We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9414

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:171
Datum uitspraak: 14-07-2026
Datum publicatie: 14-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/9414
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Klager verwijt de fysiotherapeut dat hij drie keer door hem is behandeld, zonder dat de fysiotherapeut een medisch dossier heeft bijgehouden. Het bijhouden van een medisch dossier is wettelijk verplicht (artikel 7:454 BW). Dat de behandeling kortstondig was en klager familie was van een medewerker van de praktijk, doet daar niet aan af. De fysiotherapeut erkent ook dat hij dit had moeten doen. Het college is niet bevoegd om een klacht over schadevergoeding te beoordelen. Voor het overige is de klacht ongegrond. Geen maatregel opgelegd.

A2025/9414

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 14 juli 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
fysiotherapeut,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de fysiotherapeut, gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verwijt de fysiotherapeut dat hij drie keer door hem is behandeld, zonder dat de 
fysiotherapeut een medisch dossier heeft bijgehouden. De fysiotherapeut erkent dat hij dat wel had 
moeten doen. Klager verwijt de fysiotherapeut daarnaast dat hij de behandelingen niet bij de 
zorgverzekeraar heeft gedeclareerd, de behandeling onterecht heeft beëindigd en zich niet 
professioneel heeft verantwoord over de afhandeling. Volgens klager heeft dit tot voorzienbare 
schade geleid.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht over het niet bijhouden van een medisch 
dossier gegrond is, maar legt de fysiotherapeut hier geen maatregel voor op. Voor het overige is de 
klacht ongegrond. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het 
college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 december 2025,
-  het aanvullende klaagschrift;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het op 11 mei 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2   De zaak is op 2 juni 2026 op openbare zitting behandeld. Beide partijen zijn verschenen. De 
fysiotherapeut werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van
klager was E aanwezig als tolk.

3. De feiten
3.1  Klager heeft in korte tijd drie behandelingen bij de fysiotherapeut gehad: op 19, 23 en 30 
augustus 2021.

3.2   Klager was destijds getrouwd met de dochter van een medewerkster van de praktijk. Op verzoek 
van deze medewerkster — omdat klager ernstige schouderklachten had — is hij als ‘aantekening’ in de 
agenda van de fysiotherapeut geplaatst. De fysiotherapeut zag klager voor het eerst op 19 augustus 
2021. De schouderklachten waren toen zo ernstig dat behandeling niet mogelijk was. De 
fysiotherapeut adviseerde klager pijnstilling te nemen.

3.3  De tweede behandeling vond plaats op 23 augustus 2021.

3.4   De derde en laatste behandeling vond plaats op 30 augustus 2021. Opnieuw was sprake van 
pijnreductie en verbetering van de schouderfunctie. Daarna hebben partijen geen contact meer gehad.

3.5   In oktober 2025 vroeg klager de fysiotherapiepraktijk om bevestiging van de behandelingen en 
om het bijbehorende medisch dossier. Deze informatie had hij nodig voor een civiele procedure tegen 
het UWV. Toen bleek dat de fysiotherapeut geen medisch dossier had aangelegd en ook dat de 
behandelingen niet waren gedeclareerd bij de zorgverzekeraar of anderszins in rekening zijn 
gebracht.

3.6   De fysiotherapeut en de praktijkhouder (tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, 
kenmerk A2025/9415) namen daarop afzonderlijk contact op met klager. Zij bevestigden dat er ten 
onrechte geen dossier was opgesteld. De praktijkhouder sprak met klager af dat de fysiotherapeut 
een retrospectief verslag zou maken van de behandelingen. De fysiotherapeut heeft dit verslag — op 
basis van zijn herinneringen — opgesteld.

3.7   Na ontvangst van dit verslag richtte klager meerdere verzoeken aan de praktijk, waaronder het 
verzoek om een schriftelijke toelichting op de administratieve processen die in 2021 binnen de 
praktijk golden op het gebied van (onder meer) patiëntregistratie en dossiervorming. Op 4 december 
2025 nodigde de praktijkhouder hem uit voor een gesprek op 8 december 2025. Klager ging niet op 
deze uitnodiging in, maar stuurde vervolgens wel een e-mail met een groot aantal vragen.
3.8  Op 15 december 2025 diende klager deze tuchtklacht in, evenals de tuchtklacht tegen de 
praktijkhouder.

4. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1   Klager verwijt de fysiotherapeut dat hij in 2021 geen medisch dossier heeft aangelegd of 
bijgehouden (a), heeft geweigerd de behandelingen – ondanks verzoek van klager – bij de 
zorgverzekeraar te declareren (b), de behandeling onterecht heeft beëindigd
(c) en zich niet professioneel heeft verantwoord over de administratieve en klinische afhandeling 
(d), waardoor volgens klager voorzienbare schade is ontstaan (e).

