ECLI:NL:TGZRAMS:2026:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8966
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:144 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8966 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klager heeft een verzoek tot vernietiging van een deel van zijn medisch dossier gedaan. De huisarts heeft binnen een maand na het verzoek contact opgenomen en na de zomersluiting van de praktijk heeft een fysieke afspraak plaatsgevonden om het verzoek te bespreken en uit te voeren. Hiermee heeft de huisarts voldoende zorgvuldig gehandeld. De huisarts kan niet worden verweten dat een notitie, die op verzoek van klager is vernietigd, nu niet meer in het dossier zit. Overige klacht ook ongegrond. Klacht kennelijk |
A2025/8966
Beslissing van 23 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 23 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is patiënt in de huisartsenpraktijk van de huisarts. Hij is behandeld
in verband met depressieve klachten, maar is ontevreden over de doorverwijzing van
de huisarts naar de GGZ. De verwijzing zou niet aansluiten bij de klachten die hij
bij de huisarts en praktijkondersteuner (POH) heeft geuit. Ook vindt klager dat het
vernietigen van een deel van zijn medisch dossier te laat gebeurde; pas na twee maanden
na zijn verzoek. Tenslotte is klager ontevreden over het niet kunnen hebben van inzage
in het contact dat de praktijkondersteuner met de politie heeft gehad. De huisarts
voert hiertegen verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klager ontvankelijk is, maar de klacht kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 27 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 19 februari 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Verweerster is sinds 2024 werkzaam als huisarts en praktijkhouder. In de huisartsenpraktijk
werken praktijkondersteuners (POH), assistenten en ook een waarnemend huisarts. De
praktijk is drie weken gesloten tijdens de zomervakantie.
3.2 Klager is patiënt bij de huisarts. In de loop van 2024 verwees de huisarts klager door naar de GGZ vanwege depressieve klachten. Op verzoek van klager heeft de POH ook telefonisch contact opgenomen met de politie.
3.3 Op 19 juni 2024 vroeg klager om vernietiging van delen van zijn medisch dossier.
Verweerster sprak met klager af dit verzoek op 14 augustus 2024 tijdens een consult
nader te bespreken.
3.4 Op 14 augustus 2024 is tijdens een fysiek consult het medisch dossier met klager doorgenomen en zijn de door klager aangewezen passages vernietigd. Klager tekende vervolgens een verklaring waarin stond dat hij ervan bewust is dat het dossier niet langer compleet is.
3.5 Op 25 juni 2025 ontving verweerster een schriftelijk verzoek van klager tot inzage in zijn medisch dossier. Op 2 juli 2025 heeft verweerster inzage verleend. Daarna heeft zij per e-mail klager laten weten dat gegevens met betrekking tot de GGZ vernietigd waren naar aanleiding van zijn eerdere verzoek tot vernietiging van 19 juni 2024 .
3.6 Op 6 juli 2025 verzocht klager om afschrift van de notitie van het telefoongesprek tussen de POH en de politie. De notitie was vernietigd op 14 augustus 2024 en maakte geen deel meer uit van het medisch dossier.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klager heeft de huisarts onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a) klager had verwezen naar de GGZ terwijl de klachten die bij de POH waren geuit
daartoe geen aanleiding gaven;
b) te laat, namelijk pas na twee maanden, met klager het verzoek tot vernietiging
van delen van zijn medisch dossier besprak;
c) het verzoek van klager inzage te krijgen in het contact tussen de POH en de politie
niet heeft gehonoreerd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht af te wijzen als onbewezen of kennelijk ongegrond.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hieronder toe.
Klachtonderdeel a) de verwijzing naar de GGZ was niet in overeenstemming met hetgeen
met de POH was besproken
5.3 Uit zowel het klaagschrift als het verweerschrift blijkt dat klager leed aan
depressieve klachten. Klager geeft in het klaagschrift aan dat deze klachten besproken
zijn tijdens een huisbezoek van de huisarts en de POH. Het college heeft geen reden
om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de doorverwijzing van de huisarts naar de
GGZ. Dit klachtonderdeel is dus kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) de afspraak voor het vernietigen van een deel van het medisch dossier
vond pas twee maanden na het verzoek plaats
5.4 Het college overweegt dat met betrekking tot een verzoek tot vernietiging binnen
een maand moet worden gereageerd. Aangezien de huisarts met klager binnen een maand
na het indienen van het verzoek tot vernietiging contact heeft opgenomen om - na de
zomersluiting van de praktijk - te komen tot een fysieke afspraak op 14 augustus 2024
om op dat moment het verzoek te bespreken en uit te voeren, heeft de huisarts volgens
het college voldoende zorgvuldig gehandeld. Op geen enkel moment is er sprake geweest
van het negeren van het verzoek van klager tot vernietiging van delen van het medisch
dossier.
Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) Het verzoek tot inzage in het contact tussen de POH en de politie
is niet gehonoreerd
5.5 Het college overweegt dat door het uitvoeren van het recht op vernietiging door
klager zoals neergelegd in artikel 7:455 Burgerlijk Wetboek, de notitie waarover wordt
geklaagd niet langer aanwezig was in zijn medisch dossier. Door deze notitie op verzoek
van klager te vernietigen, kan verweerster niet op een later moment worden verweten
dat deze notitie niet langer in het dossier zit. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 23 juni 2026 door I.K. Spros, voorzitter, M.J. Sombroek
van Doorm, lid-jurist, V.M. Schijf, M. van Bergeijk en A. Medema, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door A. Tingen, secretaris.