ECLI:NL:TGZRAMS:2026:151 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8764
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:151 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8764 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een tandarts. Klaagster was patiënt in de praktijk van verweerster. De tandartspraktijk is overgenomen door een andere tandarts, zijnde de gemachtigde van klaagster. De opvolgende tandarts heeft bij de eerste periodieke controle bij klaagster tien laesies vastgesteld, waarvoor een restauratieve behandeling werd ingezet. Klaagster verwijt verweerster dat zij onbekwaam heeft gehandeld en onvoldoende gehoor heeft gegeven aan haar pijn- en kaakklachten. Het college oordeelt dat het terughoudende beleid van verweerster ten aanzien van niet-gecaviteerde cariëslaesies binnen de geldende professionele standaarden past. Klacht over onvoldoende luisteren naar klachten is ook ongegrond. |
A2025/8764
Beslissing van 30 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 30 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C, werkzaam in B,
tegen
D,
tandarts,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. K.M. Bonke-Iwanczyk, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is sinds 2011 patiënt in de praktijk waarvan verweerster tot 1 oktober
2024 eigenaresse/praktijkhoudster was. Per die datum is de tandartspraktijk overgenomen
door een andere tandarts, zijnde de gemachtigde van klaagster (hierna ook: de opvolgende
tandarts). Bij de eerste periodieke controle heeft de opvolgende tandarts bij klaagster
tien laesies vastgesteld, waarvoor een restauratieve behandeling werd ingezet. Klaagster
verwijt de tandarts – verweerster – dat zij onbekwaam heeft gehandeld, omdat zij deze
laesies niet heeft onderkend en onvoldoende gehoor heeft gegeven aan haar pijn- en
kaakklachten. De tandarts voert verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt daarom in al haar onderdelen ongegrond verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 juli 2025;
- de usb-stick met aanvullende informatie (röntgenfoto’s) van de zijde van klaagster,
ontvangen op 1 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 20 januari 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek,
met de bijlage;
- de e-mail van de gemachtigde van klaagster van 7 mei 2026, met bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerster van 8 mei 2026, met als bijlage een
aanvullend verweerschrift.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 19 mei 2026. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden, verweerster door waarnemend gemachtigde mr. drs. A. Dekker. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en de gemachtigde van verweerster hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. Verweerster heeft een slotwoord voorgelezen en aan het college overhandigd.
2.3 Naast klaagster hebben nog drie patiënten van de praktijk een tuchtklacht tegen verweerster ingediend, allen met de huidige tandarts/eigenaresse van de praktijk als gemachtigde (A2025/8762, A2025/8765 en A2025/8766).
3. De feiten
3.1 Verweerster was van 1 december 2004 tot 1 oktober 2024 eigenaresse van de tandartsenpraktijk
E in B (hierna: de praktijk). Per 1 oktober 2024 heeft de gemachtigde van klaagster
de praktijk overgenomen. Verweerster is nog tot 21 januari 2025 op basis van een overeenkomst
van opdracht werkzaam geweest in de praktijk. Klaagster is sinds 29 augustus 2011
patiënt in de praktijk en werd jaarlijks gecontroleerd door de tandarts of een collega-tandarts.
Het gevoerde beleid ten aanzien van klaagster bestond uit periodieke controles, monitoring
van cariësontwikkeling, restauratieve behandeling, begeleiding van kaakklachten en
preventieve voorlichting. Daarnaast stond klaagster onder behandeling van een externe
mondhygiënist.
3.2 Uit het medisch dossier blijkt dat bij klaagster in 2011, 2014, 2017, 2023 en 2024 restauratieve behandelingen zijn uitgevoerd. Het cariësrisico werd in 2017 als laag en in 2020 als verhoogd geregistreerd. Op 5 april 2024 heeft de tandarts voor het laatst drie laesies gerestaureerd. Op 13 september 2024 heeft zij klaagster voor het laatst gezien voor een periodieke controle. Zij noteerde in het dossier dat er geen bijzonderheden waren. Tijdens een controle op 21 maart 2025 constateerde de opvolgende tandarts tien laesies bij klaagster.
3.3 Sinds 2019 zijn in het medisch dossier terugkerende klachten van de kaak- en kauwspieren
vastgelegd. Klaagster werd hiervoor verwezen naar een fysiotherapeut. Het dossier
vermeldt op meerdere momenten dat de klachten pasten bij spiergerelateerde problematiek
en verbeterden door massage en fysiotherapeutische oefeningen.
4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Het college begrijpt de klacht zo dat klaagster de tandarts verwijt dat zij
onbekwaam heeft gehandeld, omdat zij:
a) een foutieve diagnose heeft gesteld door tien laesies te missen;
b) niet heeft geluisterd naar de klachten van klaagster.
