We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:176 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9119

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:176
Datum uitspraak: 15-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/9119
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft een hartinfarct gehad. Zij verwijt de huisarts dat in de periode daaraan voorafgaand onvoldoende onderzoek is verricht naar de aanhoudende klachten van klaagster, waardoor er te laat een diagnose (essentiële trombocytose) is gesteld. Het college oordeelt dat de huisarts gelet op de toen beschikbare informatie de juiste vervolgonderzoeken heeft ingezet.

A2025/9119
Beslissing van 14 juli 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 14 juli 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. P. van Baaren, werkzaam in Rotterdam,

tegen

C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster kreeg in 2021 een hartinfarct. Zij verwijt de huisarts dat die in de periode daaraan voorafgaand onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de aanhoudende klachten van klaagster, waardoor er te laat een diagnose is gesteld bij klaagster. Klaagster heeft in haar klaagschrift aangegeven dat zij zich in haar klachten niet serieus genomen voelde door de huisarts. De huisarts heeft verweer gevoerd en aangegeven dat zij slechts op enkele momenten contact heeft gehad met klaagster en haar na het afnemen van een bloedtest heeft doorverwezen naar de internist voor verder onderzoek.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlage.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. Bij de behandeling van de zaak in raadkamer is gebleken dat het college nog niet voldoende ingelicht was, waarna aan klaagsters gemachtigde nog schriftelijk enkele vragen zijn gesteld. Op deze vragen heeft het college geen antwoord ontvangen, waarna in raadkamer alsnog op de klacht is besloten.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Sinds maart 2017 is klaagster de patiënt van de huisarts. In de periode tot aan december 2025 wordt klaagster door verschillende huisartsen uit de praktijk behandeld voor diverse mentale en fysieke klachten. Voor haar hoofdpijnklachten is klaagster in februari 2018, november 2019 en juli 2020 doorverwezen naar een neuroloog. Uit het medisch dossier blijkt dat deze doorverwijzingen geen vervolg hebben gekregen.

3.2 Op 19 mei 2020 meldt klaagster bij een collega van de huisarts dat zij al jaren moe is en zich ziek voelt. In het medisch dossier staat genoteerd dat er een bloedonderzoek wordt ingezet en dat er eventueel een doorverwijzing moet komen naar de internist.

3.3 Op 27 mei 2020 komt de uitslag van het bloedonderzoek binnen, waarin onder andere een trombocytose van 642 wordt gemeten. Op 4 juni 2020 noteert een collega van de huisarts in het dossier:


tel; wil labwaardes bespreken, lijkt me niet iets voor telspreekuur, maandag consult eig huisarts, al jaren moe. Zie consult 19 mei dr D

3.4 Op 8 juni 2020 wordt klaagster door de huisarts (verweerster) naar de internist verwezen en noteert de huisarts in het medisch dossier:


S zou van dr E gehoord hebben dat er kwaadaardigheid in bloed zat, mi in lab geen verklaring moeheid
P zoe D 19-5 naar internist
O Brief van: Int uit


3.5 Op 21 juli 2021 wordt door de cardioloog in het medisch dossier genoteerd dat klaagster die maand een hartinfarct heeft gehad en dat er twee stents zijn geplaatst. Voorts wordt er genoteerd dat klaagster bij de hematoloog verder wordt onderzocht op trombocytose.

3.6 In augustus 2021 wordt er door de internist vastgesteld dat er sprake is van essentiële trombocytose, welke conclusie in maart 2022 door de hematoloog wordt bevestigd.


4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts – naar het college begrijpt – dat zij klaagster niet op de juiste wijze heeft behandeld door niet nader onderzoek te doen en klaagster niet serieus te nemen in haar klachten, waardoor zij de diagnose essentiële trombocytose (door klaagster benoemd als ‘dikbloedziekte ’in het klaagschrift) niet heeft gesteld.

4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Het college benoemt daarnaast dat bij uiteenlopende standpunten over een gebeurtenis het college uitgaat van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd, tenzij er aanwijzingen zijn dat wat in het dossier staat niet juist is.

