We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRAMS:2026:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8930

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:140
Datum uitspraak: 19-06-2026
Datum publicatie: 19-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/8930
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen twee cardiologen. Klager verwijt de cardiologen dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar hij vijf jaar lang onnodig medicijnen voor heeft geslikt. Het college stelt op basis van het beschikbaar gestelde dossier college vast dat beide cardiologen hebben gehandeld volgens de geldende cardiovasculaire richtlijnen. Uit het onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van een gepasseerd stolsel in de RCA waarbij de overige coronairen wandonregelmatigheden liet zien. Dit in combinatie met de aanwezige risicofactoren maakte dat medicamenteuze behandeling geïndiceerd was. De uitslag van een latere scan in een ander ziekenhuis zegt niets over eerdere problemen met hart-en bloedvaten.

A2025/8930
Beslissing van 19 juni 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 19 juni 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,


tegen


C,
cardioloog,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de cardioloog,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam in Leiden.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de cardioloog en een collega cardioloog (zaaknummer A2025/8931) dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar klager vijf jaar lang onnodig medicijnen voor heeft geslikt.

.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 5 januari 2026;
- de aanvullende stukken van klager, binnengekomen op 8 januari 2026;
- de e-mail van de gemachtigde van de cardioloog van 25 januari 2026.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de samenhangende
klacht tegen de collega cardioloog. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op
basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 31 december 2019 heeft klager voor het eerst het spreekuur van verweerster in
het D bezocht vanwege pijn op de borst, kortademigheidsklachten en hartfalen. Verweerster
heeft klager onderzocht en hierbij onder meer de risicofactoren voor coronairlijden in beeld
gebracht. In het medisch dossier is hierover het volgende terug te vinden (alle citaten voor
zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Reden verwijzing analyse: pijn op de borst en kortademigheid/hartfalen (…)
- Anamnese: Heeft al langere tijd last van kortademigheid, is hiervoor naar de longarts.
Afgelopen 2 jaar is dit toenemend, is hijgerig na traplopen. Gaat naar de sportschool; doet
ook aan cardiofitness dit dient hij te onderbreken omdat hij een piepende ademhaling krijgt.
Is een forse roker (…)
-ECG: SR freq 85/min intas met tekenen van LVH (…)
-Conclusie/samenvatting: 1. Thoracale pijnklachten bij pt met verhoogd RF
-Atriumfibrilleren/flutter: nee
-Beleid: - CT coronairen (…)”

3.2 In februari 2020 is deze CT gemaakt en op 27 februari 2020 heeft verweerster klager
op de polikliniek gezien om de uitslagen te bespreken. Er is vervolgens besloten om te
starten met een bloedverdunner (ascal), een cholesterolverlager (simvastatine) en een
bloeddrukverlager (amlodipine). In het medisch dossier staat het volgende vermeld:
“(…) Anamnese: CT uitslag besproken; met verhoogde calciumscore. Tevens een stenose van
RCX. Heeft veel last van kortademigheid vooral bij inspanning. Was voorheen erg actief
-ECG: SR freq 85/min intas
-Conclusie/samenvatting: 1/ Thoracale pijnklachten bij verhoogde calciumscore
-Beleid: - ascal
- simvastatine (…)”

3.3 Op 18 mei 2020 is klager opnieuw door verweerster gezien op de polikliniek. Klager
is vervolgens aangemeld voor CAG (coronairangiografie ofwel hartkatheterisatie). In het
medisch dossier staat het volgende vermeld:
“(…) geen aanwijzing voor asthma of longafwijkingen. Gaat niet goed, moeite met ademen.
Nog steeds veel last van pijn op de borstklachten. Heeft ook aanvallen van benauwdheid
waarvoor hij meerdere keren bij de huisartsenpost is geweest. Had veel last van
hartkloppingen. Voelt zich ‘rot’. Is af en toe duizelig bij het opstaan.
-Conclusie/samenvatting: 1/ Thoracale pijnklachten en dyspnoe klachten
-Beleid: - CAG uitleg gegeven over procedure (…)”

3.4 Op 23 mei 2020 is klager op de spoedeisende hulp opgenomen wegens thoracale
pijnklachten links op de borst. Uit het onderzoek bleek dat een acuut hartinfarct voldoende
kon worden uitgesloten. De collega van verweerster was de dienstdoend cardioloog en heeft
besloten dat klager ter observatie werd opgenomen om te kijken of klager de volgende dag
opgenomen zou blijven in afwachting van de geplande CAG of naar huis kon gaan.

3.5 De volgende ochtend is klager naar huis gegaan. Diezelfde middag heeft klager zich
weer gemeld bij de spoedeisende hulp. Na onderzoek is opnieuw vastgesteld dat er geen
beeld was van een acuut myocardinfarct. De collega van verweerster heeft klager op dat
moment wel opgenomen gehouden voor de CAG de volgende dag.

3.6 Op 25 mei 2020 heeft de CAG plaatsgevonden. Hierover is het volgende genoteerd in
het medisch dossier:
“(…) Hartcatheterisatie via de A. Femoralis rechts, ongecompliceerde procedure.
Dominant links systeem. LMCA : gb, LAD : W.O en mid 50 % stenose , RCX : gb
RCA proximaal afgesloten.
Conclusie: Stenose in de mid LAD en afgesloeten RCA (…)”

.7 De gegevens zijn vervolgens voorgelegd aan het hartteam van het E.
Zij hebben een dotterbehandeling (percutane coronaire interventie, hierna: PCI) geadviseerd
als het medicamenteus beleid ontoereikend zou zijn. De collega van verweerster heeft
contact gehad met het hartteam om toe te lichten dat het medicamenteus beleid
onvoldoende leek te zijn, waarna klager is geaccepteerd voor een PCI.