4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Bevoegdheid
5.1. Op grond van de bepalingen in het Tuchtrechtbesluit BIG is dit college formeel
niet bevoegd in deze zaak. Nu beide partijen hebben ingestemd met voortzetting van
de behandeling door dit college, ziet het college geen aanleiding zich (kennelijk)
onbevoegd te verklaren.
De criteria voor de beoordeling
5.2. De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. In deze normen zit een zekere beoordelingsmarge
voor de zorgverlener. Dat betekent dat het feit dat iets in een behandeling wellicht
beter had gekund, niet zonder meer een tuchtrechtelijk verwijt oplevert.
Klachtonderdeel a) Verkeerde diagnose door het missen van tien laesies
5.3. Klaagster verwijt de tandarts dat zij tien laesies heeft gemist. Volgens klaagster
heeft de tandarts de controles op cariëslaesies minder uitgebreid uitgevoerd dan haar
huidige tandarts, omdat zij tijdens het (halfjaarlijkse)onderzoek geen lucht tussen
klaagsters kiezen blies. Ook stelt zij dat de tandarts de gemaakte röntgenfoto’s nooit
met haar heeft besproken of aan haar heeft getoond. De gemachtigde van klaagster heeft
tijdens het mondeling vooronderzoek aangevoerd dat op basis van de beschikbare röntgenfoto’s
eerder en vaker restauratief had moeten worden ingegrepen en dat van de overwegingen
van de tandarts onvoldoende blijkt uit het dossier.
5.4. De tandarts heeft toegelicht dat zij in de praktijk ten aanzien van cariës een terughoudend beleid voerde volgens het principe van minimaal invasieve tandheelkunde. Dat betekent dat laesies werden gemonitord, onder andere met behulp van bitewingfoto’s op regelmatige basis, en dat alleen restauratief werd ingegrepen wanneer dat noodzakelijk was, steeds in overleg met de patiënt. Volgens de tandarts bevonden de betreffende laesies zich in 2024 in het buitenste derde deel van het dentine – wat betekent dat die laesies meestal niet gecaviteerd zijn – en vertoonden zij geen of slechts beperkte progressie. Om die reden heeft de tandarts voor die laesies, buiten de drie laesies die wel werden gerestaureerd, gekozen voor monitoring en preventieve maatregelen, overeenkomstig de KIMO-richtlijn Mondzorg voor Jeugdigen – Preventie en behandeling van cariës (2020), en internationale literatuur en consensusdocumenten waarin dit beleid ook wordt onderschreven. 5.5. De tandarts heeft verder toegelicht dat haar beoordeling van de cariësontwikkeling was gebaseerd op een combinatie van klinisch onderzoek, droogblazen van het gebit en de radiologische bevindingen. Zij heeft verklaard dat zij röntgenfoto’s zo nodig na afloop van een consult nogmaals beoordeelde en patiënten telefonisch benaderde indien daartoe aanleiding bestond. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft de tandarts opgemerkt dat zij begrijpt dat het voor patiënten van toegevoegde waarde kan zijn om gezamenlijk naar het beeldmateriaal te kijken, hetgeen zij voor de toekomst zal meenemen. De tandarts heeft ook erkend dat haar dossiervoering op onderdelen summier is geweest, mede vanwege de langdurige behandelrelatie met klaagster en haar bekendheid met de mondsituatie. Zij betwist dat zij niet tussen de kiezen van klaagster heeft geblazen.
5.6. Het college overweegt dat het terughoudende beleid van de tandarts ten aanzien van niet-gecaviteerde cariëslaesies, bestaande uit monitoring en preventieve maatregelen, en alleen restauratief ingrijpen indien daarvoor een indicatie bestaat, past binnen de geldende professionele standaarden. De aantekeningen in het dossier zijn weliswaar summier, maar daaruit blijkt toch voldoende dat periodieke controles plaatsvonden, dat het cariësrisico van klaagster werd gevolgd en dat gedurende de behandelrelatie meerdere restauratieve behandelingen zijn uitgevoerd. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de tandarts in 2020 aan de hand van een röntgenfoto telefonisch met klaagster heeft besproken dat sprake was van beginnende laesies, die werden gemonitord, en dat zij het belang van interdentaal reinigen heeft benadrukt. Er is geen norm voor tandartsen die voorschrijft dat een röntgenfoto samen met de patiënt moet worden bekeken, al kan dit – zoals de tandarts erkent – voor patiënten wel waardevol zijn. Het college ziet verder geen aanwijzingen dat de tandarts de controles niet goed zou hebben uitgevoerd.
