ECLI:NL:TGZRAMS:2026:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8569
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8569 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager is ontevreden over de wijze waarop de behandeling is beëindigd.Het college is van oordeel dat het de gz-psycholoog niet kan worden verweten dat de behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd, omdat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling van klager. Weliswaar was zij bij het gesprek waarin de beëindiging van de behandeling aan klager werd medegedeeld aanwezig, maar dit was alleen ter ondersteuning van de psychiater en om de verwachte emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het beëindigen van de behandeling heeft de gz-psycholoog geen bemoeienissen gehad. De klacht is ongegrond. |
A2025/8569
Beslissing van 3 juli 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 3 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigden, tevens de ouders van klager: C en D, beiden wonende in B,
tegen
E,
gz-psycholoog,
werkzaam in F,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is in 2024 in behandeling geweest bij een GGZ-instelling in F. De gz-psycholoog
is daar werkzaam en zij is bij de behandeling van klager betrokken geweest. Klager
is ontevreden over de wijze waarop deze behandeling is beëindigd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de gz-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 april 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 3 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2026. Klager was niet aanwezig
maar werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. De gz-psycholoog was, met haar
gemachtigde aanwezig. De gz-psycholoog en de gemachtigden hebben hun standpunten mondeling
toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager, geboren in 2001, heeft zich in verband met psychische problemen, via
de
huisarts, op 3 mei 2024 gemeld voor een intake bij G te F (hierna te noemen: de
GGZinstelling).
3.2 Op 30 mei 2024 zijn de behandeldoelen met klager en diens moeder besproken door
de gz-psycholoog. Daarbij zijn als diagnoses een obsessief-compulsieve stoornis
(OCS) en
een ziekteangststoornis gesteld. De behandeling is gestart op 3 juli 2024 door een
psycholoog, in opleiding tot gz-psycholoog, (hierna te noemen: de eerste behandelend
psycholoog). De gz-psycholoog bleef bij de behandeling van klager betrokken als
regiebehandelaar.
3.3 Na het vertrek van de eerste behandelend psycholoog bij de GGZ-instelling is de
behandeling per 1 november 2024 overgenomen door een ook bij de GGZ-instelling
werkzame psychiater (hierna te noemen: de psychiater). Vanaf dat moment werd de
psychiater ook de regiebehandelaar.
3.4 De psychiater heeft in november en december 2024 verschillende gesprekken
gevoerd met klager. Soms was ook klagers moeder daarbij aanwezig. Omdat de psychiater
op enig moment constateerde dat er verschil van inzicht over de te volgen behandeling
ontstond heeft zij dit op 13 december 2024 besproken in het multidisciplinair overleg
(MDO)
van de GGZ-instelling. Tijdens dit overleg is besloten dat verdere behandeling van
klager bij
de GGZ-instelling niet zinvol was en klager meer gebaat was bij een behandeling
bij een
andere organisatie. Dit is op 24 december 2024 door de psychiater en de gz-psycholoog
aan
klager en zijn moeder medegedeeld en daarbij is voorgesteld klagers behandeling
over te
dragen aan een meer (in autisme) gespecialiseerde kliniek in H. Dit kwam voor klager
en
diens moeder onverwacht en werd door hen als zeer teleurstellend ervaren. Dit gesprek
is
daarna voor beide partijen onprettig verlopen en onbevredigend afgesloten.
3.5 De ouders van klager hebben vervolgens op 26 december 2024 een e-mailbericht
aan de GGZ-instelling gezonden waarin zij hun onvrede over de gang van zaken hebben
geuit. Ook verzochten zij daarin klager zo spoedig mogelijk te introduceren bij
de kliniek in H
zodat de behandeling daar snel kon worden voortgezet. Dit e-mail bericht is in behandeling
genomen door de algemeen directeur van de GGZ-instelling. In december 2024 en januari
2025 zijn verschillende e-mails gewisseld tussen klager, diens ouders, en de algemeen
directeur waarin de algemeen directeur heeft getracht een gesprek over de klachten
tot
stand te brengen en waarin getracht werd om tot overeenstemming te komen over de
inhoud van (medische) stukken. Tot een gesprek is het niet gekomen.
