ECLI:NL:TGZRAMS:2026:163 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9065
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:163 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-07-2026 |
| Datum publicatie: | 07-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9065 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager dient namens hemzelf en zijn minderjarige kinderen een klacht in tegen de arts dat er, kort gezegd, een eenzijdig en onzorgvuldig onderzoek is gedaan waarbij de beschuldigingen van de ex-partner zijn overgenomen zonder dat gekeken is naar alternatieve verklaringen. Klager is bevoegd om in zijn rol van wettelijk vertegenwoordiger te klagen, zonder dat de moeder van de kinderen met het indienen van de klacht heeft ingestemd. Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. |
A2025/9065
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 7 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
arts,
werkzaam in de regio D, verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. Wat is er gebeurd?
1.1 De arts is als vertrouwensarts werkzaam bij Veilig Thuis D, een onderdeel van
GGD
D. Klager heeft samen met zijn ex-partner het gezag over zijn minderjarige kinderen
E, F en
G. Klager dient namens hemzelf en namens zijn minderjarige kinderen een klacht in
tegen de arts.
1.2 Op 24 oktober 2024 ontving Veilig Thuis een melding van de politie naar aanleiding
van een
aangifte van de ex-partner van klager. De ex-partner vermoedde dat klager aan hun
zoon F, destijds
9 jaar oud, het medicijn methylfenidaat had toegediend terwijl deze medicatie niet
was
voorgeschreven door een behandelend arts. F had dit vermoeden aan zijn moeder (de
ex-partner)
bevestigd en had op haar verzoek een pilletje in zijn wang bewaard. Klager is aangehouden
door de
politie, er vond een huiszoeking bij klager plaats en de ex-partner heeft de omgang
tussen klager
en hun kinderen stopgezet. Uit politieonderzoek bleek dat het pilletje methylfenidaat
bevatte.
Daarnaast is bij F een haarmonster afgenomen voor analyse door het Nederlands Forensisch
Instituut
(hierna: NFI). Hieruit bleek dat het haar op verschillende plekken positief testte
op
methylfenidaat.
1.3 Op 17 december 2024 startte Veilig Thuis een onderzoek. Het onderzoek van Veilig
Thuis
bestond uit dossieronderzoek en het afnemen van interviews met klager, de ex-partner,
de drie
kinderen, de intern begeleider van de school van F, de psycholoog, huisarts en de
jeugdarts en
medewerkers van de scholen van E en G. Op
27 december 2024 heeft verweerster samen met een andere medewerker van Veilig Thuis
een gesprek
gehad met klager en zijn huidige partner.
1.4 Op basis van het onderzoek heeft Veilig Thuis op 3 juni 2025 een rapport uitgebracht.
Hierin
zijn de volgende conclusies opgenomen: “Veilig Thuis bevestigt het vermoeden van kindermishandeling
in de vorm van lichamelijke mishandeling bij F, als gevolg van het toedienen van
niet
voorgeschreven, noch geïndiceerde medicatie in de vorm van methylfenidaat.” Hierbij
is toegelicht
dat Veilig Thuis het sterke vermoeden heeft dat deze medicatie heeft gekregen in
de thuissituatie
bij vader. Daarnaast heeft Veilig Thuis in de conclusie bevestigd dat “(…) er sprake
is van
kindermishandeling in de vorm van emotionele verwaarlozing bij F, G en E als gevolg
van een
complexe scheiding bij ouders, welke tot een dieptepunt is gekomen na de verdenkingen
van het
toedienen van methylfenidaat bij F.” Veilig Thuis concludeerde verder dat hulpverlening
noodzakelijk is om de omgang tussen vader en de kinderen te herstellen en het gemeenschappelijk
ouderschap veilig vorm te geven. Omdat het niet is gelukt om met de ouders tot gezamenlijke
veiligheidsafspraken te komen, heeft Veilig Thuis de casus overgedragen aan de zogeheten
Beschermingstafel om een beschermingsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming
aan te vragen.
