ECLI:NL:TGZRAMS:2026:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8931
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:141 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-06-2026 |
| Datum publicatie: | 19-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8931 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen twee cardiologen. Klager verwijt de cardiologen dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar hij vijf jaar lang onnodig medicijnen voor heeft geslikt. Het college stelt op basis van het beschikbaar gestelde dossier college vast dat beide cardiologen hebben gehandeld volgens de geldende cardiovasculaire richtlijnen. Uit het onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gepasseerd stolsel in de RCA waarbij de overige coronairen wandonregelmatigheden liet zien. Dit in combinatie met de aanwezige risicofactoren maakte dat medicamenteuze behandeling geïndiceerd was. De uitslag van een latere scan in een ander ziekenhuis zegt niets over eerdere problemen met hart-en bloedvaten. |
A2025/8931
Beslissing van 19 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 19 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
cardioloog,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de cardioloog,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam in Leiden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de cardioloog en een collega cardioloog (zaaknummer A2025/8930)
dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar klager vijf jaar lang onnodig medicijnen
voor heeft geslikt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 5 januari 2026;
- de aanvullende stukken van klager, binnengekomen op 8 januari 2026;
- de e-mail van de gemachtigde van de cardioloog van 25 januari 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de samenhangende
klacht tegen de collega cardioloog. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld
heeft op
basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 23 mei 2020 is klager op de spoedeisende hulp opgenomen wegens thoracale
pijnklachten links op de borst. Uit het onderzoek bleek dat een acuut hartinfarct
voldoende kon worden uitgesloten. Verweerder was de dienstdoend cardioloog en heeft
besloten dat klager ter observatie werd opgenomen om te kijken of klager de volgende
dag opgenomen zou blijven in afwachting van de geplande CAG (coronairangiografie ofwel
hartkatheterisatie) of naar huis kon gaan.
3.2 De volgende ochtend is klager naar huis gegaan. Diezelfde middag heeft klager
zich
weer gemeld bij de spoedeisende hulp. Na onderzoek is opnieuw vastgesteld dat er
geen beeld was van een acuut myocardinfarct. Verweerder heeft klager op dat moment
wel opgenomen gehouden voor de CAG de volgende dag.
3.3 Op 25 mei 2020 heeft de CAG plaatsgevonden. Hierover is het volgende genoteerd
in
het medisch dossier (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Hartcatheterisatie via de A. Femoralis rechts, ongecompliceerde procedure.
Dominant links systeem. LMCA : gb, LAD : W.O en mid 50 % stenose , RCX : gb
RCA proximaal afgesloten.
Conclusie: Stenose in de mid LAD en afgesloeten RCA (…)”
3.4 De gegevens zijn vervolgens voorgelegd aan het hartteam van het D.
Zij hebben een dotterbehandeling (percutane coronaire interventie, hierna: PCI)
geadviseerd als het medicamenteus beleid ontoereikend zou zijn. Verweerder heeft contact
gehad met het hartteam om toe te lichten dat het medicamenteus beleid onvoldoende
leek te zijn, waarna klager is geaccepteerd voor een PCI.
3.5 Op 27 mei 2020 ondergaat klager de voorgenomen PCI in het D,
locatie E. Hierbij blijkt dat de RCA goed doorgankelijk is en dat er geen interventie
hoeft plaats te vinden. Er is dus geen PCI verricht. Verweerder heeft op 28 mei 2020
een gesprek met klager in aanwezigheid van zijn broer om een en ander uit te leggen.
Hierover is het volgende genoteerd:
“Opnieuw beloop besproken. Op dit moment vat weer open, wel sprake van vaatlijden
waarvoor medicatie doorgebruikt moet worden (bloedverdunners) en andere risicofactoren
zo goed mogelijk behandeld moeten worden dus stoppen met roken, cholesterolremmers,
bloeddruk behandelen en indien diabetes behandelen.
Pijnklachten die hij nu nog ervaart niet waarschijnlijk alleen van het hart gezien
de vaten nog open, mogelijk ook andere factoren zoals spieren / spieraanhechtingen
die een rol erbij spelen. Soms bijwerking ticagrelor benauwdheidsklachten, echter
klachten van patiënt
passen hier niet bij en wel eerste keus behandeling voor nu. Indien klachten persisteren
kan in toekomst alternatieve bloedverdunner geprobeerd worden.
Hoofpijnklachten lijken ook niet met hart te maken te hebben dus advies dat via
de huisarts op te pakken.
Patiënt aangemeld voor hartrevalidatie voor opstarten traject en begeleiding met
informatievoorziening.
-Conclusie/samenvatting: instabiele AP obv gepasseerd stolsel RCA (…)”
3.6 Hierna heeft verweerder geen betrokkenheid meer gehad bij de behandeling van
klager.
4. De klacht en de reactie van de cardioloog
4.1 Klager verwijt de cardioloog dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar klager
vijf jaar lang onnodig medicijnen voor heeft geslikt.
4.2 De cardioloog heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de cardioloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende cardioloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de cardioloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder is de toets niet of de cardioloog met
de kennis en wetenschap van achteraf anders had moeten handelen. Het gaat erom of
de cardioloog op basis van wat hij ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd
wist of had moeten weten, heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk
handelende cardioloog mag worden verwacht.
5.2 Het college oordeelt dat de cardioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
5.3 Het college hecht er aan om te benadrukken dat het oog heeft voor de angstige
situatie voor klager toen dat hij dacht (acute) hartproblemen te hebben. Uit het klaagschrift
volgt dat er kennelijk in 2025 een myocard perfusie scintigrafie is verricht in een
ander ziekenhuis, waar door klager de conclusie uit wordt getrokken dat er een foute
diagnose is gesteld, dat er bij hem nooit sprake is (geweest) van hartproblemen en
dat hij dus vijf jaar lang ten onrechte medicijnen daarvoor heeft gebruikt. Die conclusie
is echter onjuist. De uitslag van de scan van 19 mei 2025 geeft enkel aan dat er op
dat moment geen sprake was
van zuurstofgebrek. Dit zegt niets over eerdere problemen met zijn hart- en bloedvaten.
Het college acht de uitslagen van het andere ziekenhuis uit 2025 bij de beoordeling
van de klacht niet relevant, nu deze niets zeggen over de wijze van handelen van de
cardioloog en zijn collega en elke context van die bevindingen – met betrekking tot
de klachten en de indicatie - ontbreekt.
5.4 Op grond van het beschikbaar gestelde dossier stelt het college vast dat beide
cardiologen hebben gehandeld volgens de geldende cardiovasculaire richtlijnen. Immers,
uit het onderzoek is gebleken dat, zoals aan klager is uitgelegd door de cardioloog
op
28 mei 2020, sprake is geweest van een gepasseerd stolsel in de RCA waarbij de overige
coronairen wandonregelmatigheden liet zien. Dit in combinatie met de aanwezige risicofactoren
maakte dat medicamenteuze behandeling geïndiceerd was. Het college ziet geen aanwijzingen
op grond waarvan geconstateerd kan worden dat de cardioloog in strijd heeft gehandeld
met de zorg die van hem in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2026 door B. Vogel, voorzitter, S.A. Mollema
en
E.A. Dubois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.