ECLI:NL:TGZRAMS:2026:168 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8905
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:168 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8905 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijke ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager verwijt de psychiater onjuiste diagnosestelling, een onterechte aanvraag voor een LFPZ‑status en ernstige overtredingen zoals valsheid in geschrifte, smaad, laster, psychische mishandeling en schending van EVRM‑rechten. Het college vindt hiervoor geen enkele aanwijzing. De psychiater was niet betrokken bij de diagnosestelling, en voor zover hij betrokken was bij de LFPZ‑aanvraag, blijkt daaruit geen tuchtrechtelijk verwijt. Het college concludeert dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
A2025/8905
Beslissing van 10 juli 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 10 juli 2026 op de klacht van:
A,
verblijvende in B,
klager,
gemachtigde: mr. P.B.A Acda, werkzaam in Roermond,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. M. Santema, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verblijft sinds 2014 in het D (hierna: het D) op basis van een tbs-maatregel.
De psychiater is sinds februari 2023 betrokken bij de behandeling van klager. Klager
verwijt de psychiater a) onterechte en onzorgvuldige diagnosestelling, b) de onterechte
aanvraag van een Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg-status (hierna: LFPZ-status)
en valsheid in geschrifte, smaad, laster, psychische mishandeling en het schenden
van zijn rechten onder het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM)
in het kader van de verwijten onder a) en b). De psychiater heeft verweer gevoerd
en verzocht de klachten ongegrond te verklaren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2025;
- de aanvullende informatie van klager, ontvangen op 5 en 26 september 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klager met bijlagen van 1 maart 2026, binnengekomen op 11 maart 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager verblijft sinds 2014 onafgebroken in het D op basis van een tbs-maatregel.
Klager weigert medewerking aan diagnostiek en behandeling. In februari 2020 is tijdens
een multidisciplinair overleg besproken dat de mogelijkheid van een LFPZ-status zal
worden onderzocht. Er is op 10 mei 2022 een beschrijvende diagnose en een behandelbeleid
vastgelegd op basis van beschikbare Pro Justitia-rapportages, de uitkomsten van een
zorgconferentie en contacten en observaties van het behandelteam met klager op de
afdeling. De psychiater is sinds februari 2023 betrokken bij de behandeling van klager.
Op 14 april 2023 is de aanvraag voor een LFPZ-indicatie ingediend door collega’s van
de psychiater op basis van overleg binnen het behandelteam.
3.2 De psychiater heeft sinds hij bij klager betrokken raakte meerdere gesprekken met hem gevoerd, waarbij vaak klagers vraag om onderbouwing van de beschreven kernproblematiek ter sprake kwam. Zo schreef de psychiater op 28 juli 2023 in het dossier (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Gesprek op verzoek van patiënt. Begint het gesprek me verzoek om ‘onderbouwing’ voor de bij hem vastgestelde “fantastica”. (…) Uitgelegd dat zijn diagnostiek in het verlengingsadvies beschreven zal worden. Desondanks ben ik bereid om tijdens en vervolg afspraak nog eens met het te spreken over de huidige beschrijving van zijn kernproblematiek en hoe deze de afgelopen jaren tot stand is gekomen. Patiënt stemt hier mee in. (…)”
Op 4 augustus 2023 vond het vervolggesprek plaats, waarover de psychiater het volgende optekende: “Patiënt zou graag een onderbouwing willen voor de geclassificeerde problematiek. Deze in grote lijnen toegelicht. Daarbij benadrukt dat de conclusies veelal gebaseerd zijn op observaties, dossierinformaties en beperkte gesprekken met de behandelteams door de jaren heen. Van daadwerkelijke actieve deelname aan psychiatrisch of psychologisch onderzoek is geen sprake geweest. Patiënt volhardt in zijn eerdere standpunten. (…)”
3.3 Over een vervolggesprek op 15 december 2023 tussen klager en de psychiater staat in het dossier: “Gesprek over diagnostiek. Patiënt verzoekt meermaals om een “onderbouwing” van de beschreven kernproblematiek. Telkens wanneer deze toegelicht wordt, onderbreekt hij dit om vervolgens allerlei onvrede te uiten over zijn vervolging en het werk van eerdere behandelaren. (…) Meermaals benadrukt dat deelname aan een psychodiagnostisch onderzoek kan helpen om zijn problematiek verder te specificeren. Patiënt blijft stellig volhouden nergens aan mee te zullen werken. Aangeboden eens langs te komen met een psycholoog van behandeling en diagnostiek om wat meer uitleg te geven over de wijze waarop een psychodiagnostisch onderzoek verricht wordt. Dit wil hij nadrukkelijk niet.“
3.4 Na dit gesprek vonden er nog vier gesprekken plaats tussen klager en de psychiater, waarvan vergelijkbare beschrijvingen in het dossier zijn opgenomen. Over een gesprek op 5 februari 2025 schreef de psychiater in het dossier: “Stelt gedurende het gesprek meermaals een vraag over diagnostiek. Wanneer ik deze tracht te beantwoorden wijkt patiënt vervolgens uit naar allerlei andere zaken die naar zijn mening zijn onschuld aantonen. (…) Patiënt zegt dat zijn advocaat een driegesprek wil organiseren. Hier zal zijn advocaat een verzoek voor indienen. Afgesproken dat wij dit verzoek afwachten.”
