ECLI:NL:TGZRAMS:2026:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9007
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9007 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klachten over onderzoek door neuroloog bij pijnklachten in de rug, waarbij een MRI van het onderste gedeelte van klaagsters rug is gemaakt. Na een second opinion én na toename van de klachten is een MRI gemaakt van de gehele wervelkolom, waarbij een tumor werd gezien, wat een zeldzaam voorkomende oorzaak van de klachten was. Het eerdere onderzoek door de neuroloog voldeed aan de eisen en er was op dat moment, gelet op de klachten, ook geen aanleiding om een MRI van de gehele wervelkolom te maken. Kennelijk ongegrond. |
A2025/9007
Beslissing van 30 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 30 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
neuroloog,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster, geboren in 1984, is na verwijzing door haar huisarts op 27 mei 2025
door de neuroloog onderzocht wegens toenemende pijnklachten in de onderrug met loopstoornissen
en gevoelloosheid, waarna een MRI van het onderste gedeelte van klaagsters rug is
gemaakt. Nadat haar klachten - na een second opinion - in augustus 2025 toenamen,
is een MRI gemaakt van haar gehele wervelkolom. Toen is een tumor aangetroffen die
ontstaan is vanuit de hersenvliezen en die druk gaf op het ruggenmerg. Klaagster verwijt
de neuroloog dat zij bij het neurologisch onderzoek van 27 mei 2025 niet heeft onderkend
dat er een tumor zou kunnen zijn, waardoor vertraging is ontstaan in de diagnostiek
en de behandeling.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 18 september 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de brief van klaagster, ontvangen op 18 februari 2026, met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 3 maart 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek,
waarbij beide partijen verschenen zijn;
- de brief van de gemachtigde van verweerster van 7 april 2026, ontvangen op 8 april
2026, met de bijlage.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Tijdens het consult op 27 mei 2025 heeft de neuroloog klaagster onderzocht.
Bij het onderzoek werd pijn vastgesteld in de rug, en een beperkte mobiliteit. In
het verslag van het onderzoek is als anamnese opgenomen dat klaagster sinds midden
januari last heeft van pijn die begon in haar lage rug en uitstraalde naar haar rechtervoet
via de gehele achterkant van haar been, omschreven als een “schietende pijn” en continu
aanwezig”. De pijn verspreidde zich na verloop van tijd naar beide benen en haar lage
rug, waardoor zij niet meer kon lopen of staan. Tevens zijn er scherpe pijnsensaties
in haar wervelkolom en bovenste bilspieren. In het verslag is het volgende opgenomen
over het neurologisch onderzoek dat de neuroloog heeft uitgevoerd:
“Status localis: 160 cm, 65 kg, ambidexter
Motoriek: geen evidente parese of lateralisatie. Hakken-tenengang ongestoord.
Sensibiliteit: tastzin globaal intact.
Relfexen: BPR 0/0, KPR 0/0, APR 0/0, VZR beiderzijds plantair
Rug: pijn beperkte mobiliteit, drukpijn overal, Lasegue beiderzijds negatief, heupbewegingen
ongestoord, pulsaties voeten normaal.
Bespreking:
aspecifieke rugpijn met niet- dermatomere uitstraling naar de benen zonder sensomotore
verschijnselen DD tendomyigeen / sacroilialghie niet uitgesloten / lumbale stenose
Beleid:
MRI ter uitsluiting waarna tel voor uitslag. Indien gb dan retour HA/FT”
3.2 Op grond van de uitkomsten van de MRI kon de neuroloog de klachten niet zondermeer
verklaren. De uitkomsten zijn door de neuroloog op 13 juni 2025 met klaagster besproken.
Gelet op de hevige pijn heeft de neuroloog klaagster verwezen naar de pijnpoli.
3.3 Na dit telefoongesprek is er geen medisch contact meer geweest tussen de neuroloog en klaagster, wel hebben zij gecorrespondeerd nadat klaagster klachten had ingediend over hoe het consult van 27 mei was verlopen. Klaagster heeft zich gewend tot een neuroloog van het E voor een second opinion en is op 9 juli 2025 onderzocht. Toen is een EMG (Elektromyogram) gemaakt, dat geen verklaring voor de klachten gaf. Bij een tweede consult bij die neuroloog op 14 augustus 2025 noemde klaagster een toename van klachten, onder meer gevoelsstoornissen in haar been en arm.
3.4 Vervolgens is opnieuw een MRI gemaakt, deze keer van het gehele wervelkolom. Toen is een tumor aangetroffen die ontstaan is vanuit de hersenvliezen en die druk gaf op het ruggenmerg, waarvoor vervolgens door het F een operatie is ingepland.
3.5 Na de operatie ondervindt klaagster vooralsnog blijvende beperkingen.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Klaagster verwijt de neuroloog dat zij:
a) bij het consult van 27 mei 2025 geen goede anamnese heeft afgenomen door veel
gesloten vragen te stellen en geen goed lichamelijk onderzoek te verrichten;
b) haar klachten onjuist heeft geïnterpreteerd en daardoor een beperkt en inadequaat
beleid heeft ingezet;
c) niet tijdig heeft doorverwezen voor vervolgonderzoek waardoor vertraging is ontstaan
in de diagnostiek en de behandeling;
4.2 De neuroloog heeft het college verzocht om de klachten ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college realiseert zich goed dat klaagster een ingrijpende operatie heeft
moeten ondergaan en dat bij haar een tumor moest worden verwijderd die pas laat is
opgemerkt, nadat zij al lange tijd pijn en veel andere klachten had. Bij klaagster
is daarmee sprake van een ernstig ziektebeeld, waarbij door de verwijdering van de
tumor schade is ontstaan die vooralsnog onomkeerbaar is. Dit moet een moeilijke tijd
zijn voor klaagster.
