ECLI:NL:TGZRAMS:2026:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8348

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:138
Datum uitspraak: 12-06-2026
Datum publicatie: 12-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/8348
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen tandarts. Klaagster had acute pijnklachten en heeft de tandarts gebeld. Zij verwijt de tandarts dat hij toen direct, zonder haar voorafgaande toestemming, een behandeling heeft ingepland en haar onprofessioneel heeft bejegend. Ook verwijt zij de tandarts dat hij haar vader heeft gebeld, waarmee hij haar autonomie en privacy als volwassen vrouw heeft geschonden. Dit laatste acht het college gegrond en tuchtrechtelijk verwijtbaar. De tandarts heeft zijn beroepsgeheim geschonden door als tandarts met de vader van een volwassen patiënt over haar gedrag te spreken. Het college vindt dit een ernstige miskenning van de professionele standaard en de autonomie van klaagster. Waarschuwing.

A2025/8348
Beslissing van 12 juni 2026


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing van 12 juni 2026 op de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen


C,
tandarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook te noemen: de tandarts,
gemachtigde: mr. D.J. van de Weerdt, werkzaam te Rotterdam.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is na een telefoongesprek op vrijdag 21 maart 2025 diezelfde dag langsgeweest bij de praktijk van de tandarts wegens haar acute pijnklachten. Klaagster verwijt de tandarts dat hij die dag zonder haar voorafgaande toestemming een behandeling heeft ingepland en dat hij haar onprofessioneel heeft bejegend. Ook verwijt zij de tandarts dat hij haar vader heeft gebeld waarmee hij haar privacy als volwassen vrouw heeft geschonden.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ten aanzien van het bellen naar de vader van klaagster gegrond is en dat de overige klachten ongegrond zijn. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 april 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 2 juli 2025;
- het proces-verbaal van het op 24 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- een aanvullend stuk van de zijde van klaagster, ontvangen op 8 juli 2025;
- een aanvullend stuk aan de zijde van de tandarts, ontvangen op 17 april 2026.

2.2 Aan partijen is de gelegenheid geboden om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft de tandarts met zijn gemachtigde gebruik gemaakt. Klaagster heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.3 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 1 mei 2026. Klaagster en de tandarts, met diens gemachtigde, zijn verschenen. Tijdens de zitting is een getuige, zijnde de vader van klaagster, gehoord. Ook is de procesmachtiging van de gemachtigde van de tandarts ter zitting overgelegd.


3. De klachten en de reactie van de tandarts
3.1 Klaagster verwijt de tandarts dat hij:
a) zonder voorafgaande toestemming van klaagster een behandeling heeft ingepland;
b) klaagster onprojessioneel heeft bejegend;
c) zijn beroepsgeheim heeft geschonden door het telefoongesprek met de vader van klaagster.

3.2. De tandarts heeft het college verzocht de klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de tandarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.3. Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
4.1 De tandarts stelt zich primair op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij voert hiertoe aan dat de gedragingen waarover wordt geklaagd — in het bijzonder de wijze waarop hij klaagster te woord heeft gestaan en het inplannen van een behandeling — buiten het toepassingsbereik van artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vallen, aangezien hij klaagster niet zelf heeft behandeld.

4.2 Het college volgt de tandarts niet in zijn standpunt. Een correcte en professionele bejegening van een patiënt vormt een integraal onderdeel van de professionele standaard die van een tandarts mag worden verwacht. De wijze waarop een tandarts communiceert over de planning en noodzaak van een behandeling en hoe de patiënt in de praktijk wordt bejegend, is onlosmakelijk verbonden met de zorgverlening aan de patiënt en valt daarmee binnen het toepassingsbereik van artikel 47 van de Wet BIG.

4.3 Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht. Het college zal de klachtonderdelen hierna inhoudelijk beoordelen.

De criteria voor de beoordeling
4.4 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een tandarts beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel a) het inplannen van een behandeling

4.5 Klaagster verwijt de tandarts dat hij, voorafgaand aan haar komst naar de praktijk, niet alleen een consult maar ook direct een behandeling heeft ingepland zonder haar toestemming, terwijl klaagster enkel de intentie had om een consult te laten verrichten en een evenutele behandeling bij haar eigen tandarts wilde laten plaatsvinden.

4.6 Het college stelt vast dat de tandarts telefonisch heeft gesproken met klaagster over haar pijnklachten. Op basis van de aard van deze klachten heeft de tandarts in de praktijkagenda extra ruimte gereserveerd dan wel afspraken verplaatst om naast een consult ook een eventuele noodzakelijke behandeling te kunnen laten uitvoeren door zijn collega.

4.7 Het college is van oordeel dat dit handelen van de tandarts juist getuigt van zorgvuldigheid. Door op basis van de pijnklachten van klaagster te anticipiceren op een mogelijke noodzakelijke behandeling, heeft de tandarts getracht de nodige zorg direct beschikbaar te stellen. Het reserveren van deze ruimte in de agenda verplicht bovendien op geen enkele wijze klaagster tot het ondergaan van de behandeling. Het schept enkel de logistieke mogelijkheid daartoe. Nu het enkel reserveren van tijd voor een eventuele behandeling geen inbreuk maakt op het recht van klaagster om al dan niet eerst geïnformeerd te worden over en toestemming te geven voor een behandeling valt de tandarts op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dit klachtonderdeel is gelet hierop ongegrond. Klachtonderdeel b) onprofessionele bejegening

4.8 Klaagster verwijt de tandarts dat hij zich in de praktijk onfatsoenlijk tegenover haar heeft gedragen en haar onprofessioneel heeft bejegend. De tandarts betwist dit en stelt dat er van zijn zijde geen sprake is geweest van onbehoorlijk gedrag.