1.5 Op verzoek van klager is een contra-expertiserapport opgesteld. Dit rapport
verscheen op 3
juli 2025 en op 7 juli 2025 is een aanvulling verschenen.
1.6 Samengevat verwijt klager de arts dat er een eenzijdig en onzorgvuldig onderzoek
is gedaan
waarbij de beschuldigingen van de ex-partner zijn overgenomen, zonder dat gekeken
is naar
alternatieve verklaringen.
1.7 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar de klacht
kennelijk
ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent hier dat het niet nodig is om nog vragen aan de
partijen te stellen
en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt
het college
eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 september 2025;
- de aanvullende bijlagen ontvangen van klager op 14 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende bijlage ontvangen van klager op 6 januari 2026 en de e-mail van
klager met de
toelichting op de bijlage, ontvangen op 9 januari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 januari 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De klacht en de reactie van de arts
3.1 Klager verwijt de arts:
a) schending van het beginsel van hoor en wederhoor;
b) tunnelvisie en gebrek aan objectieve medische onderbouwing;
c) het niet onderzoeken van het scenario van Pediatric Condition Falsification (PCF);
d) onjuiste interpretatie van toxicologisch onderzoek;
e) negeren van bevindingen van behandelaars en experts;
f) gevolgschade voor het kind, schending van kinderrechten en het artsenethos.
3.2 De arts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren voor
zover hij
klaagt namens zijn kinderen en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor
het geval het
college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de arts het college verzocht
de klacht
ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
4.1 De arts is van opvatting dat klager, voor zover hij klaagt namens zijn kinderen,
niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat er sprake is van gedeeld gezag en niet
is gebleken dat de
moeder van de kinderen instemt met de klacht.
4.2 Het college overweegt als volgt. Op het moment van het indienen van de klacht
waren E, F en G
respectievelijk 7, 10 en 12 jaar oud. Bij kinderen tot
16 jaar is het uitgangspunt dat zij vanwege hun jeugdige leeftijd niet in staat
zijn om hun
belangen zelf te behartigen. Daarom zijn in principe alleen de ouders/wettelijk
vertegenwoordigers
daartoe bevoegd, zonder dat instemming van de minderjarige nodig is. Anders dan
de arts heeft
betoogd is het geen vereiste dat beide ouders de klacht ondertekenen. Klager is
bevoegd om in zijn
rol van wettelijk vertegenwoordiger te klagen, zonder dat de moeder van de kinderen
met het
indienen van de klacht heeft ingestemd.
4.3 Klager is dus ontvankelijk in de mede namens zijn kinderen ingediende klacht.
De criteria voor de beoordeling
4.4 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
4.5 Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn
voor hun eigen handelen. In dat kader heeft de arts naar voren gebracht dat het
rapport van Veilig
Thuis multidisciplinair tot stand is gekomen en dat zij niet eindverantwoordelijk
is voor het rapport. Op basis van het rapport stelt het college vast dat de arts in
ieder geval aanwezig is geweest bij het hiervoor genoemde gesprek met klager op 27
december 2024. Daarnaast gaat het college ervan uit dat verweerster vanuit haar expertise
als arts
verantwoordelijk is geweest voor de interpretatie van de uitslag van het onderzoek
van het NFI.
Klachtonderdeel a) schending beginsel van hoor en wederhoor en Klachtonderdeel e)
negeren van
bevindingen van behandelaars en experts
4.6 Vanwege de samenhang bespreekt het college de klachtonderdelen a) en e) gezamenlijk.
Klager
verwijt de arts dat er is overgegaan is tot een inval van de politie en het verbreken
van contact
tussen hem en zijn kinderen, zonder dat hij vooraf is gehoord. Tijdens het mondeling
vooronderzoek
heeft klager naar voren gebracht dat hij na het gesprek van 27 december 2024 niet
opnieuw is
gehoord, hoewel hij aanvullende informatie heeft aangeleverd. De arts heeft volgens
klager de
ontlastende informatie uit het expertiserapport genegeerd dan wel naast zich neergelegd.