5.2 De vraag die het college moet beantwoorden, is of dit is veroorzaakt door verwijtbaar handelen van de neuroloog, dus of zij de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.3 Het college heeft geconcludeerd dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) consult van 27 mei 2025
5.4 Klaagster voelde zich tijdens het consult beperkt in haar mogelijkheden om haar
verhaal goed te kunnen vertellen. Ze heeft gezegd dat de neuroloog haar meermalen
onderbrak en haar vragen stelde waarop ze alleen met “ja” of “nee” mocht antwoorden.
Bovendien vindt klaagster dat de neuroloog tijdens het consult geen gedegen lichamelijk
onderzoek heeft verricht. De neuroloog heeft over de wijze van vragen stellen opgemerkt
dat zij een evenwicht heeft gezocht tussen het door klaagster kunnen vertellen van
haar eigen verhaal en het gestructureerd laten verlopen van het onderzoek. Omdat de
lezingen over de wijze van vragenstellen uiteenlopen kan het college over dit deel
van de klacht geen oordeel geven. Wel stelt het college vast dat er in het gesprek
mogelijk een taalbarrière speelde aangezien klaagster Spaanstalig is en het gesprek
in de Engelse taal plaatsvond. In een taal die voor beide partijen niet de natuurlijk
taal is, kunnen nuances verloren gaan. Dat er daardoor elementaire informatie verloren
zou zijn gegaan, is het college echter niet gebleken. Wat het lichamelijk onderzoek
betreft, kan het college de neuroloog volgen dat zij, gezien de ernstige pijnklachten
van klaagster tijdens het onderzoek, daarbij een balans heeft moeten vinden, en ook
dat zij zonder lichamelijk onderzoek al meerdere relevante zaken bij klaagster had
waargenomen. Uit het medisch dossier blijkt voldoende van een juist en volledig onderzoek.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) onjuiste interpretatie klachten waardoor beperkt en inadequaat
beleid.
5.5 Klaagster verwijt de neuroloog bij deze klacht dat zij de klachten heeft geïnterpreteerd
als mogelijk spiergerelateerd en dat zij niet in een differentiaaldiagnose de mogelijkheid
van een ruggenmergtumor heeft betrokken. De neuroloog heeft aangevoerd dat er op het
moment van het onderzoek geen aanwijzingen waren voor een tumor.
Het college overweegt het volgende. Bij klaagster is uiteindelijk in het bovenste
deel van haar rug een zogeheten thoracaal meningeoom aangetroffen met druk op het
ruggenmerg, een goedaardige tumor. Dit is een zeer zeldzaam voorkomende oorzaak van
de klachten zoals klaagster ondervond. Een thoracaal meningeoom groeit heel langzaam
en is vaak al jaren aanwezig voordat klachten ontstaan. Daarbij geldt dat er veel
verschillende andere oorzaken kunnen zijn voor de klachten zoals klaagster die ondervond,
zodat de neuroloog bij het onderzoek terecht een hernia heeft willen uitsluiten en
niet hoefde te denken dat een meningeoom de oorzaak zou kunnen zijn. Omdat de klachten
vanuit de onderrug leken te komen, was er op dat moment ook geen aanleiding om een
MRI van de gehele wervelkolom te maken. Het college merkt daarbij op dat ook de neuroloog
die klaagster enkele maanden later tijdens de second opinion onderzocht aanvankelijk
niet dacht aan een meningeoom. De MRI-scan van klaagsters gehele wervelkolom is pas
gemaakt nadat klaagsters klachten in de loop van 2025 verergerden en zich ook voordeden
in andere delen van haar lichaam. Ook dit deel van de klacht is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) niet tijdig doorverwijzen voor vervolgonderzoek waardoor vertraging
is ontstaan in de diagnostiek en de behandeling;
5.6 Het college heeft vastgesteld dat de neuroloog na het onderzoek van 27 mei 2025,
na ontvangst van de resultaten van de MRI en gezien de klachten die klaagster op dat
moment ervoer, de juiste stappen heeft gezet. Er was geen aanleiding om onmiddellijk
vervolgonderzoek in te zetten en ze heeft kunnen beslissen om klaagster te verwijzen
naar de pijnpoli. Verder vervolgonderzoek, bijvoorbeeld na het toenemen van de klachten
van klaagster, heeft de neuroloog niet kunnen verrichten omdat klaagster toen al een
second opinion had gevraagd bij een andere neuroloog en er tussen de neuroloog en
klaagster vanaf dat moment geen behandelcontact meer was.
Dat pas na augustus 2025 is ontdekt dat er sprake was van een thoracaal meningeoom
is de neuroloog dan ook niet te verwijten. Omdat een dergelijke tumor doorgaans zeer
langzaam groeit, waren de ernstige gevolgen die klaagster nu nog steeds ondervindt
hoogstwaarschijnlijk ook ontstaan als de tumor al bij het eerste onderzoek zou zijn
ontdekt.
Dit betekent dat ook dit deel van de klacht kennelijk ongegrond is.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het collegeverklaart alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
A.P. den Exter, lid-jurist, J.A. Carpay, J. Poelen en W.P. Vandertop, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.