerd verweer gevoerd, dat het college hierna bij de bespreking van de klachtonderdelen zal betrekken. Verweerster meent dat de klachten ongegrond zijn.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verpleegkundig specialist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig specialist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Een verwijt moet van voldoende gewicht zijn. Dat betekent dat niet elke onvolkomenheid in bijvoorbeeld de behandeling of de verslaglegging tot een gegronde tuchtklacht leidt.

5.4 Indien de relevante feiten die aan de klacht ten grondslag worden gelegd, worden betwist en niet objectief kunnen worden vastgesteld, dan zal de klacht of het klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.

5.5 Het college zal de klachtonderdelen hierna puntsgewijs bespreken.

Klachtonderdeel 1.

5.6 Verweerster heeft erkend dat de door klaagster gesignaleerde fouten zijn gemaakt. Omdat het hier gaat om kleine misslagen, acht het college deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het klachtonderdeel zal dus ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 2.
5.7 Klaagster heeft herhaaldelijk aangedrongen op nader onderzoek naar autisme. Verweerster heeft benadrukt dat E voor die diagnose geen aanwijzingen had gevonden. Verweerster heeft met klaagster besproken dat trauma op de voorgrond staat en dacht dat dit voor klaagster duidelijk was. Bij e-mail van 3 maart 2025 vroeg klaagster of verweerster haar wilde aanmelden bij F, een psychologisch bureau dat onder meer is gespecialiseerd in traumabehandeling (maar niet in autisme). Op 4 maart 2025 schrijft klaagster dat zij zich wil laten testen op autisme en meer onderzoek wil laten doen naar de relatie tussen haar en haar ouders en de uithuisplaatsing van haar zus [het college begrijpt: de oorzaak van het trauma]. Klaagster schrijft verder: “Ik denk dat ik door (waarschijnlijk) mijn autisme en als het goed is begaafdheid trauma’s intensiever beleef”. Hierop schrijft verweerster: “Dat is duidelijk, ik zal geen verwijzing vragen voor autisme. Ik zal een verwijzing vragen voor gesprekken over de jeugd”. Verweerster heeft vervolgens de verwijzing naar F gemaakt en daarbij de nadruk gelegd op trauma, hetgeen logisch is gezien de bevindingen van E en het specialisme van F. Hierbij geeft zij aan dat klaagster graag onderzoek wenst naar autisme. Daarbij tekent zij aan dat de behandelaars van E daarvoor geen aanwijzingen zien. Achteraf ziet verweerster dat de verwijzing mogelijk verwarrend was voor klaagster en dat zij beter eerst nog met haar had kunnen bellen om het uit te leggen, ook om voor de zekerheid uit te leggen dat F geen autisme kan diagnosticeren.

5.8 Het college acht het gezien de bevindingen van E verdedigbaar dat verweerster de nadruk legde op de behandeling van trauma, dat op de voorgrond stond. Voor verweerster was dit een rationeel standpunt en uit de e-mails van klaagster leek te volgen dat zij dit begreep, gezien haar wens om specifiek naar F te verwijzen en haar uitleg dat autisme mogelijk zorgde voor een intensievere beleving van het trauma [het college begrijpt dat verweerster hieruit afleidde dat klaagster inzag dat trauma op de voorgrond stond]. Achteraf bleek dat klaagster dat zo niet had bedoeld. Gelet op de frequente mailwisseling met klaagster en haar nadruk op autisme was het voor het managen van klaagsters verwachtingen wel beter geweest als verweerster nog de tijd had genomen om de verwijzing duidelijk door te spreken, zoals zij zelf ook aangeeft. Dit verbeterpunt overschrijdt echter niet de tuchtrechtelijke drempel, omdat de inzet van het beleid in de kern juist was, gezien de bevindingen van de gedragsdeskundigen bij E. Het college acht het klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 3
5.9 Klaagster somt een aantal opmerkingen op die verweerster heeft gemaakt in het gesprek van 18 maart 2025, die zij als ongepast heeft ervaren. Verweerster herkent die opmerkingen niet, of heeft deze in een andere context gezegd dan klaagster aangeeft, aldus verweerster. Het college overweegt als volgt. Met verweerster is het college van oordeel dat de opmerkingen onder 4.1. sub 3. b. tot en met e. op zich en zonder context, niet zijn aan te merken als ongepast. Dat zou anders kunnen zijn voor de opmerking onder 4.1. sub 3. a. ”Je kunt toch gewoon naar je huisarts? We zijn gewoon in Nederland”. Voor mensen met via hun voorouders buitenlandse wortels kan een dergelijke opmerking als kleinerend overkomen. Mogelijk betrof dit de beschuldiging van racisme, waar in de eerste versie van het verslag van verweerster aanvankelijk melding van werd gemaakt. Wat er letterlijk over en weer is gezegd, is echter niet objectief vast te stellen. Achteraf heeft verweerster de weergave in het verslag neutraler geformuleerd, naar het college aanneemt conform haar eigenlijke intentie, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
 

