We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9094

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:162
Datum uitspraak: 18-06-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/9094
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klagers klagen over de behandeling van hun overleden dochter tegen de behandelend psychiater. Naar aanleiding van meerdere aanwijzingen, waaronder een aangifte van de dochter van klagers tegen haar vader (klager), volgt dat moet worden getwijfeld aan de vertegenwoordiging door de ouders van de veronderstelde wil van hun dochter. Klagers behoren hierdoor niet tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Klagers niet-ontvankelijk en voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.

A2025/9094

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 18 juni 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A en B,
wonende in C,
klagers, ouders,
gemachtigde: D, zus van klager,

tegen

E,
psychiater,
werkzaam in F,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. S. Dirkzwager, werkzaam in Amsterdam.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 3 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de brief en bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klagers op 10 maart 2026;
- de dupliek.

2. De overwegingen
2.1 Er is sprake van een verdrietige casus waarbij de dochter van klagers op jonge leeftijd is overleden. Zij heeft veel (psychiatrische) problemen gehad en was hiervoor onder behandeling bij verweerster. De voorzitter heeft oog voor de impact die het overlijden heeft gehad op de ouders, maar ook op verweerster. Desondanks moet de voorzitter eerst beoordelen of klagers in hun klacht kunnen worden ontvangen.

2.2 De voorzitter is van oordeel dat klagers grotendeels kennelijk niet-ontvankelijk zijn in de klacht, en dat de klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende van belang.

2.3 Klagers zijn de ouders van G. G was in behandeling bij verweerster voor verschillende problematiek, waaronder een eetstoornis en een persoonlijkheidsstoornis. Op het moment dat de behandeling begon was G 16 jaar oud. G is op 20-jarige leeftijd overleden.

De klacht
2.4 Klagers vinden dat er een verkeerde diagnose is gesteld, dat de behandelrelatie tussen G en verweerster grensoverschrijdend is geweest, dat verkeerde en onvoldoende medicatie is voorgeschreven, dat G ten onrechte niet is doorverwezen naar een andere beroepsbeoefenaar en dat het behandelplan niet is gevolgd (klachtonderdelen a, b, d, e en f). Ten opzichte van zichzelf vinden klagers dat ze als ouders onvoldoende zijn betrokken bij en geïnformeerd zijn over de behandeling van hun toen minderjarige dochter (klachtonderdeel c). Klagers hebben eigen notities van G als bewijsstuk overgelegd.

2.5 Bij het verweerschrift en in de dupliek is aangevoerd dat G ten tijde van de behandeling wilsbekwaam was en meerderjarig was volgens de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (artikel 7:447 lid 1 WGBO). Ze had immers de leeftijd van 16 jaar bereikt en had door deze wet voor de behandeling geen toestemming van haar ouders meer nodig. Verweerster voert voorts aan dat de ouders van G niet betrokken zijn geweest bij de behandeling.

2.6 Voor zover klagers menen dat zij onvoldoende geïnformeerd zijn of bij de behandeling zijn betrokken, stelt verweerster dat zij klagers ook niet hoefde te betrekken bij de behandeling, aangezien G volgens de WGBO immers meerderjarig is.

Kunnen klagers klagen?
2.7 De voorzitter zal eerst beoordelen of klagers behoren tot de kring van klachtgerechtigden. In artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG is bepaald dat een tuchtklacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende.

2.8 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van klagers geldt verder als uitgangspunt dat het recht van een nabestaande om een klacht in te dienen over de behandeling van een overleden familielid is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van het overleden familielid. In beginsel geldt dat de nabestaande geacht wordt de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen. Verweerster heeft aangevoerd dat er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden en de voorzitter is ook van oordeel dat dit het geval is.

2.9 Dat ouders niet betrokken waren en niet betrokken hoefden te zijn, vormt een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om aan de veronderstelde wil van G te twijfelen. In het verweerschrift is aangevoerd dat G tijdens de behandeling heeft aangegeven dat zij geen betrokkenheid van haar ouders wenste. Klagers waren dus als ouders (bewust) niet door G betrokken bij de behandeling. Gelet op haar leeftijd van meer dan 16 jaar, had zij bovendien voor de behandeling ook geen toestemming van haar ouders meer nodig.


2.10 Daarnaast heeft G op enig moment aangifte van seksueel misbruik gedaan tegen haar vader (klager). Volgens de voorzitter vormt dit een extra en concrete aanwijzing voor dat G de betrokkenheid van haar ouders niet wenste.

2.11 Tot slot bevatten de door klagers overgelegde bewijsstukken geen aanwijzing dat G had willen klagen over de behandeling door verweerster. Uit de bewijsstukken volgt eerder dat het contact tussen klagers en G niet goed was en dat zij niet bij de behandeling betrokken waren.

De conclusie
2.12 Naar aanleiding van meerdere aanwijzingen volgt dat moet worden getwijfeld aan de vertegenwoordiging door de ouders van de veronderstelde wil van G. Klagers behoren hierdoor niet tot de kring van klachtgerechtigden zoals bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarom is de voorzitter van oordeel dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn in de klacht voor zover deze zien op de behandeling van G (klachtonderdelen a, b, d, e en f).

2.13 Klagers klagen er in klachtonderdeel c over dat zij van verweerster onvoldoende informatie kregen over de behandeling en dat zij onvoldoende betrokken zijn als ouders. Dit is een eigenstandig klachtonderdeel van klagers jegens verweerster en hierin zijn zij wel ontvankelijk, omdat het gestelde nalaten onder de tweede tuchtnorm zou kunnen vallen. Dit klachtonderdeel is echter kennelijk ongegrond, nu er voor verweerster geen verplichting bestond om klagers actief te informeren over de behandeling, nu hiervoor al is vastgesteld dat G in verband met de behandeling wettelijk gezien meerderjarig was en er geen toestemming nodig was van haar ouders. Ook heeft G zelf aangegeven dat zij niet wilde dat haar ouders bij de behandeling werden betrokken. Hiermee is klachtonderdeel c kennelijk ongegrond.

3. De beslissing


Klagers zijn kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen a, b, d, e en f. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 18 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.