4.7 Het college stelt voorop dat de arts niet verantwoordelijk kan worden gehouden
voor het
handelen van de politie en de ex-partner van klager. Verder staat vast dat klager
op
27 december 2024 is gehoord en zijn visie heeft kunnen geven op de casus. Daarnaast
heeft klager
nadien meerdere e-mails aan Veilig Thuis gestuurd en die e-mails zijn aan het dossier
toegevoegd.
4.8 Voor wat betreft het door klager in het geding gebrachte contra-expertiserapport
stelt het
college vast dat dit is opgesteld nadat Veilig Thuis haar rapport had afgerond,
waarmee de
betrokkenheid van de arts was geëindigd. De arts kan daarom niet worden verweten
dat zij met dit
contra-expertiserapport geen rekening heeft gehouden. Daarnaast is het college van
oordeel dat het
contra-expertiserapport niet leidt tot twijfels aan het rapport van Veilig Thuis.
In de eerste
plaats voldoet het contra-expertiserapport niet aan de eisen van een deskundigenrapportage:
het
expertiserapport en de aanvulling zijn geschreven door twee directe collega’s van
de huidige
partner van klager (zonder dat hiervan melding wordt gemaakt) en bovendien is niet
gebleken dat de
moeder van F toestemming heeft gegeven voor het onderzoek. Tot slot is niet duidelijk
op basis van
welke informatie het rapport is samengesteld. Onder die omstandigheden is navolgbaar
dat Veilig
Thuis aan deze rapportage geen betekenis heeft gehecht. Klager heeft verder niet
onderbouwd welke
eventuele andere informatie die hij heeft ingebracht, niet is meegewogen in het
rapport.
4.9 De klachtonderdelen a) en e) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) tunnelvisie en gebrek aan objectieve medische onderbouwing en Klachtonderdeel
c)
omissie van PCF-hypothese
4.10 Bij de klachtonderdelen b) en c), die het college ook gezamenlijk bespreekt,
verwijt klager
de arts dat er eenzijdig is gefocust op hem als vermeende dader zonder dat rekening
is gehouden met
alternatieve scenario’s. Zo is het scenario van Pediatric Condition Falsification
(PCF, huidige benaming Kindermishandeling door Falsificatie) niet onderzocht. Ook
is er geen toxicoloog geraadpleegd om te onderzoeken of F tekenen van intoxicatie
vertoonde.
4.11 Het college overweegt als volgt. Het onderzoek van Veilig Thuis vond plaats
binnen het kader
van de Handreiking Samenwerking bij Strafbare Kindermishandeling. De taak van Veilig
Thuis daarbij
is om zicht te krijgen op de veiligheidsrisico’s voor de minderjarige kinderen en
advies te geven
over noodzakelijke hulpverlening. Het gaat bij het onderzoek van Veilig Thuis niet
om
waarheidsvinding zoals in een strafrechtelijk onderzoek en het is dan ook aan de
politie, en niet
aan Veilig Thuis, om alternatieve scenario’s te onderzoeken. Een van de onderzoeksvragen
van Veilig
Thuis was of er sprake was van kindermishandeling bij F als gevolg van het verstrekken
van niet
voorgeschreven medicatie. Op basis van het interview met F, de verklaringen van
de andere kinderen
en het onderzochte haarmonster kon in redelijkheid het vermoeden van kindermishandeling
als gevolg
van het toedienen van methylfenidaat worden bevestigd. Uit deze bronnen blijkt ook
dat deze
bevestiging niet uitsluitend is gebaseerd op uitspraken van de ex-partner van klager.
De vraag in
het onderzoek van Veilig Thuis was niet of er sprake was van intoxicatie en het
was daarom ook niet
vereist om voor het onderzoek een toxicoloog te raadplegen.