5.3 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt.

5.4 Uit het medisch dossier maakt het college op dat klaagster op een tweetal momenten met de huisarts klachten meldt die te maken zouden kunnen hebben essentiële trombocytose. Daarbij benadrukt het college dat het om een zeer zeldzame bloedziekte gaat die zeker niet eenduidig in verband kan worden gebracht met aspecifieke klachten als vermoeidheid en hoofdpijn. Klaagster komt voor het eerst in 2019 bij haar eigen huisarts (verweerster) met hoofdpijnklachten, toen zij de huisarts nogmaals vroeg haar door te verwijzen naar de pijnpoli van de neuroloog, omdat klaagster de vorige doorverwijzing in 2018 niet had doorgezet. De huisarts heeft klaagster toen opnieuw doorverwezen naar de neuroloog.

5.5 Uit het dossier blijkt voorts dat klaagster in mei 2020 voor het eerst vermoeidheidsklachten meldt bij de huisarts. Zoals hierboven reeds uiteen is gezet wordt er dan een bloedonderzoek geïnitieerd. Volgens de huisarts was er in de uitslag van dat bloedonderzoek geen oorzaak gevonden voor de vermoeidheidsklachten van klaagster. Daarna wordt klaagster doorverwezen naar de internist. In het medisch dossier kan het college niet terugvinden of er door klaagster gevolg is gegeven aan die doorverwijzing en indien dat wel het geval is, wat de bevindingen waren van de internist. Naar aanleiding van deze vraag heeft het college klaagsters gemachtigde in de gelegenheid gesteld om hierover
alsnog informatie aan het college te verstrekken. Klaagsters gemachtigde heeft daar echter, ook na een rappel, niet op gereageerd.

5.6 Over de vraag of de huisarts voldoende onderzoeken heeft ingesteld bij klaagster overweegt het college het volgende. In de bloeduitslag van 27 mei 2020 is onder andere een hoge trombocytenwaarde waarde vastgesteld. Nader onderzoek naar een dergelijke waarde is gewenst. Het college is van oordeel dat de doorverwijzing naar de internist daarom terecht is geweest. Voor zover de klacht aldus moet worden opgevat dat de huisarts geen of onvoldoende opvolging heeft gegeven aan de klachten van klaagster en de bevindingen bij het bloedonderzoek is die klacht ongegrond. Het is namelijk, ook niet na specifieke navraag door het college, niet komen vast te staan dat klaagster opvolging heeft gegeven aan de verwijzing en zich daadwerkelijk tot een internist heeft gewend. Van de huisarts hoefde na de doorverwijzing in dit geval geen nadere actie verwacht te worden. Daarbij weegt het college mee dat de te hoge trombocytenwaarde niet dusdanig alarmerend was dat van de huisarts om die reden verwacht mocht worden dat zij bij klaagster zou aandringen om daadwerkelijk naar de internist te gaan. In beginsel ligt de verantwoordelijkheid voor het gevolg geven aan een doorverwijzing bij de patiënt. In acute (levensbedreigende) situaties wordt van een huisarts een meer proactieve houding vereist. Omdat het college in deze casus oordeelt dat daar geen sprake van was, kan de huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het feit dat klaagster in een later stadium een cardiovasculair incident heeft doorgemaakt waarbij retrospectief een onbehandelde essentiële trombocytose wellicht een risico verhogende rol heeft gespeeld doet daar niets aan af.

Slotsom
5.7 Samenvattend komt het college tot de conclusie dat de huisarts, gelet op de toen voor haar beschikbare informatie, op voorgenoemde twee momenten de juiste vervolgonderzoeken heeft ingezet en zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat de huisarts de klachten van klaagster niet serieus zou hebben genomen wordt door klaagster niet nader onderbouwd, is door de huisarts betwist en wordt ook niet ondersteund door het medisch dossier. Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond.

6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 14 juli 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, J.C. van der Molen en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.