5.7. Dat de opvolgende tandarts op een later moment tien laesies heeft vastgesteld en heeft gekozen voor een andere behandeling, betekent niet dat het door de tandarts gevoerde beleid onjuist was. Het feit dat een opvolgend behandelaar tot een andere professionele afweging komt of een andere werkwijze heeft, is onvoldoende om te concluderen dat de vorige zorgverlener tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de tandarts de betreffende laesies heeft gemist of dat zij ten aanzien daarvan een onzorgvuldige beoordeling heeft gemaakt. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b) Niet luisteren naar klachten
5.8. Klaagster verwijt de tandarts dat zij onvoldoende heeft geluisterd naar haar
klachten. De tandarts heeft dit betwist. Zij voert aan dat zij haar patiënten op basis
van gelijkwaardigheid benadert en klaagster altijd serieus heeft genomen.
5.9. Het college overweegt dat uit het dossier blijkt dat gedurende meerdere jaren door klaagster geuite pijn- en kaakklachten zijn geregistreerd, besproken en opgevolgd. Tijdens controles is aandacht besteed aan de aard en het verloop van de klachten. Daarbij is onder meer een verwijzing naar de fysiotherapeut gegeven, omdat de tandarts de klachten heeft beoordeeld als passend bij spier- en kaakgerelateerde problematiek. De klachten verbeterden volgens de dossiergegevens ook door massage en fysiotherapeutische oefeningen. De tandarts heeft tijdens het mondeling vooronderzoek toegelicht dat zij destijds dacht aan klachten afkomstig van de kauwspieren dan wel een krimpende vulling. Achteraf is gebleken dat (ook) sprake was van een lekkende vulling, die inmiddels is hersteld. Volgens klaagster heeft zij nu geen pijn meer. Dat is uiteraard fijn voor haar. Dat achteraf een andere oorzaak voor (een deel van) de klachten is vastgesteld, betekent echter niet dat de tandarts de klachten destijds niet serieus heeft genomen of onvoldoende heeft onderzocht.
5.10. Daarbij neemt het college in aanmerking dat op de bitewing-opname van 3 augustus 2024 mogelijk een lekkage zichtbaar was, maar dat deze bevinding ook als een luchtbel kon worden geïnterpreteerd en dat een bitewing-opname slechts een tweedimensionaal beeld geeft. De summiere dossiervoering maakt dat niet meer kan worden gereconstrueerd of de tandarts deze mogelijke lekkage heeft onderkend en welke afwegingen zij daarbij heeft gemaakt. Tegen de achtergrond van de beperkte en niet-eenduidige radiologische bevindingen kan het college echter niet vaststellen dat de tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.11. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Slotsom
5.12. Het is duidelijk dat de tandheelkundige visies van de opvolgende tandarts
van klaagster (tevens haar gemachtigde) en van verweerster ver uiteen liggen. Het
heeft er ook de schijn van dat verweerster na de overdracht van de praktijk in een
negatief daglicht is komen te staan bij een aantal van haar voormalige patiënten –
met wie zij in sommige gevallen een behandelrelatie van vele jaren heeft gehad –,
voortkomende uit het feit dat de gemachtigde van klaagster een meer proactieve werkwijze
voorstaat en anders zou hebben gehandeld dan verweerster heeft gedaan. Dat de werkwijze
van verweerster meer afwachtend en reactief is dan de proactieve werkwijze van de
gemachtigde van klaagster, betekent echter niet dat de werkwijze van verweerster niet
binnen de norm van een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts valt. Verweerster
heeft de beslissingen die zij in de behandeling van klaagster heeft genomen duidelijk
toegelicht. Uit die toelichting, het verweerschrift en het patiëntendossier blijkt
dat zij die beslissingen weloverwogen heeft genomen. Het college acht het handelen
van verweerster ook goed navolgbaar en verdedigbaar. Zij heeft conform de richtlijnen
en als een betrokken en zorgvuldige tandarts gehandeld. Bovendien heeft zij kritisch
gereflecteerd op haar eigen handelen. Zij heeft onder meer aangegeven dat zij in de
toekomst met patiënten beeldmateriaal kan bespreken en uitgebreider kan rapporteren
in het dossier. Het college ziet hierin een professionele en lerende houding, hetgeen
bijdraagt aan het vertrouwen dat de tandarts haar beroepsuitoefening zorgvuldig vormgeeft.
5.13. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn. Publicatie
5.14. In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere tandartsen mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nederlands
Tijdschrift voor Tandheelkunde en NT/Dentz.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist,
M.M.L.F. Smulders, H.W. Luk en R.J. Overmars, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
R. van der Vaart, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.