4.9 Het college stelt vast dat de standpunten van partijen over de wijze waarop klaagster in de prakijk is bejegend uiteenlopen. Het college stelt ook vast dat er in het dossier geen steun kan worden gevonden voor de lezing van klaagster. Dat betekent dat het college de door klaagster gestelde feitelijke gang van zaken op basis van het dossier onvoldoende met zekerheid kan vaststellen. Dit berust niet op het oordeel dat het woord van de één minder geloofwaardig is dan dat van de ander, maar op de omstandigheid dat de feiten simpelweg niet objectief kunnen worden vastgesteld. Dat betekent dat ook niet kan worden vastgesteld dat de tandarts zich op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen.

4.10 Om die reden is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel c) schending beroepsgeheim
4.11 Klaagster verwijt de tandarts dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door na haar bezoek in de praktijk telefonisch contact op te nemen met haar vader. De tandarts erkent dat hij klaagsters vader heeft gebeld, maar voert aan dat hij zo handelde wegens zijn zorgen om klaagster en haar pijnklachten. Ook voert hij aan dat hij vanwege de langdurige behandelrelatie met de vader van klaagster en de veronderstelling dat klaagster nog bij haar vader woonde, meende dat dit de aangewezen weg was om klaagster te wijzen op de noodzaak van spoedeisende zorg bij verergering van haar klachten. Hieromtrent heeft hij ook intercollegiaal overleg gevoerd. Hij heeft uiteindelijk de vader van klaagster gebeld omdat klaagster niet bereikbaar was.

4.12 Het college stelt voorop dat het beroepsgeheim in de gezondheidszorg van groot belang is. Deze plicht geldt jegens meerderjarige patiënten, ongeacht hun woonomstandigheden of de band die de tandarts met de familieleden onderhoudt. Het uitgangspunt is dat informatie over de patiënt, de behandeling of het verloop van een consult niet met derden, waaronder ouders, gedeeld mag worden zonder expliciete toestemming van de patiënt zelf, tenzij sprake is van een concrete noodsituatie.

4.13 Het college stelt vast dat de tandarts, in zijn hoedanigheid van tandarts en naar aanleiding van het consult met klaagster, contact heeft opgenomen met de vader van klaagster. Het college gaat er, anders dan de tandarts heeft aangevoerd, niet van uit dat dit gesprek (uitsluitend) was ingegeven door de zorg die de tandarts had over de klachten van klaagster. De vader van klaagster heeft als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat de tandarts hem heeft gebeld wegens zorgen over klaagster. Wel kan de getuige zich herinneren dat de tandarts vooral klaagde over het gedrag van klaagster in de praktijk en dat hij een laatste waarschuwing heeft gegeven. Dit vindt steun in de notitie in het dossier waarin expliciet staat vermeld dat op 21 maart 2025 met de vader van klaagster is gesproken en dat de waarschuwing is gegeven dat dit het laatste voorval dient te zijn. Op grond van die omstandigheden gaat het college er dan ook vanuit dat de tandarts contact heeft opgenomen met klaagsters vader, om bij hem te klagen over haar gedrag als patiënte in zijn praktijk.

4.14 Het college is van oordeel dat het in hoedanigheid van tandarts contact opnemen met een familielid om te klagen over het gedrag van een volwassen patiënt tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Het feit dat de tandarts de vader reeds langere tijd als patiënt kende en de door de tandarts naar voren gebrachte (maar op geen enkele wijze onderbouwde) omstandigheid dat hij klaagster niet kon bereiken, ontslaat hem niet van zijn geheimhoudingsplicht jegens de vader klaagster. Voor een inbreuk op het beroepsgeheim kan in dit geval slechts een rechtvaardiging bestaan in het geval van een acute en concrete noodsituatie. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

4.15 Door buiten medeweten van klaagster, haar gedrag binnen de praktijk met haar vader te bespreken, heeft de tandarts dan ook gehandeld in strijd met de zorg die hij als tandarts behoort te betrachten. Het college acht dit handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar en is van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is. Slotsom

4.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a en b ongegrond zijn en klachtonderdeel c gegrond.

Maatregel
4.17 Gelet op voorgaande slotsom dient te worden beoordeeld of het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel geboden is en zo ja, welke.

4.18 Het college rekent het de tandarts aan dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden. Het beroepsgeheim dient ter bescherming van de privacy van de patiënt en is essentieel voor het vertrouwen in de gezondheidszorg. De tandarts heeft zijn beroepsgeheim geschonden door in zijn hoedanigheid van tandarts met de vader van een volwassen patiënt over haar gedrag te spreken. Dat de tandarts haar vader kende, doet aan de verwijtbaarheid van dit handelen op geen enkele wijze af. Het college vindt dit een ernstige miskenning van de professionele standaard en de autonomie van klaagster.

4.19 Het college is van oordeel dat de maatregel van een waarschuwing passend en geboden is.


5. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel c gegrond;
- legt de tandarts de maatregel van een waarschuwing op;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door A. van Maanen, voorzitter, K.M. Volker, lid-jurist, H.W. Luk, R.J. Overmars en B.D. Stibbe, leden-beroepsgenoot, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.