ECLI:NL:TGZRAMS:2026:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9133

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:14
Datum uitspraak: 13-01-2026
Datum publicatie: 13-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/9133
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. De voorzitter kan niet vaststellen dat de verpleegkundige betrokken was.

A2025/9133

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 13 januari 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C,
verpleegkundige,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam te Utrecht.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 11 augustus 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 6 oktober 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 16 oktober 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 27 november 2025;
- het verweerschrift.

2. De feiten
2.1 Op 16 december 2024 was klaagster ’s ochtends in het ziekenhuis voor een slaaponderzoek in dagbehandeling. Voorafgaand aan het onderzoek ontstond een discussie tussen klaagster en een verpleegkundige over het al dan niet uitdoen van haar oorbellen.

2.2 Na het onderzoek is over de oorbellen een discussie ontstaan tussen klaagster en een verpleegkundige genaamd D, verweerster in de zaak A2025/8906.

2.3 Vervolgens escaleerde de situatie toen de zoon van klaagster, die klaagster kwam ophalen, een vloeralarm dat op de balie stond naar verpleegkundige D gooide waarbij hij haar raakte.

2.4 Toen klaagster en haar zoon wegliepen en in de lift stapten, heeft een andere verpleegkundige, het avondhoofd, die het incident had gezien, haar voet tussen de liftdeur gehouden. Zij sprak klaagster en haar zoon aan. Hierbij zou de zoon van klaagster tegen het been van deze verpleegkundige hebben getrapt, maar klaagster stelt dat het enkel om een schijnbeweging ging. Vervolgens is de beveiliging ingeschakeld en is aangifte gedaan tegen de zoon van klaagster. De zoon van klaagster is in juli 2025 door de strafrechter veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren wegens mishandeling.

3. De klacht en de overwegingen
3.1 Klaagster richt de klacht tegen verpleegkundige D en ‘de hoofdverpleegkundige KNO heelkunde’. De klacht is als volgt verwoord in het klaagschrift:
1. Geen hulp (aan-)geboden toen patiënt dit meermaals vroeg;
2. Mijn persoonlijke spullen niet veilig opgeborgen in de kluis, stond open;
3. Had mij uit de lift moeten laten stappen, maar hield mij tegen mijn wil bewust vast in de lift, noem dit vrijheidsberoving!
4. Heeft zich racistisch uitgelaten in geschrift, door uitlatingen te doen in verslag.

3.2 De voorzitter moet eerst vaststellen of verweerster degene is die bij het incident
betrokken was. De secretaris heeft klaagster gevraagd om de naam van de betreffende
hoofdverpleegkundige op te vragen bij het ziekenhuis. Vervolgens heeft klaagster van het ziekenhuis de naam van verweerster gekregen.

3.3 Verweerster heeft daartegenin gebracht dat zij niet de juiste persoon is die wordt aangesproken. Zij is teammanager in het ziekenhuis en was niet betrokken bij het door klaagster beschreven incident op de betreffende afdeling. Zij heeft wel gehoord dat het incident zich heeft voorgedaan maar zij was daar niet op het moment van het incident en heeft geen enkele bemoeienis gehad met klaagster en/of haar zoon. Zij wordt kennelijk verward met iemand anders.

3.4 De voorzitter is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster bij het
beschreven incident betrokken was. Verweerster ontkent betrokken te zijn geweest en klaagster heeft ook geen naam genoemd in haar klaagschrift. Klaagster stelt dat een verpleegkundige haar voet tussen de liftdeur stak en dat later bleek dat dit de hoofdverpleegkundige was. Bij het ziekenhuis heeft zij nadat zij daarom vroeg de naam van de hoofdverpleegkundige van de afdeling E gekregen, maar het is ook mogelijk dat een andere verpleegkundige bij het incident betrokken was en er sprake is van een persoonsverwisseling. Volgens de verweerster in de zaak A2025/8906 ging het om het avondhoofd.

3.5 Nu niet kan worden vastgesteld dat verweerster bij het incident betrokken was, kan haar daarover ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is daarmee, bij een gebrek aan feitelijke grondslag, kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen.

4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.