ECLI:NL:TGZRAMS:2026:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8957
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:149 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8957 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen arts die intakegesprek heeft gevoerd en neurologisch onderzoek heeft gedaan bij onderzoek naar multiple sclerose (MS). Verwijt dat de arts klaagsters klachten niet (volledig) heeft besproken in het multidisciplinair overleg (MDO) en geen correcte diagnose heeft gesteld is ongegrond. De arts heeft een zorgvuldig en volledig neurologisch onderzoek uitgevoerd en daarbij geen zaken onbesproken gelaten. Haar onderzoek was ook slechts een van de invalshoeken van het MDO. Met betrekking tot de (aanwezige en beoordeelde) MRI-scans geldt dat de beoordeling van de beeldvorming de verantwoordelijkheid is van de radiologen. |
A2025/8957
Beslissing van 30 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 30 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
arts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigden: mr. E en mr. F, werkzaam in D.
1. De zaak in het kort
1.1 De arts heeft klaagster gezien in het kader van een second opinion, waarbij
is onderzocht of klaagster mogelijk multiple sclerose (MS) had. De arts heeft het
intakegesprek met klaagster gevoerd en neurologisch onderzoek verricht. Klaagster
verwijt de arts dat zij klaagsters klachten niet (volledig) heeft besproken in het
multidisciplinair overleg (MDO) en geen correcte diagnose heeft gesteld. Ook verwijt
klaagster de arts dat niet alle MRI-scans bij de second opinion aanwezig waren en
dat deze naderhand niet (objectief) zijn beoordeeld. De arts heeft verweer gevoerd
tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klaagster, ontvangen op 13 januari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 22 januari 2026,
met de bijlagen.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster is op 22 november 2024 door haar behandelend neuroloog verwezen naar
de polikliniek H, onderdeel van de polikliniek neurologie van het G waar de arts als
arts-onderzoeker werkzaam is. Zij werkt onder supervisie van een neuroloog, tegen
wie klaagster eveneens een klacht heeft ingediend. In de verwijsbrief staat onder
meer (alle citaten zijn letterlijk weergegeven):
“Er is sprake van lang bestaande progressieve loopstoornis, krachsverlies, sensibele
stoornissen en pijnklachten waarbij in het verleden en ook bij recent onderzoek geen
duidelijke verklaring.
Bij beeldvorming zijn er witte stof afwijkingen welke mijns inziens meer vasculair
bepaald zijn. Deze zijn in vergelijking met 9 jaar terug progressief (waarbij verbeterde
Flair sequentie ook een rol speelt), een klinische relevantie van de witte stof afwijkingen
lijkt mij er niet.
Voor patiënte is het lastig om bovenstaande bevindingen te accepteren waarbij bij
haar de vraag speelt of er toch niet sprake is van MS, eventueel primair progressieve
vorm (er is echter normale myelum). Een voor patiënte onprettig contact met neuroloog
in verder verleden helpt niet mee om vertrouwen te hebben in de huidige bevindingen.
Om bovenstaande redenen graag beoordeling van patiënte. Is er een onderliggende
neurologische oorzaak voor haar klachten? Kunne witte stof afwijkingen inderdaad als
vasculair beschouwd worden? (…)”
3.2 Op 18 december 2024 is klaagster gezien op het H-spreekuur. De arts verrichtte onder supervisie van een neuroloog het intake-consult. Zij heeft een anamnese afgenomen en neurologisch onderzoek verricht. Aansluitend aan de intake zijn de bevindingen van de arts besproken in het MDO van de in MS gespecialiseerde neurologen, arts-assistenten neurologie en arts-onderzoekers, waarbij ook een neuroradioloog aanwezig was. Daarbij zijn ook de herbeoordeelde eerdere MRI-beelden besproken. Vervolgens hebben de neuroloog en de arts klaagster samen op de hoogte gesteld van de uiteindelijke bevindingen.
3.3 Tot slot hebben de neuroloog en de arts hun bevindingen neergelegd in een brief van 18 december 2024 aan de behandelend neuroloog van klaagster. In die brief staat onder meer:
“Anamnese:
Sinds 25 jaar gaat het op verschillende domeinen niet goed. Meer moeite met lopen,
gaat steeds meer achteruit. Had honden en liep hier veel mee, iedereen in de buurt
kende haar. Loopt sinds 1.5 jaar met een kruk rechts. Fietsen lukt niet meer. (…)
(…)
Er heerst veel onrust over de diagnostiek. Er zijn meerdere MRI scans gemaakt, waaruit
haar steeds werd verteld dat er geen afwijkingen waren die haar klachten kunnen verklaren.
