We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:160 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8570

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:160
Datum uitspraak: 03-07-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/8570
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. De psychotherapeut is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager is ontevreden over de wijze waarop de behandeling is beëindigd.Het college is van oordeel dat het de psychotherapeut niet kan worden verweten dat de behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd, omdat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling van klager. Weliswaar was zij bij het gesprek waarin de beëindiging van de behandeling aan klager werd medegedeeld aanwezig, maar dit was alleen ter ondersteuning van de psychiater en om de verwachte emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het beëindigen van de behandeling heeft de psychotherapeut geen bemoeienissen gehad. De klacht is ongegrond.

A2025/8570
Beslissing van 3 juli 2026
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing van 3 juli 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde, tevens vader van klager: C, wonende in B,


tegen


D,
psychotherapeut,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de psychotherapeut,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is in 2024 in behandeling geweest bij een GGZ-instelling in E. De psychotherapeut is daar werkzaam en zij is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager is ontevreden over de wijze waarop deze behandeling is beëindigd.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de psychotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 april 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 3 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2026. Klager was niet aanwezig maar werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. De psychotherapeut was, met haar gemachtigde aanwezig. De psychotherapeut en de gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager, geboren in 2001, heeft zich in verband met psychische problemen, via de huisarts, op 3 mei 2024 gemeld voor een intake bij F te E (hierna te noemen: de GGZ-instelling).

3.2 Op 30 mei 2024 zijn de behandeldoelen met klager en diens moeder besproken door de psychotherapeut. Daarbij zijn als diagnoses een obsessief-compulsieve stoornis (OCS) en een ziekteangsstoornis gesteld. De behandeling is gestart op 3 juli 2024 door een psycholoog, in opleiding tot gz-psycholoog, (hierna te noemen: de eerste behandelend psycholoog). De psychotherapeut bleef bij de behandeling van klager betrokken als regiebehandelaar.

3.3 Na het vertrek van de eerste behandelend psycholoog bij de GGZ-instelling is de behandeling per 1 november 2024 overgenomen door een ook bij de GGZ-instelling werkzame psychiater (hierna te noemen: de psychiater). Vanaf dat moment werd de psychiater ook de regiebehandelaar.

3.4 De psychiater heeft in november en december 2024 verschillende gesprekken gevoerd met klager. Soms was ook klagers moeder daarbij aanwezig. Omdat de psychiater op enig moment constateerde dat er verschil van inzicht over de te volgen behandeling ontstond heeft zij dit op 13 december 2024 besproken in het multidisciplinair overleg (MDO) van de GGZ-instelling. Tijdens dit overleg is besloten dat verdere behandeling van klager bij de GGZ-instelling niet zinvol was en klager meer gebaat was bij een behandeling bij een andere organisatie. Dit is op 24 december 2024 door de psychiater en de psychotherapeut aan klager en zijn moeder medegedeeld en daarbij is voorgesteld klagers behandeling over te dragen aan een meer (in autisme) gespecialiseerde kliniek in G. Dit kwam voor klager en diens moeder onverwacht en werd door hen als zeer teleurstellend ervaren. Dit gesprek is daarna voor beide partijen onprettig verlopen en onbevredigend afgesloten.

3.5 De ouders van klager hebben vervolgens op 26 december 2024 een e-mailbericht aan de GGZ-instelling gezonden waarin zij hun onvrede over de gang van zaken hebben geuit. Ook verzochten zij daarin klager zo spoedig mogelijk te introduceren bij de kliniek in G zodat de behandeling daar snel kon worden voortgezet. Dit e-mail bericht is in behandeling genomen door de algemeen directeur van de GGZ-instelling. In december 2024 en januari 2025 zijn verschillende e-mails gewisseld tussen klager, diens ouders, en de algemeen directeur waarin de algemeen directeur heeft getracht een gesprek over de klachten tot stand te brengen en waarin getracht werd om tot overeenstemming te komen over de inhoud van (medische) stukken. Tot een gesprek is het niet gekomen.

