ECLI:NL:TGZRAMS:2026:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9647
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9647 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De GZ-psycholoog heeft de vader van klager in behandeling gehad. Bij één van de consulten is klager aanwezig geweest. Verder heeft klager een e-mail naar de GZ-psycholoog gestuurd met vragen, waar de GZ-psycholoog niet op gereageerd heeft. Klager maakt de GZ-psycholoog meerdere verwijten, zowel betreffende de behandeling als met betrekking tot uitlatingen die de GZ-psycholoog over klager zou hebben gedaan en over het niet reageren op zijn e-mail. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen die zien op de behandeling. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond. |
A2026/9647
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 10 juli 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
GZ-psycholoog,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 12 februari 2026;
- de (ongedateerde) brief van klager, ontvangen op 13 maart 2026;
- het verweerschrift;
- de reactie van klager op het niet-ontvankelijkheidsverweer, ontvangen op 18 mei
2026;
- de (ongedateerde) brief met bijlagen van klager, ontvangen op 1 juni 2026;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 19 juni 2026.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 De GZ-psycholoog heeft de vader van klager in behandeling gehad. Bij één van
de consulten is klager aanwezig geweest. Daarnaast heeft klager een e-mail naar de
GZ-psycholoog gestuurd met vragen, waar de GZ-psycholoog niet op gereageerd heeft.
Klager maakt de GZ-psycholoog meerdere verwijten, zowel betreffende de behandeling
als met betrekking tot uitlatingen die de GZ-psycholoog over klager zou hebben gedaan
en over het niet reageren op zijn e-mail.
2.2 Klager verwijt de GZ-psycholoog:
1. dat hij zijn rolafbakening niet expliciet heeft gemaakt terwijl dit bij een complexe
casus essentieel is;
2. dat hij geen behandelplan heeft opgesteld;
3. dat hij onterecht gekozen heeft voor een traumagerichte insteek, wat heeft geleid
tot een vertraging in het diagnostische traject;
4. dat hij geen gezins- of systeemanalyse heeft uitgevoerd;
5. dat hij tijdens de behandeling ongepaste uitspraken heeft gedaan over klager;
6. dat hij niet heeft gereageerd op de e-mail van klager;
7. dat het voor klager niet inzichtelijk was in welke hoedanigheid de GZ-psycholoog
– die ook een BIG-registratie als psychotherapeut heeft – handelde.
2.3 De GZ-psycholoog voert verweer en heeft verzocht klager deels niet-ontvankelijk
te
verklaren en de klacht deels ongegrond te verklaren.
3. De overwegingen
Klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 7 – klachten over de behandeling
3.1 Klager heeft desgevraagd laten weten dat hij de klacht tegen de GZ-psycholoog
uitsluitend namens zichzelf heeft ingediend en niet namens zijn vader. Voor de
ontvankelijkheid is dan vereist dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks
belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet
op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Dit betekent dat bij klager,
als niet
zijnde patiënt, sprake moet zijn van een concreet en rechtstreeks eigen belang dat
kan
worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit
voort uit
de aard en de strekking van de Wet BIG die beoogt de kwaliteit van de individuele
gezondheidszorg te bewaken. Is dit belang er niet, dan is klager niet gerechtigd
om een
tuchtklacht in te dienen en kan hij dus niet in de klacht worden ontvangen.
3.2 De klachtonderdelen 1 tot en met 4 en klachtonderdeel 7 zien op de behandeling
van
de vader van klager. De klachten hebben betrekking op het behandelplan, de aanpak
en de
rol en hoedanigheid van de GZ-psycholoog. Klager is van mening dat hij ten aanzien
van
deze klachten als rechtstreeks belanghebbende dient te worden aangemerkt, omdat
– zo
begrijpt de voorzitter – hij betrokken was bij de behandelcontext. Daarnaast is
klager
eenmaal aanwezig geweest bij een consult en, zo heeft klager naar voren gebracht
tijdens
het mondeling vooronderzoek, besprak hij de behandeling uitvoerig met zijn vader
(en
moeder).
3.3 De voorzitter begrijpt dat klager zich zeer betrokken voelde bij de behandeling
en dit
kan weliswaar persoonlijk gezien een emotioneel eigen belang voor klager opleveren,
maar
zo’n belang is geen rechtstreeks eigen belang in de zin van de wet. De verwijten
van klager
betreffen de zorg aan iemand anders dan hemzelf, terwijl hij de klacht niet namens
diegene,
maar namens zichzelf heeft ingediend. Dat betekent dat klager in deze klachtonderdelen
niet-ontvankelijk is.