Echter is er in 2021 op een pre-scan sprake geweest van mogelijk gliose cervicaal,
waarvan het [naam] ziekenhuis ook heeft gezegd het niet te kunnen “wegpoetsen”. Daarnaast
zijn er al eerder vasculaire aspecifieke witte stof afwijkingen beschreven, die ook
niet gedeeld zijn met patiënte. Vindt dit erg vervelend en wil graag duidelijkheid.
(…)
Neurologisch onderzoek: (…)
Komt binnen met kruk. Loopt verder in spreekkamer zonder hulpmiddel. Gaat vlot zitten
en staat vlot op. Is gedurende anamnese beweeglijk met de armen en iets motorisch
onrustig.
Algemeen: Helder bewustzijn, reageert adequaat, geen afasie of dysartrie.
Hersenzenuwen: pupillen isocoor en lichtreactief, GVO geen bijzonderheden, OVB intact,
sensibiliteit en motoriek gelaat intact.
Motoriek: PUA zakt niet uit en proneert niet, kracht armen: biceps 5/5 (intermitterend
aanspannen links, echter piekkracht is maximaal), triceps 5/5, knijpkracht symmetrisch,
kracht benen: iliopsoas 5/5, quadriceps 5/5, hamstrings 5/5, voetflexoren 5/5, voetextensoren
5/5.
Sensibiliteit: Gestoorde scherp-stomp discriminatie voeten. Vibratiezin intact.
Reflexen: BPR 0/0, TPR 0/0, KPR 0/0, APR 0/0,VZR plantairlexie bdz.
Coördinatie: TNP ongestoord, KHP ongestoord.
Lopen: normaal gangspoor, niet breed-basisch, koorddansersgang zonder uitstappen.
Kan op tenen staan, geeft aan niet op hakken te kunnen staan.
Herbeoordeling radiologisch onderzoek elders:
MRI-hersenen en myelum (04-11-2024):
Multipele witte stof laesies in de hersenen en thalamus laesie rechts, welke qua
aspect en distributie vooralsnog meest passen bij vasculo-ischemische origine.
Aanvullende externe en MRI myelum wordt nog opgevraagd.
(…)
Bespreking: Patiënt werd in ons MS MDO besproken. Er is geen sprake van de diagnose
MS op basis van het klinisch beeld en de beeldvorming. De afwijkingen op MRI-hersenen
passen het meest bij vasculo-ischemische schade, waarvoor patiënte meerdere risicofactoren
heeft (roken, obesitas en hypertensie). Patiënte ervaart veel klachten die een grote
impact hebben op het dagelijks leven. Dit is lastig te relateren aan het radiologische
beeld en het weinig afwijkende neurologische onderzoek, en lijkt toch het meest passend
bij een FNS diagnose. Heden hebben wij enkel de meest recente MRI-hersenen beoordeeld.
Ter volledigheid zullen we de MRIs van hersenen en myelum elders opvragen en herbeoordelen,
waarna patiënte nog de uitslagen hiervan van ons zal krijgen. We verwachten geen andere
bevindingen. Dit hebben we zodanig met patiënte besproken.
Conclusie:
Geen aanwijzingen voor MS of andere demyeliniserende aandoenig, klachten zijn meest
passend bij FNS.” [noot college: Functionele Neurologische Stoornis].
3.4 De arts is bij het vervolg niet betrokken geweest. Op 12 maart 2025 heeft de
neuroloog klaagster telefonisch gesproken naar aanleiding van de herbeoordeling van
de nader opgevraagde MRI’s. Er is toen afgesproken dat nog enkele ontbrekende scans
opgevraagd en beoordeeld zouden worden, waarna klaagster voor een consult bij de neuroloog
zou worden uitgenodigd.
