ECLI:NL:TGZRAMS:2026:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8463
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-01-2026 |
| Datum publicatie: | 16-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8463 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dermatoloog. Klager verwijt de dermatoloog dat zij zonder het bespreken van alternatieven een spoedige excisie heeft geadviseerd voor een papel in zijn gezicht, wat achteraf onnodig bleek en heeft geleid tot een blijvend litteken. Het college is van oordeel dat de dermatoloog zonder goede reden is afgeweken van de richtlijn basaalcelcarcinoom van de NVDV. Aanvullend diagnostisch onderzoek was geïndiceerd en de dermatoloog heeft haar verantwoordelijkheid ten aanzien van de informatievoorziening aan klager miskend. Het college vindt het zorgwekkend dat de dermatoloog ter zitting blijk heeft gegeven dat zij nog altijd van oordeel is dat haar handelwijze de enige en juiste weg was, in plaats van de handelwijze die de richtlijn voorschrijft. Het college legt de maatregel van berisping op. |
A2025/8463
Beslissing van 16 januari 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 16 januari 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
dermatoloog,
werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de dermatoloog,
gemachtigde: mr. L.F.W. van Zuijlen, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Op advies van de dermatoloog heeft klager met spoed een papel in zijn gezicht
laten verwijderen, waarbij de dermatoloog basaalcelcarcinoom (huidkanker) als enige
diagnose en volledige excisie als enige behandeloptie presenteerde. Na verwijzing
naar de plastisch chirurg voor de excisie bleek bij pathologisch onderzoek geen sprake
van basaalcelcarcinoom, maar van een actieve folliculitis (ontstoken haarzakje). Klager
verwijt de dermatoloog dat zij zonder het bespreken van alternatieven een spoedige
excisie heeft geadviseerd, wat achteraf onnodig bleek en heeft geleid tot een blijvend
litteken. Daarnaast stelt klager dat hij tijdens de vervolgafspraak onheus is bejegend.
1.2 De dermatoloog verzoekt het college de klacht als ongegrond af te wijzen.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 mei 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief van klager van 18 augustus 2025 met bijlagen, ontvangen op 20 augustus
2025;
- het proces-verbaal van het op 3 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 december 2025. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Klager heeft op 3 april 2025 zijn huisarts bezocht vanwege een papel (bultje)
in zijn gezicht, die na drie maanden nog niet verdwenen was en die hij via de huidmonitor-app
van Stichting Melanoom had bekeken. De app verwees klager naar de huisarts.
3.2 De huisarts heeft klager met een verdenking van basaalcelcarcinoom doorverwezen naar een dermatoloog en klager kwam, omdat hij niet op een lange wachttijd wilde wachten, via zijn verzekeraar, bij de dermatoloog op 11 april 2025 op consult. In de verwijzing van de huisarts stond de medische geschiedenis opgenomen, waaronder het eenmalig gebruik van amoxicilline.
3.3 De dermatoloog heeft de papel door middel van een dermatoscopie bekeken en concludeerde dat mogelijk sprake was van een basaalcelcarcinoom van 3 bij 3 millimeter. Hoewel de dermatoloog vervolgens heeft uitgelegd dat dit in verhouding tot een plaveicelcarcinoom en melanoom de minst kwaadaardige vorm van huidkanker betreft, adviseerde zij dat de papel zo spoedig mogelijk, in zijn geheel, moest worden verwijderd.
3.4 In het medisch dossier van klager noteert de dermatoloog onder meer (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Bij dermatologische onderzoek:
locatie; op rechter boven lip, aan de nasolabiaalplooie een geinfecteerde papel
met enkele telangiectasien glanzende aspect, hyperkerkeratosis met erythemato squmoze
macuale omheen geen hyperpigmentatie gezien een diameter van 3 mm bij 3mm
Aanvullende onderzoek:met dermatoscopie gezien Differentiale Diagnose: - basalcelcarcinom
- geinfecteerd actinische keratosisi
Beleid:
na overleg met de patient besloten we een excisie met histhopathologische onderzoek
naar de Patholoog van het [verwijderd voor anonimiteit]. Om een definitieve te diagonseren
Uitleg gegeven aan de patiente over de exscisie ivm de locatie boven de rechter lop
naar de nasolabiaalploiie rechts hiermee word de patient verwezen naar de plastische
chriurg alhier”
3.5 De dermatoloog heeft klager voor de excisie naar een plastisch chirurg verwezen, waar hij de dag erna (op een zaterdag) al terecht kon. Omdat klager bloedverdunners gebruikte werd de operatie niet de dag erna, maar op 17 april 2025 uitgevoerd. Klager heeft hiervoor een informed consentformulier getekend. De verwijderde papel is voor histopathologisch onderzoek ingestuurd.
