ECLI:NL:TGZRAMS:2026:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8568
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:158 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8568 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychotherapeut. Klager is in behandeling geweest bij een GGZ-instelling waar verweerster werkzaam is (mede) als algemeen directeur. Volgens klager is door de behandelaars van de GGZ-instelling onzorgvuldig gehandeld door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager. Omdat de algemeen directeur daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt is de klacht ook tegen haar gericht. Het college stelt vast dat de algemeen directeur op geen enkele wijze bij de beëindiging van de behandeling betrokken is geweest. Van een algemene eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur voor het medisch handelen van andere binnen de GGZ-instelling werkzame zorgverleners is in tuchtrechtelijke zin geen sprake. Kennelijk ongegrond. |
A2025/8568
Beslissing van 3 juli 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 3 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigden, tevens ouders van klager: C en D, beide wonende in B,
tegen
E,
psychotherapeut,
werkzaam in F,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is in 2024 in behandeling geweest bij een GGZ-instelling in F. Verweerster
is oprichtster van deze instelling en daar werkzaam (mede) als algemeen directeur.
Klager is ontevreden over de wijze waarop zijn behandeling is beëindigd.
1.2 De klacht in deze procedure is tegen verweerster gericht in haar hoedanigheid van psychotherapeut. Omwille van de leesbaarheid (en ter onderscheid met andere betrokkenen in het dossier) zal het college verweerster hierna evenwel aanduiden als de algemeen directeur.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 april 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 3 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager, geboren in 2001, heeft zich in verband met psychische problemen, via
de
huisarts, op 3 mei 2024 gemeld voor een intake bij G te F (hierna te noemen: de
GGZinstelling).
3.2 Op 30 mei 2024 zijn de behandeldoelen met klager en diens moeder besproken door
een gz-psycholoog van de GGZ-instelling (hierna te noemen: de gz-psycholoog). Daarbij
zijn
als diagnoses een obsessief-compulsieve stoornis (OCS) en een ziekteangststoornis
gesteld.
De behandeling is gestart op 3 juli 2024 door een psycholoog in opleiding tot gz-psycholoog
(hierna te noemen: de eerste behandelend psycholoog). De gz-psycholoog bleef bij
de
behandeling van klager betrokken als regiebehandelaar.
3.3 Na het vertrek van de eerste behandelend psycholoog bij de GGZ-instelling is de
behandeling per 1 november 2024 overgenomen door een ook bij de GGZ-instelling
werkzame psychiater (hierna te noemen: de psychiater). Vanaf dat moment werd deze
ook
de regiebehandelaar.
3.4 De psychiater heeft in november en december 2024 verschillende gesprekken
gevoerd met klager. Soms was ook klagers moeder daarbij aanwezig. Omdat de psychiater
op enig moment constateerde dat er verschil van inzicht over de te volgen behandeling
ontstond heeft zij dit op 13 december 2024 besproken in het multidisciplinair overleg
(MDO)
van de GGZ-instelling. Tijdens dit overleg is besloten dat verdere behandeling van
klager bij
de GGZ-instelling niet zinvol was en klager meer gebaat was bij een behandeling
bij een
andere organisatie. Dit is op 24 december 2024 door de psychiater en de gz-psycholoog
aan
klager en zijn moeder medegedeeld en daarbij is voorgesteld klagers behandeling
over te
dragen aan een meer (in autisme) gespecialiseerde kliniek in H. Dit kwam voor klager
en
diens moeder onverwacht en werd door hen als zeer teleurstellend ervaren. Dit gesprek
is
daarna voor beide partijen onprettig verlopen en onbevredigend afgesloten.
3.5 De ouders van klager hebben vervolgens op 26 december 2024 een e-mailbericht
aan de GGZ-instelling gezonden waarin zij hun onvrede over de gang van zaken hebben
geuit. Ook verzochten zij daarin klager zo spoedig mogelijk te introduceren bij
de kliniek in H
zodat de behandeling daar snel kon worden voortgezet. Dit e-mail bericht is in behandeling
genomen door de algemeen directeur. In december 2024 en januari 2025 zijn verschillende
e-mails gewisseld tussen de algemeen directeur, klager en diens ouders waarin de
algemeen
directeur heeft getracht een gesprek over de klachten tot stand te brengen en waarin
getracht werd om tot overeenstemming te komen over de inhoud van (medische) stukken.
Tot een gesprek is het niet gekomen.
3.6 Door klager is vervolgens op 25 april 2025 een klacht bij dit tuchtcollege ingediend.
Deze klacht is gericht tegen de algemeen directeur in haar hoedanigheid van
psychotherapeut. Er is ook een klacht ingediend tegen de algemeen directeur in haar
hoedanigheid van gz-psycholoog (de bij het tuchtcollege aanhangige procedure onder
nummer A2025/8432). Daarnaast zijn er door klager klachten ingediend tegen de psychiater
(de bij het tuchtcollege aanhangige procedure met nummer A2025/8571) en tegen de
gzpsycholoog
(in haar hoedanigheid van gz-psycholoog én in haar hoedanigheid van
psychotherapeut: de bij het tuchtcollege aanhangige procedures met nummer A2025/8569
respectievelijk A2025/8570). Het college oordeelt in deze beslissing alleen over
de klacht
tegen algemeen directeur in haar hoedanigheid van psychotherapeut.
4. De klacht en de reactie van de algemeen directeur
4.1 Volgens klager is door de behandelaars van de GGZ-kliniek onzorgvuldig gehandeld
door het eenzijdig en onverwacht beëindigen van de behandeling van klager waardoor
diens
belangen in ernstige mate zijn geschonden. Omdat de algemeen directeur daarvoor
de
eindverantwoordelijkheid draagt is de klacht ook tegen haar gericht.
4.2 De algemeen directeur wijst erop dat zij op geen enkel moment betrokken is geweest
bij de behandeling van klager. Zij is voor het eerst betrokken geraakt door de e-mail
die op
26 december 2024 namens klager is gezonden. De algemeen directeur is van mening
daarop
zorgvuldig te hebben opgetreden. Omdat zij daarnaast niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk
kan worden gehouden voor het handelen van andere behandelaars in de GGZ-instelling,
heeft zij het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna, indien nodig, verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Eén van de uitgangspunten bij de beoordeling van de klacht is dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college stelt vast dat de klacht uitsluitend ziet op de beëindiging van de
behandeling op 24 december 2024. Door de gemachtigden van klager is dat tijdens
het
mondeling vooronderzoek nog uitdrukkelijk bevestigd. Het college stelt verder vast
dat de
algemeen directeur op geen enkele wijze bij die beëindiging op 24 december 2024
betrokken
is geweest. Reeds om die reden kan haar daarover geen tuchtrechtelijk verwijt worden
gemaakt.
5.3 Van een algemene eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur voor het
medisch handelen van andere binnen de GGZ-instelling werkzame zorgverleners is in
tuchtrechtelijke zin geen sprake, zodat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 3 juli 2026 door A. van Maanen, voorzitter, Th. Koetsier
en
E.L. Chavannes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.