3.5 Hierna heeft klager onderhavige tuchtklacht ingediend.
4. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
4.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) Onterechte en onzorgvuldige diagnose
4.3 Klager verwijt de psychiater dat zonder consult een onterechte diagnose is gesteld.
De psychiater voert aan dat hij niet betrokken was bij het stellen van de diagnose,
geen nieuwe diagnose heeft gesteld en geen wijzingen heeft aangebracht in bestaande
kwalificaties.
4.4 Het college overweegt als volgt. Uit het dossier en het mondeling vooronderzoek
blijkt dat de psychiater meerdere keren met klager heeft gesproken over de diagnose
en klager uitleg heeft gegeven over hoe die tot stand is gekomen. Vanwege de aanhoudende
vragen om onderbouwing van de diagnose, heeft de psychiater meerdere keren psychodiagnostisch
onderzoek voorgesteld, wat klager bleef weigeren. Het college is van oordeel dat de
psychiater ten aanzien van het stellen van de diagnose geen verwijt kan worden gemaakt,
nu hij daar niet bij betrokken was. Toen hij wel betrokken raakte, heeft de psychiater
zich voldoende ingespannen om te onderzoeken of er aanleiding was de diagnose te herzien,
ondanks de voortdurende weigering van klager om mee te werken aan psychodiagnostisch
onderzoek. Het college heeft geen aanwijzingen gevonden dat sprake is van valsheid
in geschrifte, smaad, laster, psychische mishandeling of de schending van de rechten
die voortvloeien uit het EVRM. Een en ander leidt tot de conclusie dat de psychiater
geen verwijt kan worden gemaakt en dat klachtonderdeel a) dus kennelijk ongegrond
is.
Klachtonderdeel b) Onterechte aanvraag LFPZ-status.
4.5 Klager verwijt de psychiater ook dat er ten onrechte voor hem een LFPZ-status
is aangevraagd. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. De LFPZ-status van klager
is weliswaar aangevraagd terwijl de psychiater als behandelaar betrokken was, maar
deze aanvraag is gebaseerd op een langdurig proces dat in gang is gezet lang voordat
de psychiater op de afdeling van klager begon. De aanvraag is blijkens het dossier
gedaan in overleg met het behandelteam en na voldoende onderzoek – voor zover dat
onderzoek mogelijk was zonder de medewerking van klager. Voor zover de psychiater
bij de aanvraag van de LFPZ-status betrokken is geweest, is het college niet gebleken
dat hem daar enig tuchtrechtelijk verwijt over kan worden gemaakt. Ook op dit punt
ziet het college geen reden om aan te nemen dat sprake is van valsheid in geschrifte,
smaad, laster, psychische mishandeling of de schending van de rechten die voortvloeien
uit het EVRM.
Slotsom
4.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 10 juli 2026 door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter,
E.M. Deen, lid-jurist, A.M. van Hemert, A.E. van ‘t Hoog en H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.