3.8 Op 27 mei 2020 ondergaat klager de voorgenomen PCI in het E,
locatie F. Hierbij blijkt dat de RCA goed doorgankelijk is en dat er geen interventie hoeft
plaats te vinden. Er is dus geen PCI verricht. De collega van verweerster heeft op 28 mei
2020 een gesprek met klager in aanwezigheid van zijn broer om een en ander uit te leggen.
Hierover is het volgende genoteerd:
“Opnieuw beloop besproken. Op dit moment vat weer open, wel sprake van vaatlijden
waarvoor medicatie doorgebruikt moet worden (bloedverdunners) en andere risicofactoren
zo goed mogelijk behandeld moeten worden dus stoppen met roken, cholesterolremmers,
bloeddruk behandelen en indien diabetes behandelen.
Pijnklachten die hij nu nog ervaart niet waarschijnlijk alleen van het hart gezien de vaten nog
open, mogelijk ook andere factoren zoals spieren / spieraanhechtingen die een rol erbij
spelen. Soms bijwerking ticagrelor benauwdheidsklachten, echter klachten van patiënt
passen hier niet bij en wel eerste keus behandeling voor nu. Indien klachten persisteren kan
in toekomst alternatieve bloedverdunner geprobeerd worden.
Hoofpijnklachten lijken ook niet met hart te maken te hebben dus advies dat via de huisarts

op te pakken.
Patiënt aangemeld voor hartrevalidatie voor opstarten traject en begeleiding met
informatievoorziening.
-Conclusie/samenvatting: instabiele AP obv gepasseerd stolsel RCA (…)”

3.9 In de maanden hierna heeft klager nog klachten van pijn op de borst, waarvoor hij
zich onder meer op de spoedeisende hulp meldt. Steeds is er een acuut probleem
uitgesloten. Op 7 september 2020 heeft verweerster met klager en zijn broer gesproken op
de poli over het ziektebeloop. Hierbij heeft klager onder meer aangegeven dat hij via zijn
huisarts een verwijzing heeft naar het E, locatie G.

3.10 Op 10 november 2020 heeft klager zich bij verweerster gemeld op het spreekuur,
waar hij aangeeft dat hij bij het G een CAG heeft ondergaan met “acetylcholine met spasme
als reactie”, zo staat vermeld in het medisch dossier. In de periode hierna heeft klager nog
af en toe contact met het ziekenhuis over zijn terugkerende pijnklachten en verweerster
heeft klager voor het laatst gezien op 27 juli 2021.


4. De klacht en de reactie van de cardioloog
4.1 Klager verwijt de cardioloog dat er een verkeerde diagnose is gesteld waar klager vijf
jaar lang onnodig medicijnen voor heeft geslikt.

4.2 De cardioloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de cardioloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende cardioloog. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de cardioloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder is de toets niet of de cardioloog met de kennis
en wetenschap van achteraf anders had moeten handelen. Het gaat erom of de cardioloog op
basis van wat zij ten tijde van het handelen waarover wordt geklaagd wist of had moeten
weten, heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende cardioloog
mag worden verwacht.

5.2 Het college oordeelt dat de cardioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.3 Het college hecht er aan om te benadrukken dat het oog heeft voor de angstige
situatie voor klager toen dat hij dacht (acute) hartproblemen te hebben. Uit het klaagschrift
volgt dat er kennelijk in 2025 een myocard perfusie scintigrafie is verricht in een ander
ziekenhuis, waar door klager de conclusie uit wordt getrokken dat er een foute diagnose is
gesteld, dat er bij hem nooit sprake is (geweest) van hartproblemen en dat hij dus vijf jaar
lang ten onrechte medicijnen daarvoor heeft gebruikt. Die conclusie is echter onjuist. De
uitslag van de scan van 19 mei 2025 geeft enkel aan dat er op dat moment geen sprake was
van zuurstofgebrek. Dit zegt niets over eerdere problemen met zijn hart- en bloedvaten. Het
college acht de uitslagen van het andere ziekenhuis uit 2025 bij de beoordeling van de klacht
niet relevant, nu deze niets zeggen over de wijze van handelen van de cardioloog en haar
collega en elke context van die bevindingen – met betrekking tot de klachten en de indicatie
- ontbreekt.

5.4 Op grond van het beschikbaar gestelde dossier stelt het college vast dat beide
cardiologen hebben gehandeld volgens de geldende cardiovasculaire richtlijnen. Immers, uit
het onderzoek is gebleken dat, zoals aan klager is uitgelegd door de collega van de
cardioloog op 28 mei 2020, sprake is geweest van een gepasseerd stolsel in de RCA waarbij
de overige coronairen wandonregelmatigheden liet zien. Dit in combinatie met de aanwezige
risicofactoren maakte dat medicamenteuze behandeling geïndiceerd was. Het college ziet
geen aanwijzingen op grond waarvan geconstateerd kan worden dat de cardioloog in strijd
heeft gehandeld met de zorg die van haar in de gegeven omstandigheden mocht worden
verwacht.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2026 door B. Vogel, voorzitter, S.A. Mollema en
E.A. Dubois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.