Klachtonderdeel 5 – ongepaste uitlatingen over klager
3.4 Naaste betrekkingen van een patiënt, zoals in dit geval klager, hebben een
zelfstandig klachtrecht als de klacht gaat over handelen of nalaten in strijd met
de zorg die
de zorgverlener ten opzichte van die naaste betrekking behoort te betrachten. Klager
verwijt
de GZ-psycholoog tijdens een consult, in aanwezigheid van beide ouders van klager,
uitspraken over klager te hebben gedaan. Zo zou de GZ-psycholoog gezegd hebben dat
er
bij klager mogelijk sprake zou zijn van autisme. Ook zou hij klager hebben gekwalificeerd
als
“een eerstejaars student psychologie” en zou hij over het oorzaak-gevolg model van
klager
hebben gezegd dat dit alleen zijn waarheid is.
3.5 De GZ-psycholoog betwist dat hij heeft gezegd dat klager mogelijk autisme heeft.
Over de twee andere gestelde opmerkingen merkt de GZ-psycholoog op dat hij zich
niet
meer precies herinnert hoe het gesprek verliep en welke bewoordingen hij heeft gebruikt.
Mogelijk heeft de GZ-psycholoog, in een poging om uit te leggen dat een professionele
behandeling vaak ingewikkelder is dan een oorzaak-gevolg model doet vermoeden, een
vergelijk gemaakt met het niveau van inzicht van een eerstejaars psychologie-student.
De
GZ-psycholoog verklaart dat hij niet inhoudelijk in discussie is gegaan over het
model van
klager en het evenmin expliciet heeft gevalideerd of verworpen. Tot slot merkt de
GZpsycholoog
op dat het niet zijn intentie is geweest om klager te kleineren of zijn kennis
tekort te doen. Als klager zich beledigd of ondermijnd heeft gevoeld, dan biedt
de GZpsycholoog
daarvoor zijn excuses aan.
3.6 De voorzitter overweegt als volgt. Om over een bepaalde gedraging een oordeel
te
kunnen geven, moet vast staan dat die gedraging heeft plaatsgevonden. De voorzitter
kan in
dit geval niet vaststellen dat de GZ-psycholoog zich ongepast over klager heeft
uitgelaten.
Dat de GZ-psycholoog gezegd zou hebben dat klager mogelijk autisme heeft wordt door
hem
betwist en voor het overige hebben klager en de GZ-psycholoog verschillende lezingen
van
wat er is gezegd. Daarbij komt dat een uitspraak heel anders bij iemand kan aankomen
dan
hij is bedoeld. Bovendien was klager zelf niet bij het gesprek aanwezig, maar heeft
hij van
zijn ouders gehoord wat er over hem gezegd zou zijn. Dit maakt een en ander nog
vatbaarder voor misverstanden. Dit onderdeel van de klacht is dan ook, wegens het
ontbreken van een vaststaande feitelijke grondslag, kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 6 – het niet reageren op de e-mail van klager
3.7 Op 8 januari 2026 heeft klager aan de GZ-psycholoog een uitgebreide e-mail
gestuurd waarin hij schrijft “ In het kader van transparantie en zorgvuldige professionele
reflectie wil ik u enkele vragen voorleggen over uw betrokkenheid bij de behandeling
van
mijn vader, [naam vader], en de keuzes die u daarin heeft gemaakt. Deze vragen zijn
bedoeld om helderheid te verkrijgen over uw handelen als behandelaar (…)” Vervolgens
heeft klager een vijftiental vragen gesteld die onder andere gaan over de behandelrelatie,
het behandelplan en diagnostische keuzes. Ook stelt klager vragen over de vermeende
uitspraken die de GZ-psycholoog zou hebben gedaan over klager. Vanwege het uitblijven
van
een antwoord heeft klager op 21 januari 2026 nogmaals verzocht om een reactie.
De GZ-psycholoog heeft op beide e-mails niet gereageerd. Hij wijst erop dat hij
gelet op zijn
beroepsgeheim de gevraagde informatie niet met klager mocht delen.
3.8 De voorzitter overweegt, zoals ook de GZ-psycholoog heeft erkend, dat het
zorgvuldiger was geweest als de GZ-psycholoog aan klager had laten weten dat hij
inhoudelijk niet zou reageren op de e-mail gelet op zijn beroepsgeheim. Dat hij
dit heeft
nagelaten is echter van onvoldoende zwaarte voor een tuchtrechtelijk verwijt. Daarom
is ook
dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
4. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 7. Voor
het overige
is de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 10 juli 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.