We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9185

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:145
Datum uitspraak: 26-06-2026
Datum publicatie: 26-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/9185
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een physician assistant (PA). De PA was regiebehandelaar van een patiënt met dementie (de vader van klager). Klager en zijn zus zijn beiden mentor. Klager verwijt de PA dat de paracetamol is gestopt zonder hem hierover te informeren, waardoor de patiënt volgens hem onnodig pijn heeft geleden. Volgens de PA is klager niet-ontvankelijk, omdat hij tweede contactpersoon was. Het college oordeelt dat klager wel bevoegd is een klacht in te dienen, aangezien hij en zijn zus mentor zijn en de patiënt wilsonbekwaam is. Het college stelt vast dat zorgvuldig is beoordeeld of de pijnmedicatie kon worden gestopt en dat de pijnklachten voldoende zijn geëvalueerd. Het informeren over de stopdatum lag bij de dienstdoende arts, niet bij de PA. De PA heeft aan haar zorgplicht voldaan.

A2025/9185
Beslissing van 26 juni 2026
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 26 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
physician assistant,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de physician assistant
gemachtigde: mr. A. Dekker, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft een klacht ingediend als mentor van zijn vader, de heer D. Klagers zus is eveneens mentor. De vader van klager (hierna ook: de patiënt) verbleef sinds april 2025 bij de zorgorganisatie E op locatie F in B, een woonzorgcentrum gericht op bewoners met een vorm van dementie. De physician assistant was de regiebehandelaar van de patiënt.

1.2 Voorafgaand aan het verblijf in het woonzorgcentrum had de huisarts van de patiënt paracetamol voorgeschreven, zodat de zorg dit kon geven als de patiënt pijn had. Deze thuismedicatie is bij opname in het woonzorgcentrum voortgezet. Op 2 mei 2025 heeft een dienstdoende arts paracetamol (vier keer per dag 1000 milligram) voorgeschreven met een stopdatum van vier weken, vanwege pijn in het been door een recent vastgestelde diepe veneuze trombose. Na vier weken, op 30 mei 2025, is het recept voor de paracetamol gestopt. Op 16 juni 2025 is opnieuw paracetamol voorgeschreven en op 17 juni 2025 fentanyl, omdat de patiënt pijnklachten had in zijn rug.

1.3 Klager verwijt de physician assistant dat de medicatie op 30 mei 2025 is gestopt en dat hij hier niet van op de hoogte is gesteld. Doordat klager niet is geïnformeerd, heeft hij ook geen bezwaar kunnen maken tegen de beëindiging van de medicatie. Volgens klager heeft zijn vader hierdoor in de periode tussen 30 mei en 15 juni 2025 onnodig pijn geleden.

1.4 De physician assistant heeft verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor zover de klacht wel inhoudelijk wordt behandeld, heeft de physician assistant verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


1.5 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
- de door klager toegezonden beschikking met betrekking tot het instellen van een mentorschap, ontvangen op 6 januari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
3.1 De physician assistant heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat klager in het woonzorgcentrum de tweede contactpersoon was van de patiënt. De zus van de patiënt was de eerste contactpersoon.

3.2 Het college overweegt als volgt. In artikel 65 lid 1 onder a Wet BIG is bepaald dat een tuchtklacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Een rechtstreeks belanghebbende is in de eerste plaats de patiënt(e) van een aan tuchtrechtspraak onderworpen beroepsbeoefenaar die een klacht heeft over zijn of haar behandeling. In geval van mentorschap kan ook de mentor een klacht indienen, maar daarbij geldt op grond van artikel 1:454 BW als uitgangspunt dat de mentor bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht. Klager heeft aangevoerd dat de patiënt vanwege dementie niet in staat is om zelf een klacht in te dienen. Ook in het verweerschrift wordt door de physician assistant uitgegaan van de wilsonbekwaamheid van de patiënt. Naar het oordeel van het college is, mede op basis van het medisch dossier, voldoende aannemelijk dat de patiënt ter zake van het indienen van de klacht wilsonbekwaam is.

3.3 Uit de beschikking van de kantonrechter van 1 april 2025 blijkt dat klager en zijn zus zowel tezamen als ieder afzonderlijk als mentor bevoegd zijn om op te treden. Hieruit volgt dat klager ook afzonderlijk van zijn zus een tuchtklacht kan indienen. Dat zijn zus in het woonzorgcentrum is aangewezen als eerste contactpersoon maakt dit oordeel niet anders. Een andere lezing zou de zelfstandige bevoegdheid van klager om als mentor op te treden doorkruisen.

3.4 Het college zal de klacht daarom inhoudelijk bespreken.

De criteria voor de beoordeling

3.5 De vraag is of de physician assistant de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende physician assistant. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de physician assistant geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

3.6 Het college oordeelt dat de physician assistant niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.7 Het college stelt voorop dat het zorgvuldig is om bij (geriatrische) patiënten regelmatig te heroverwegen of de voorgeschreven (pijn)medicatie geïndiceerd is. Bij gebruik van een veelheid van verschillende geneesmiddelen, neemt namelijk de kans op schadelijke geneesmiddelinteracties en bijwerkingen toe. Het is daarom goed om bij het voorschrijven van (pijn)medicatie een stopdatum op te nemen, zodat het toedienen van de medicatie niet automatisch wordt voortgezet. Naar het oordeel van het college is zorgvuldig beoordeeld of het toedienen van paracetamol kon worden beëindigd. Uit het dossier blijkt dat de physician assistant op 26 mei 2025 de pijnklachten bij de patiënt heeft geëvalueerd. De patiënt gaf op dat moment geen pijn meer aan. Ook na het staken van de medicatie zijn de pijnklachten voldoende geëvalueerd.

3.8 Korte tijd na het staken van de medicatie, op 9 en 11 juni 2025 maakte de patiënt melding van andere pijnklachten, namelijk in zijn rug. Het ging hierbij niet om ernstige of acute pijnklachten. In die omstandigheden is het navolgbaar dat gewacht is tot de volgende artsenvisite op 16 juni 2025, zodat een arts de klachten bij de patiënt kon beoordelen.

3.9 Voor wat betreft de informatieplicht overweegt het college dat de paracetamol niet is voorgeschreven door de physician assistant, maar door de dienstdoende arts. Het was daarom niet de verantwoordelijkheid van de physician assistant om de mentor over de stopdatum te informeren. Overigens is het gebruikelijk dat de communicatie vanuit de zorg in principe via de eerste contactpersoon verloopt en is het aan de eerste contactpersoon om ook de tweede contactpersoon te informeren.

Slotsom
3.10 Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat de physician assistant aan haar zorgplicht heeft voldaan en gehandeld heeft zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam physician assistant mag worden verwacht. Hieruit volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 26 juni 2026 door E.A. Messer, voorzitter, A.M. van Stralen-Neeft en S. Pereboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.