4.2   De fysiotherapeut heeft erkend dat het ontbreken van een medisch dossier (a) terecht wordt 
verweten. De overige klachtonderdelen heeft hij inhoudelijk betwist.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de fysiotherapeut de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende fysiotherapeut. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de fysiotherapeut geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) ontbreken medisch dossier
5.2   Dat klager als patiënt bij de fysiotherapeut onder behandeling was, staat vast. Eveneens 
staat vast dat de fysiotherapeut rond de behandelingen van klager geen medisch dossier heeft 
aangemaakt. Fysiotherapeuten zijn op grond van artikel 7:454 BW (artikel 454 Wet op de 
geneeskundige behandelingsovereenkomst, WGBO) wettelijk verplicht een medisch dossier bij te 
houden. Dat de behandeling kortstondig was en klager familie was van een medewerker van de 
praktijk, doet daar niet aan af.

5.3   Het primaire doel van de dossierplicht is het waarborgen van goede zorg, waarbij een 
zorgvuldig bijgehouden dossier essentieel is voor kwaliteit en continuïteit. Daarnaast kan het 
dossier worden gebruikt voor secundaire doelen, zoals kwaliteitsbewaking en het afleggen van 
verantwoording, bijvoorbeeld in tuchtprocedures.

5.4   Het niet aanleggen van een dossier is daarom tuchtrechtelijk verwijtbaar. De fysiotherapeut 
erkent ook dat hij dit wel had moeten doen. Ook erkent hij dat hij bij de tweede en zeker de derde 
behandeling had moeten constateren dat er geen dossier bestond en daarop had moeten handelen. Hij 
kan niet verklaren waarom dit is niet gebeurd. De fysiotherapeut heeft toegelicht dat hij dit 
nalaten uitgebreid met de praktijkhouder heeft geëvalueerd.

5.5  Klachtonderdeel a is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel b) geen declaratie bij zorgverzekeraar of aan klager
5.6   Voorts staat vast dat de fysiotherapeut de behandelingen van klager niet bij de 
zorgverzekeraar of bij klager zelf heeft gedeclareerd. Klager heeft toegelicht dat hij tijdens de 
behandeling zijn verzekeringspasje uit zijn broekzak heeft gehaald, om te laten zien dat hij voor 
de behandeling wilde betalen – en dat de fysiotherapeut dit gebaar wegwuifde. De fysiotherapeut 
heeft toegelicht dat waarschijnlijk geen declaratie naar de zorgverzekeraar of klager is gestuurd 
omdat er ook geen medisch dossier was. Normaal gesproken is dit een administratieve handeling, waar 
de fysiotherapeut als behandelaar geen rol in vervult. Dat hij heeft geweigerd de behandeling bij 
de zorgverzekeraar te declareren, heeft de fysiotherapeut betwist.

5.7   Nu voor het college duidelijk is dat het declareren binnen de praktijk een administratieve 
handeling is waarbij de fysiotherapeut geen betrokkenheid heeft, kan het de fysiotherapeut niet 
worden verweten dat hij de behandelingen niet bij de zorgverzekeraar of aan klager heeft 
gedeclareerd. Wel geldt dat een declaratie had kunnen bijdragen aan het besef dat nog een dossier 
moest worden aangemaakt. Dit laat onverlet dat het declareren van een behandeling door of namens 
een fysiotherapeut geen verplichting is.

5.8  Hieruit volgt dat klachtonderdeel b ongegrond is.

Klachtonderdeel c) ten onrechte beëindiging behandeling
5.9   Klager stelt dat de fysiotherapeut de behandelrelatie na drie behandelingen heeft beëindigd 
terwijl hij nog pijnklachten had. Klager heeft toegelicht dat hij geen kortdurende behandelrelatie 
wilde waarvoor hij niet hoefde te betalen. Het college heeft uit de verklaring van klager ter 
zitting opgemaakt dat klager, ondanks zijn aanhoudende klachten, na de drie behandelingen geen 
andere fysiotherapeut of zijn huisarts heeft bezocht. Uiteindelijk verdwenen de klachten doordat 
klager stopte met de werkzaamheden — zowel op het werk als thuis — die de pijn veroorzaakten. De 
fysiotherapeut betwist dat hij klager met pijnklachten naar huis heeft gestuurd en verklaart dat 
hij patiënten altijd een vangnetadvies geeft: bij terugkerende klachten opnieuw contact opnemen. 
Klager heeft zich echter niet meer tot de praktijk gewend.

5.10  Het college kan niet vaststellen of de behandeling terecht of onterecht is beëindigd, omdat 
het medisch dossier ontbreekt. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de fysiotherapeut de 
behandeling heeft beëindigd terwijl klager nog voortdurende pijnklachten had. Dit geldt temeer nu 
klager geen andere fysiotherapeut (of zijn huisarts) heeft bezocht na afronding van de behandeling.