4.12 Het college ziet in de stukken geen aanwijzingen dat de ex-partner mogelijk
de medicatie aan
F heeft toegediend. Uit de gespreksverslagen blijkt dat de gesprekken met de kinderen
op een open
manier zijn gevoerd. Het college heeft op basis van deze verslagen niet de indruk
gekregen dat de
kinderen uitspraken hebben gedaan die aangeleerd zouden zijn. Op basis van de aangifte
in deze zaak
is kennelijk door de politie besloten om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen,
het is
gebruikelijk dat in dit soort situaties door de politie een melding wordt gedaan
bij Veilig Thuis,
dit met het oog op de veiligheid van de kinderen. Nader onderzoek op het strafrechtelijk
gebied,
waarbij de rol van moeder en andere betrokkenen bij toedienen van methylfenidaat
in het
onderzoeksscenario wordt meegenomen, ligt op het terrein van de politie. Er was
in het kader van
het onderzoek door Veilig Thuis, noch op basis van de politiemelding noch op basis
van de
gesprekken met betrokkenen, aanleiding voor de arts om de mogelijkheid van PCF/Kindermishandeling
door Falsificatie te onderzoeken.
4.13 De klachtonderdelen b) en c) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) onjuiste interpretatie van toxicologisch onderzoek
4.14 Klager verwijt de arts dat zij ondeskundig en vooringenomen is omgegaan met
de uitkomst van
het haaronderzoek. Uit dat onderzoek blijkt volgens hem niet dat er sprake is van
stelselmatige
toediening van methylfenidaat.
4.15 Het college overweegt als volgt. Het hoofdhaar van F is onderzocht in twee segmenten
van 2
cm. De conclusie van dit onderzoek door H was: “Findings suggest the occasional exposure of the
donor to methylphenidate over the time periods covered by the hair tests.” Deze
uitslag is door het NFI vertaald naar: “in beide segmenten van het hoofdhaar is methylfenidaat
aangetoond.” Op basis hiervan is heeft Veilig Thuis in het rapport het volgende vermeld:
“Hieruit blijkt dat F gedurende een langere periode op niet structurele wijze
methylfenidaat binnen heeft gekregen.” In het Veilig-rapport is dus gesteld dat het om toediening
gedurende een langere periode, maar het rapport concludeert niet dat sprake zou
zijn van chronische
of stelselmatige toediening van methylfenidaat door klager. Naast dit haaronderzoek
zijn op
geprotocolleerde wijze vragen gesteld aan de kinderen over de medicatie. Hierdoor
en aangezien de
methylfenidaat op meerdere segmenten van een haar is aangetoond, is naar het oordeel
van het
college terecht geconcludeerd dat het niet gaat om een eenmalige toediening.
4.16 Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) gevolgschade voor het kind – schending van kinderrechten en artsenethos
4.17 Klager stelt dat hij en zijn kinderen slachtoffer zijn geworden van onnodige
en traumatische
interventies door de arts en de betrokken instanties. Hierdoor is hij lange tijd
van zijn kinderen
gescheiden geweest, wat heeft geleid tot psychische schade bij de kinderen. Volgens
klager heeft de
arts hierbij diverse rechten, zoals het recht op familieleven (artikel 8 EVRM) en
kinderrechten
(artikel 3 en 9 IVRK) geschonden.
4.18 Het college begrijpt dat de situatie tussen de ouders, waarbij sprake is van
een complexe
scheiding en een strafrechtelijk onderzoek, veel impact heeft op klager en zijn
kinderen. De arts
kan echter niet verantwoordelijk worden gehouden voor het politieonderzoek of het
verbreken van
contact tussen klager en zijn kinderen. Zij heeft uitsluitend vanuit haar rol als
vertrouwensarts
meegewerkt aan een onderzoek van Veilig Thuis. Hierbij is niet gebleken van schending
van rechten
door de arts. Daarnaast is het niet aan het college om een uitspraak te doen over
de eventuele
gevolgschade voor klager of zijn kinderen.
4.19 Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
5. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 7 juli 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
M.H. van de Merwe en R.J.B.J. Gemke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.