ECLI:NL:TGZRAMS:2026:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9739
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:169 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9739 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klaagschrift voldoet niet aan de eisen. Ook naar aanleiding van de door de secretaris gestelde vragen heeft klaagster onvoldoende duidelijkheid gegeven. Het is aan klaagster om te stellen en toe te lichten over welk concreet handelen of nalaten van verweerder zij een klacht heeft. Voor verweerder moet het voldoende duidelijk zijn waar de klacht over gaat, zodat hij daarop kan reageren. Dit is ook telefonisch aan klaagster toegelicht. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 7 juli 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam te B,
verweerder.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 11 maart 2026;
- de brief van de secretaris van 9 april 2026;
- de ondertekende instemmingsverklaring, ontvangen op 18 mei 2026;
- de aanvulling op de klacht, ontvangen op 16 juni 2026.
2. De overwegingen
2.1. De voorzitter moet beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen.
De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor
die beslissing is het volgende van belang.
2.2. Klaagster heeft een klacht ingediend namens haar overleden ex-partner. Deze klacht
richtte zich in eerste instantie tot D, een specialistische GGZ-instelling. Bij het
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg kan alleen een klacht worden ingediend
over een zorgverlener die is ingeschreven in het BIG-register. Het is niet mogelijk
om te klagen tegen een instelling.
2.3. Daarnaast moet een klaagschrift voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde
eisen. Gelet op het bovenstaande en omdat het klaagschrift niet aan de wettelijke
eisen voldeed, heeft de secretaris van het college klaagster telefonisch gesproken
op 2 april 2026 en naar aanleiding van dit gesprek bij brief van 9 april 2026 klaagster
gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden. Gevraagd werd onder andere tegen welke
zorgverlener de klacht zich richt en wat precies de klacht is die klaagster heeft
over deze zorgverlener. Ook is gevraagd om een verklaring waaruit volgt dat de broer
van de patiënt instemt met de klacht. Op 30 april 2026 is aan klaagster een herinnering
gestuurd met het verzoek om te reageren. Op 22 mei 2026 heeft de secretaris nogmaals
telefonisch contact gehad met klaagster en haar uitgelegd waarom het noodzakelijk
was voor de behandeling van de klacht dat klaagster haar klacht zou aanvullen met
de antwoorden op de gestelde vragen.
2.4. Op 16 juni 2026 is een aanvulling op de klacht ontvangen. Hieruit volgt dat de
klacht zich richt tot verweerder. Onduidelijk is echter wat klaagster verweerder verwijt.
Klaagster heeft in haar initiële klaagschrift geschreven “Mijn ex is overleden (van
overdosis) fout van D. De behandeling is niet goed waar hij overleden is”. Op de door
de secretaris gestelde vragen wat er is gebeurd, wanneer dit is gebeurd en wat precies
de klacht is over de zorgverlener, heeft klaagster slechts geantwoord met “overleden
ex partner (datum mei 2025)”. Dit is onvoldoende. Het is aan klaagster om te stellen
en toe te lichten over welk concreet handelen of nalaten van verweerder zij een klacht
heeft. Voor verweerder moet het voldoende duidelijk zijn waar de klacht over gaat,
zodat hij daarop kan reageren. Dit is ook zowel op 2 april als op 22 mei 2026 telefonisch
aan klaagster toegelicht.
2.5. Omdat ook na de ontvangen aanvulling op de klacht nog onvoldoende duidelijk is
wat de psychiater (persoonlijk) wordt verweten is de voorzitter van oordeel dat klaagster
kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
3. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 7 juli 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.