3.6 Door klager is vervolgens op 25 april 2025 een klacht bij dit tuchtcollege ingediend. Deze klacht is gericht tegen de psychotherapeut. Er is ook een klacht ingediend tegen de psychotherapeut in haar hoedanigheid van gz-psycholoog (de bij het tuchtcollege aanhangige procedure onder nummer A2025/8569). Daarnaast zijn er door klager klachten
ingediend tegen de psychiater (de bij het tuchtcollege aanhangige procedure met nummer A2025/8571) en tegen de algemeen directeur (in haar hoedanigheid van gz-psycholoog én in haar hoedanigheid van psychotherapeut: de bij het tuchtcollege aanhangige procedures met nummer A2025/8432 en A2025/8568). Het college oordeelt in de onderhavige beslissing alleen over de klacht tegen de psychotherapeut.

4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Volgens klager heeft de psychotherapeut onzorgvuldig gehandeld omdat zij, door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager, diens belangen in ernstige mate heeft geschonden.

4.2 De psychotherapeut merkt op dat de klacht niet lijkt te zien op de periode waarin zij als regiebehandelaar bij de behandeling was betrokken. Zij wijst er verder op dat zij niet bij het MDO van 13 december 2024 aanwezig was. Dat het gesprek op 24 december 2024, waarbij zij ter ondersteuning en voor het aanbieden van structuur aanwezig was, niet goed is verlopen, is haar niet tuchtrechtelijk te verwijten. Zij heeft het college dan ook verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Binnen die kaders zal het college de klacht beoordelen.

5.2 Kern van de klacht is dat de behandeling van klager bij de GGZ-instelling onzorgvuldig is beëindigd, in die zin dat de beëindiging eenzijdig en onverwacht was, waarbij als reden werd gegeven dat klager zich elders voor autisme zou moeten laten behandelen.

5.3 Het college stelt voorop dat van de zijde van klager uitdrukkelijk is aangegeven dat de klacht geen betrekking heeft op de behandeling tót 24 december 2024 maar alleen ziet op de beëindiging van de behandeling.

5.4 Het college is van oordeel dat het de psychotherapeut niet kan worden verweten dat de behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd. Uit het dossier en het ter zitting besprokene blijkt dat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling van klager. Haar enige rol is toen geweest dat zij bij het gesprek op 24 december 2024 aanwezig was ter ondersteuning van de psychiater, om het gesprek zo nodig te structureren en de verwachte emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het beëindigen
van de behandeling zelf heeft de psychotherapeut geen bemoeienis gehad zodat haar daarover ook geen verwijt kan worden gemaakt.

5.5 Het college begrijpt van klager dat hij tijdens het gesprek op 24 december 2024 in de veronderstelling verkeerde dat de psychotherapeut nog inhoudelijk betrokken was bij de behandeling en bij de beslissing tot beëindiging daarvan. Van de overdracht van het regiebehandelaarschap was hij naar zijn zeggen niet op de hoogte gesteld. Met klager is het college van oordeel dat deze overdracht duidelijker naar klager had moeten worden gecommuniceerd. Dat geldt ook voor communicatie over de rol van de psychotherapeut bij het gesprek op 24 december 2024. Verder valt over het gesprek zelf op te merken dat de psychotherapeut het gesprek mogelijk eerder had kunnen stopzetten, bijvoorbeeld toen bleek dat de psychiater tijdens dat gesprek ‘stilviel’ en het gesprek dreigde te ontaarden. Denkbaar is verder dat de psychotherapeut het gesprek had kunnen sturen richting een vervolggesprek. Het college is evenwel van oordeel dat dat haar, mede gezien haar rol op dat moment, niet tuchtrechtelijk valt te verwijten.

Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.


6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door A. van Maanen, voorzitter, Th. Koetsier en E.L. Chavannes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.