3.5 Dat consult heeft plaatsgevonden op 16 april 2025. De neuroloog heeft in het dossier genoteerd dat tijdens het consult werd gesproken over de beperkende klachten die klaagster had en dat een duidelijke diagnose niet gegeven kon worden, terwijl duidelijk was dat haar klachten veel impact hadden op haar functioneren. De MRI-scans werden tijdens het consult samen bekeken met uitleg over de bevindingen waarbij de neuroloog heeft aangegeven dat de scans geen voor demyelinisatie (het proces waarbij de beschermende laag rond de zenuwstelsels verdwijnt) verdachte afwijkingen lieten zien. Wel waren er op de MRI van de hersenen witte stoflaesies zichtbaar waarvan de neuroloog heeft vermeld dat die het meest passend waren bij vasculo-ischemische schade (weefselschade in de hersenen, veroorzaakt door zuurstoftekort). De neuroloog heeft geen aanwijzingen gevonden voor multiple sclerose of een aanverwante aandoening.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat:
a) zij bij de second opinion op 18 december 2024 de erkende en gerapporteerde klachten
van klaagster (in het bijzonder haar loopproblemen) niet heeft besproken in het MDO
en geen bijpassende correcte diagnose heeft gesteld;
b) niet alle eerder gemaakte MRI-scans op 18 december 2024 aanwezig waren en naderhand
niet (objectief) zijn beoordeeld.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) loopproblemen
5.2 Klaagster is van mening dat zij meer klachten heeft dan de arts bij het neurologisch onderzoek heeft gezien en opgeschreven en dus ook dat die niet beschreven klachten in het MDO niet zijn meegenomen. De arts heeft aangevoerd dat zij tijdens de intake uitgebreid is ingegaan op de klachten van klaagster en dat zij bij het neurologisch onderzoek (dat volgens een vast protocol plaatsvindt) de loopproblemen van klaagster, zoals in de verwijsbrief zijn beschreven, in acht heeft genomen. Zowel in het bewuste als in het onbewuste looppatroon van klaagster heeft de arts geen aanwijzingen gezien die zouden kunnen duiden op MS.
5.3 Het college vermeldt op voorhand dat het heeft gezien dat in de brief van 18 december 2024 direct na het kopje ‘neurologisch onderzoek’ vier regels zijn opgenomen met ‘standaard’-bevindingen die van toepassing zijn als het onderzoek geen bijzonderheden oplevert. Uit de daarna volgende tekst blijkt echter dat de daadwerkelijke bevindingen van de arts pas na die vier regels zijn weergegeven (en dat die bevindingen ook deels afwijken van de ‘standaard’). Het college gaat er dan ook vanuit dat de arts is vergeten de standaardtekst (die in dit geval dus niet van toepassing is) te wissen. Hiervoor (in 3.3) heeft het college alleen de daadwerkelijke bevindingen van de arts overgenomen.
5.4 Het college is op grond van het dossier en het verslag van het neurologisch onderzoek van oordeel dat de arts een zorgvuldig en volledig neurologisch onderzoek heeft uitgevoerd en dat zij daarbij geen zaken onbesproken heeft gelaten. De beoordeling door de arts is bovendien slechts een van de invalshoeken van het MDO, dat na het onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij een MDO zijn verschillende specialisten aanwezig, die ieder vanuit het eigen specialisme een beoordeling geven en toelichten. Op basis van alle bevindingen uit alle verschillende disciplines wordt dan een conclusie getrokken, die vervolgens met de patiënt wordt besproken. Het is dus ook niet aan de arts om een diagnose te stellen, maar aan het MDO op basis van alle gezamenlijke conclusies. Naar het oordeel van het college heeft het totale onderzoek, inclusief het MDO, naar behoren plaatsgevonden. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel b) MRI-scans en beoordeling
5.5 De beoordeling van de beeldvorming, in het bijzonder de MRI-scans, is de verantwoordelijkheid
van de radiologen. Alleen al om die reden kan de arts geen verwijt worden gemaakt
van een mogelijk onvolledige of niet objectieve beoordeling. Het college overweegt
ten overvloede dat op 18 december 2024 al is vastgesteld dat niet alle beeldvorming
aanwezig was en vervolgens tot twee keer toe nog ontbrekende scans zijn opgevraagd
en beoordeeld. Uit het feit dat de neuroloog op 16 april 2025 (zie hiervoor in 3.5)
de MRI-scans nog eens samen met klaagster heeft bekeken en de bevindingen aan klaagster
heeft uitgelegd, blijkt verder dat er wel degelijk een serieuze en degelijke beoordeling
van de scans heeft plaatsgevonden. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J.A. Carpay en J. Poelen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo,
secretaris.