3.6 Door klager is vervolgens op 25 april 2025 een klacht bij dit tuchtcollege ingediend.
Deze klacht is gericht tegen de gz-psycholoog. Er is ook een klacht ingediend tegen
de gzpsycholoog
in haar hoedanigheid van psychotherapeut (de bij het tuchtcollege aanhangige
procedure onder nummer A2025/8570). Daarnaast zijn er door klager klachten ingediend
tegen de psychiater (de bij het tuchtcollege aanhangige procedure met nummer
A2025/8571) en tegen de algemeen directeur (in haar hoedanigheid van gz-psycholoog
én in
haar hoedanigheid van psychotherapeut: de bij het tuchtcollege aanhangige procedures
met
nummer A2025/8432 en A2025/8568). Het college oordeelt in de onderhavige beslissing
alleen over de klacht tegen de gz-psycholoog.
4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Volgens klager heeft de gz-psycholoog onzorgvuldig gehandeld omdat zij, door
het
eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager, diens belangen
in
ernstige mate heeft geschonden.
4.2 De gz-psycholoog merkt op dat de klacht niet lijkt te zien op de periode waarin
zij als
regiebehandelaar bij de behandeling was betrokken. Zij wijst er verder op dat zij
niet bij het
MDO van 13 december 2024 aanwezig was. Dat het gesprek op 24 december 2024, waarbij
zij ter ondersteuning en voor het aanbieden van structuur aanwezig was, niet goed
is
verlopen, is haar niet tuchtrechtelijk te verwijten. Zij heeft het college dan ook
verzocht de
klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had
kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt
het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor
hun eigen
handelen. Binnen die kaders zal het college de klacht beoordelen.
5.2 Kern van de klacht is dat de behandeling van klager bij de GGZ-instelling
onzorgvuldig is beëindigd, in die zin dat de beëindiging eenzijdig en onverwacht
was, waarbij
als reden werd gegeven dat klager zich elders voor autisme zou moeten laten behandelen.
5.3 Het college stelt voorop dat van de zijde van klager uitdrukkelijk is aangegeven
dat
de klacht geen betrekking heeft op de behandeling tót 24 december 2024 maar alleen
ziet op
de beëindiging van de behandeling.
5.4 Het college is van oordeel dat het de gz-psycholoog niet kan worden verweten dat
de
behandeling onverwacht en eenzijdig is beëindigd. Uit het dossier en het ter zitting
besprokene blijkt dat zij op dat moment niet meer betrokken was bij de behandeling
van
klager. Haar enige rol is toen geweest dat zij bij het gesprek op 24 december 2024
aanwezig
was ter ondersteuning van de psychiater, om het gesprek zo nodig te structureren
en de te
verwachten emoties te reguleren. Bij het (tot stand komen van het) besluit tot het
beëindigen van de behandeling zelf heeft de gz-psycholoog geen bemoeienissen gehad
zodat
haar daarover ook geen verwijt kan worden gemaakt.
5.5 Het college begrijpt van klager dat hij tijdens het gesprek op 24 december 2024
in
de veronderstelling verkeerde dat de gz-psycholoog nog inhoudelijk betrokken was
bij de
behandeling en bij de beslissing tot beëindiging daarvan. Van de overdracht van
het
regiebehandelaarschap was hij naar zijn zeggen niet op de hoogte gesteld. Met klager
is het
college van oordeel dat deze overdracht duidelijker naar klager had moeten worden
gecommuniceerd. Dat geldt ook voor communicatie over de rol van de gz-psycholoog
bij het
gesprek op 24 december 2024. Verder valt over het gesprek zelf op te merken dat
de gzpsycholoog
het gesprek mogelijk eerder had kunnen stopzetten, bijvoorbeeld toen bleek dat
de psychiater tijdens dat gesprek ‘stilviel’ en het gesprek dreigde te ontaarden.
Denkbaar is
verder dat de gz-psycholoog het gesprek had kunnen sturen richting een vervolggesprek.
Het college is evenwel van oordeel dat dat haar, mede gezien haar rol op dat moment,
niet
tuchtrechtelijk valt te verwijten.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door A. van Maanen, voorzitter, Th. Koetsier en E.L.
Chavannes,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op 3 juli 2026.