Klachtonderdeel 4
5.10 Uit het onder feiten weergegeven medicatie-overzicht blijkt niet dat aan klaagster voor de PMS-week een dubbele dosering methylfenidaat werd voorgeschreven. Verweerster heeft aangegeven dat het ging om 10 mg extra voor de PMS week. Zij heeft abusievelijk in het dossier een keer genoteerd dat patiënte vergeten was een tablet dubbel te slikken. Het college heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat verweerster op enig moment heeft geadviseerd om voor de PMS-week een dubbele dosering te nemen. De dossieraantekening over het ‘dubbel slikken’ van een tablet is nog geen bewijs dat een dubbele dosering ooit was voorgeschreven. Elders in de klacht spreekt klaagster overigens zelf over een ’verhoogde dosering’, wat conform het medicatiebeleid is. Het klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel 5
5.11 Verweerster heeft ontkend dat klaagster tijdens het gesprek van 18 maart 2025 symptomen had van een paniek- en dissociatieaanval. Klaagster was gedurende het gesprek niet ‘uit contact’. Verweerster ontkent dat zij dexamfetamine heeft geadviseerd. Wel heeft zij de medicatie ter sprake gebracht omdat zij zocht naar een verklaring waarom het gesprek niet goed liep. Nu de lezingen van partijen uiteenlopen kan niet worden vastgesteld dat klaagster tijdens het gesprek van 18 maart 2025 aan een paniekaanval leed. Daarmee kan dus ook niet worden vastgesteld dat verweerster ten onrechte op dat moment het medicatiebeleid ter sprake heeft gebracht. Het klachtonderdeel is ongegrond.
 

Klachtonderdeel 6
5.12 Klaagster heeft ter onderbouwing van haar klacht dat er achteraf wijzigingen zijn aangebracht in haar dossier verwezen naar logbestanden, waaruit zou blijken dat er aanpassingen zijn gedaan. Verweerster ontkent dat zij ongeoorloofde wijzigingen in het dossier heeft aangebracht, behoudens taal- en tikfouten. Het systeem is zo ingericht dat je niets kunt weghalen, zelfs als je dat zou willen. Als je een dossieronderdeel met een muisklik opent om het in te zien, dan registreert het systeem dat en geeft de datum aan waarop het dossier voor het laatst is ’gewijzigd’. Zij heeft klaagster aangeboden om hierover te praten met een systeemdeskundige, maar dat wilde klaagster niet. Het college merkt op dat de technische uitleg over de log-data van het systeem plausibel over komt. Behalve de verwijzingen naar de logdata is het college in het dossier geen bewijs tegengekomen dat er inhoudelijke wijzigingen in het dossier zijn aangebracht. Klaagster legt zelf een verbinding met zaken die haar zijn opgevallen, maar dat vormt nog geen bewijs van haar stelling dat er zaken zijn verwijderd of inhoudelijk aangepast. Het klachtonderdeel is ongegrond.
 

De klachtonderdelen 7, 8 en 9
5.13 Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Deze betreffen alle het volgens klaagster onterecht gebruiken van de term ’persoonlijkheidsonderzoek’, die zou wijzen op persoonlijkheidsproblematiek, waarvoor nooit enige aanwijzing is gevonden en die ook haar reputatie zou kunnen schaden. Verweerster geeft aan dat ze deze term heeft willen gebruiken omdat klaagster onderzoek wilde naar autisme. De term persoonlijkheidsproblematiek wordt volgens klaagster in de psychiatrie ook in dat verband gebruikt. Het college kan zich de verwarring bij klaagster voorstellen, omdat de term persoonlijkheidsonderzoek veelal wordt gebruikt in het kader van persoonlijkheidsproblematiek, terwijl autisme een ontwikkelingsstoornis is. Toch acht het college het te ver gaan om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken van het gebruik van een ambivalente term, die in de praktijk niet-exclusief wordt gebruikt in het kader van persoonlijkheidsstoornissen. In de context van haar communicatie met klaagster heeft steeds vooropgestaan dat klaagster was gediagnosticeerd met trauma. Er waren geen aanwijzingen voor andere problematiek, niet voor autisme, maar evenmin voor persoonlijkheidsproblematiek. Ook op deze punten is de klacht ongegrond.

Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.

6. De beslissing
Het college: - verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.W.M.M. Rieter-van den Bergh, lid-jurist, G.C. van der Weerd, W.J. van der Meer en I.M. Bonte, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.