3.6 Op 25 april 2025 is klager door de assistente van de dermatoloog voor controle en nazorg gezien. De wond van klager zag er ontstoken uit. Daarom werd de dermatoloog erbij gehaald om de wond te bekijken. Zij heeft een antibioticum voorgeschreven.
3.7 Op 1 mei 2025 vond een vervolgafspraak plaats voor de uitslag van het pathologisch onderzoek. De dermatoloog meldde in dit gesprek aan klager dat de verwijderde papel geen basaalcelcarcinoom bleek te zijn, maar een actieve folliculitis (ontstoken haarzakje). Zij wees klager op de mogelijkheden voor littekenverzorging.
4. De klacht en de reactie van de dermatoloog
4.1 Volgens klager heeft de dermatoloog onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a) op 11 april 2025 aan klager uitsluitend een spoedige en gehele excisie van de
papel adviseerde, wat achteraf onnodig bleek en leidde tot een litteken in zijn gezicht.
De dermatoloog heeft geen alternatieven besproken waardoor klager zich niet over de
verschillende opties heeft kunnen beraden of een second opinion heeft kunnen overwegen;
b) klager tijdens de nacontrole op 1 mei 2025 onheus heeft bejegend door geen empathie
te tonen voor de verbazing die klager over de uitslag had. De dermatoloog zou zich
niet meer kunnen herinneren dat zij uitsluitend de optie van basaalcelcarcinoom heeft
voorgehouden bij het eerste consult en heeft volgens klager kortaf en geïrriteerd
gereageerd.
4.2 De dermatoloog heeft verweer gevoerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de dermatoloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende dermatoloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) Uitsluitend en ten onrechte een spoedige en volledige excisie adviseren
5.2 Het college is van oordeel dat de dermatoloog bij de diagnostiek niet in lijn met de professionele standaard heeft gehandeld. Dit ziet op zowel het diagnostisch handelen als het niet bespreken van alternatieve behandelopties.
5.3 In haar verweerschrift heeft de dermatoloog aangevoerd dat het nemen van een biopt het risico met zich zou brengen van verergering van een mogelijk basaalcelcarcinoom en/of dat toevallig een niet aangedaan deel van de papel zou worden bemonsterd, waardoor geen volledige uitsluiting of diagnostische zekerheid kan worden verkregen. Ter zitting heeft zij verklaard dat een biopt voor haar geen optie was, omdat klager in dat geval mogelijk tweemaal geëxcideerd zou moeten worden. Zij stelde juist zorgvuldig te hebben gehandeld door klager door te verwijzen naar een plastisch- en reconstructief chirurg voor de excisie in het gelaat.
5.4 Het college volgt deze redenering niet. Dit is niet alleen in strijd met de geldende richtlijn, maar ook innerlijk tegenstrijdig. Gelet op de lokalisatie van de papel in de H-zone (hoog-risicozone) en de twijfel over de diagnose bij de dermatoloog, is dermatoscopisch onderzoek op zichzelf onvoldoende en is aanvullend diagnostisch onderzoek geïndiceerd. Dit aanvullende onderzoek bestaat, conform de richtlijn basaalcelcarcinoom van de NVDV (Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie), uit het afnemen van een biopt. Daarnaast doet de kans op een zogenoemde sampling error zich met name voor bij grotere laesies en niet bij een laesie van beperkte omvang zoals hier het geval was (circa 3 bij 3 millimeter). Bovendien zou het nemen van een biopt, bij een negatieve uitslag, hebben geleid tot een kleinere wond/litteken.
5.5 De dermatoloog heeft ter zitting aangevoerd dat sprake was van spoed, omdat klager zich volgens haar ernstige zorgen maakte. Ter onderbouwing wees zij erop dat klager al enkele maanden met de papel rondliep, de afwijking had beoordeeld met behulp van een huidmonitor-app, klager versneld via zijn zorgverzekeraar was doorverwezen en antibiotica had gebruikt zonder dat de afwijking was verdwenen.
5.6 Het college overweegt dat deze omstandigheden grotendeels berusten op aannames van de dermatoloog die niet of onvoldoende met klager zijn besproken. Zo heeft klager ter zitting verklaard dat hij geen gevoel van grote spoed heeft ervaren. Voorts blijkt uit het dossier dat het antibioticum (amoxicilline) was voorgeschreven in het kader van endocarditisprofylaxe bij een tandheelkundige ingreep en niet ter behandeling van een huidinfectie, waarvoor dit middel ook niet is aangewezen. De dermatoloog heeft bij klager ook geen navraag gedaan naar eventuele behandeling van de papel met antibiotica.