5.11  Ook klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d) onprofessionele verantwoording afhandeling behandeling
5.12  Klager stelt dat de fysiotherapeut geen opheldering heeft gegeven over de wijze waarop de 
behandeling is afgehandeld. De fysiotherapeut heeft dit gemotiveerd betwist. Uit de stukken en zijn toelichting blijkt dat hij samen met de praktijkhouder klager heeft uitgenodigd voor een gesprek op de praktijk, maar dat klager die uitnodiging niet heeft aangenomen. Ook is afgesproken dat de fysiotherapeut een retrospectief verslag zou opstellen, dat klager tevens kon gebruiken in zijn procedure tegen het UWV. De fysiotherapeut heeft dit verslag binnen twee weken toegezonden. Het college is van oordeel dat de fysiotherapeut onder deze omstandigheden de juiste 
stappen heeft gezet om de niet gedocumenteerde behandeling toch nog zo goed mogelijk af te 
handelen.

5.13  Klachtonderdeel d is ongegrond.

Klachtonderdeel e) veroorzaking voorzienbare schade
5.14  Klager stelt dat de fysiotherapeut door zijn nalaten voorzienbare schade heeft veroorzaakt. 
Het college is echter niet bevoegd om te beoordelen of er sprake is van een causaal verband tussen 
het handelen van de fysiotherapeut en de door klager gestelde schade te oordelen of anderszins te 
oordelen over schade of schadevergoedingen te oordelen. Ook kan het college de fysiotherapeut niet 
verplichten klager financieel te compenseren.

5.15  Dit betekent dat het tuchtcollege onbevoegd is om over klachtonderdeel e te oordelen.

Slotsom
5.16  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a gegrond is. Klachtonderdelen b, c en 
d zijn ongegrond. Het college is onbevoegd om over klachtonderdeel e te oordelen.

Maatregel
5.17  Hoewel de klacht gedeeltelijk gegrond is en het niet aanmaken en bijhouden van een medisch 
dossier bij een patiënt tuchtrechtelijk verwijtbaar is, ziet het college aanleiding om de 
fysiotherapeut geen maatregel op te leggen. Daarbij heeft het college de volgende omstandigheden 
betrokken.

5.18  De fysiotherapeut heeft van de drie behandelcontacten met klager geen medisch dossier 
bijgehouden. Hij had zich hiervan bewust moeten zijn en hierop proactief moeten handelen. Het 
college heeft echter niet kunnen vaststellen dat de fysiotherapeut zich destijds bewust was van dit 
nalaten. Wel staat vast dat hij bij de tweede en derde behandeling niet alsnog een dossier heeft 
aangelegd, wat tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dit alles zou in beginsel aanleiding kunnen zijn 
voor het opleggen van een maatregel.

5.19  Gelet op het reflectieve vermogen van de fysiotherapeut ziet het college daar echter van af. 
Tijdens de gehele tuchtprocedure, inclusief de zitting, is gebleken dat deze klacht en zijn nalaten 
de fysiotherapeut diep hebben geraakt. De fysiotherapeut — die ten tijde van het handelen pas een 
jaar als zodanig werkzaam was — heeft onmiddellijk erkend dat hij een fout heeft gemaakt en heeft spijt betuigd. Hij heeft bovendien geprobeerd zijn fout te herstellen door in overleg met de praktijkhouder en klager een retrospectief verslag op te stellen en hij heeft zijn nalaten gedeeld en geëvalueerd met de praktijkhouder. Daarnaast heeft de fysiotherapeut laten weten dat hij sindsdien consequent medische dossiers bijhoudt, zoals hij vóór het verwijtbare 
handelen ook deed. Het college heeft geen reden om hieraan te twijfelen.

5.20  Dit betekent niet dat het college het ontbreken van een medisch dossier bagatelliseert; het 
dossier dient immers een essentieel doel. Alles afwegende is het college echter van oordeel dat het 
leerdoel is bereikt en dat het opleggen van een maatregel in dit geval geen meerwaarde heeft.

Publicatie
5.21  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit belang is gelegen in het 
feit dat andere fysiotherapeuten lering kunnen trekken uit de hiervoor benadrukte relevantie van 
het bijhouden van een medisch dossier. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen 
of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens, in het vakblad FysioPraxis.

6  De beslissing
Het college:
-  is onbevoegd te oordelen over klachtonderdeel e;
-  verklaart klachtonderdeel a gegrond;
-  bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan vakblad FysioPraxis.

Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, M.J. Roetert 
Steenbruggen-Hulshof, lid-jurist, M.J.F. Vuister, W. Langoor en K.C. van Beek,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.I.M. de Haan, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 14 juli 2026.