5.7 De dermatoloog had op basis van deze aannames redelijkerwijs niet kunnen concluderen dat er een goede reden was om af te wijken van de richtlijn. De conclusie luidt dan ook dat de dermatoloog in het diagnostisch traject niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard.
5.8 Ook het niet bespreken van de verschillende diagnoses en bijbehorende behandelalternatieven is niet in overeenstemming met de professionele standaard. Klager heeft zowel in zijn klaagschrift als ter zitting verklaard dat de dermatoloog uitsluitend de mogelijkheid van een basaalcelcarcinoom heeft benoemd en daarbij toelichting heeft gegeven op andere meer kwaadaardige vormen van huidkanker, zoals het plaveiselcelcarcinoom en het melanoom. Andere diagnostische opties zijn niet met klager besproken, terwijl de dermatoloog zelf een differentiaaldiagnose noteerde bestaande uit basaalcelcarcinoom en een geïnfecteerde actinische keratose, hetgeen juist noopte tot het bespreken van alternatieve diagnostische vervolgstappen. Ter zitting heeft de dermatoloog verklaard dat zij het als haar verantwoordelijkheid als arts ziet om de juiste keuze te maken.
5.9 Het college overweegt dat deze opvatting niet in overeenstemming is met de geldende professionele standaard. Door geen openheid te geven over diagnostische vermoedens en deze niet met klager te bespreken, heeft de dermatoloog klager onvoldoende geïnformeerd over de mogelijke diagnoses. Het is aan de dermatoloog om de patiënt vervolgens zo volledig mogelijk te informeren over mogelijke diagnostische- en behandelopties (waaronder de vooruitzichten bij afzien van een behandeling op dat moment). Door uitsluitend één behandeloptie te presenteren, is klager de mogelijkheid ontnomen om een weloverwogen beslissing te nemen over zijn behandeling. Daarmee is hem tevens de reële mogelijkheid onthouden om een second opinion te overwegen. Het college stelt vast dat hiermee niet is voldaan aan het uitgangspunt van shared decision making, zoals dat volgt uit artikel 7:448 van het Burgerlijk Wetboek. In het licht van voormelde omstandigheden acht het college het enkele feit dat een informed consent-formulier is ondertekend onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een daadwerkelijk informed consent.
5.10 Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat de dermatoloog haar verantwoordelijkheid ten aanzien van de informatievoorziening aan klager heeft miskend. Het had op haar weg gelegen haar aannames over de vermeende spoed bij klager te verifiëren en met klager de mogelijke diagnoses en bijbehorende behandelopties te bespreken.
5.11 Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b) Onheuse bejegening tijden de vervolgafspraak
5.12 Volgens klager heeft de dermatoloog hem gekleineerd en geschoffeerd door geen
empathie te tonen tijdens de vervolgafspraak waarin de dermatoloog meedeelde dat uit
het pathologisch onderzoek was gekomen dat het geen huidkanker maar een ontstoken
haarzakje betrof. De dermatoloog herkent zich niet in dit klachtonderdeel en voert
aan dat zij juist erg blij voor klager was dat hij geen huidkanker bleek te hebben.
5.13 Het college stelt bij de beoordeling van dit klachtonderdeel voorop dat verwijten over de wijze van communicatie zich moeilijk laten vaststellen, nu het college niet bij de consulten aanwezig is geweest. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of de dermatoloog klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de dermatoloog, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
5.14 Uit het voorgaande blijkt dat de verwijten die klager aan de klacht ten grondslag heeft gelegd niet zijn komen vast te staan. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) op alle onderdelen
gegrond is en klachtonderdeel b) ongegrond is.
Maatregel
5.16 Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college beoordelen of een
maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke.
5.17 De dermatoloog is tekortgeschoten in de zorgverlening door onvoldoende informatie uit te vragen, niet conform de richtlijn te diagnosticeren en geen behandelalternatieven te bespreken, waardoor geen sprake was van goed geïnformeerde toestemming. Daarmee heeft zij niet gehandeld volgens de professionele standaard en is haar handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het college vindt het zorgwekkend dat de dermatoloog ter zitting blijk heeft gegeven dat zij nog altijd van oordeel is dat haar handelwijze de enige en juiste weg was, in plaats van de handelwijze die de richtlijn voorschrijft. Nu de dermatoloog ter zitting geen blijk heeft gegeven van reflectie op haar handelen, acht het college, gelet op de aard en ernst van de verschillende tekortkomingen, de maatregel van berisping passend en geboden.
Publicatie
5.18 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere dermatologen mogelijk iets kunnen leren van wat
hiervoor is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen
of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a gegrond;
- legt de dermatoloog de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift
voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist,
E.J.M. van Leent, J.M. Mommers en S.M. Schmidt-Rikama, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.A. Valé, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.