ECLI:NL:TGZRAMS:2026:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9244

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:136
Datum uitspraak: 04-06-2026
Datum publicatie: 04-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/9244
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een verpleegkundige. De klacht gaat over de overplaatsing van klager naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum en de oplegging van een zorgmachtiging. Naar het oordeel van de voorzitter is er sprake van objectieve, concrete en gemotiveerde zwaarwegende omstandigheden die aanleiding geven om de openbaarmaking van de persoonsgegevens van de verpleegkundige ook in het vervolg van de procedure te beperken. De voorzitter komt inhoudelijk tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

A2025/9244

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 4 juni 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
verblijvende in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) B, klager,
gemachtigde: mr. D.L. Vlielander, werkzaam in Utrecht,

tegen

C,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige, gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 
‘s-Hertogenbosch op 17 juli 2025;
-  het aanvullend klaagschrift met de bijlagen;
-  de brief van de gemachtigde van klager, binnengekomen op 23 december 2025, met als bijlage een 
mailwisseling met de Penitentiaire Inrichting (PI) D, locatie E,
-  het verweerschrift met de bijlagen.

2. Waar gaat de zaak over?

2.1   Klager heeft een klacht ingediend tegen de verpleegkundige die (destijds) werkzaam was als 
zorgcoördinator van de PI waar klager verbleef. De klacht gaat – verkort en zakelijk weergegeven – 
over de overplaatsing van klager naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) in F en de 
oplegging van een zorgmachtiging. Volgens klager heeft de verpleegkundige gebruik gemaakt van 
verouderde informatie die aan derden is verstrekt. Hierdoor is klager volgens hem onterecht in een 
PPC geplaatst en is zijn privacy geschonden.

2.2  De verpleegkundige heeft zich op het standpunt gesteld dat de klacht in alle onderdelen moet worden afgewezen. Hiertoe is aangevoerd dat verweerster geen gebruik heeft gemaakt van verouderde informatie, dat het verstrekken van informatie over klager gebaseerd is op de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en noodzakelijk was voor de beoordeling voor de afgifte van een zorgmachtiging en dat zij verder niet betrokken is geweest bij de beoordeling of 
toekenning van de zorgmachtiging. Na het aanleveren van het aanmeldformulier in verband met de aanvraag van de zorgmachtiging is verweerster niet meer betrokken geweest, ook niet bij de indicatiestelling voor de plaatsing in een PPC.

3. De overwegingen

3.1   De voorzitter overweegt in de eerste plaats het volgende. Door de gemachtigde van de 
verpleegkundige zijn de persoonsgegevens van de verpleegkundige verstrekt, maar is verzocht om in 
de voorfase van het onderzoek aan klager geen verdere persoonsgegevens te verstrekken van de 
zorgverlener dan haar voornaam. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg ‘s-Hertogenbosch 
heeft dit verzoek ingewilligd. Over het vervolg van de procedure overweegt de voorzitter het 
volgende. Uit de stukken blijkt dat er bij klager door zijn ziektebeeld sprake is van wanen en dat 
hij daarbij bij vlagen gepreoccupeerd is met de verpleegkundige. Hierbij is ook acht geslagen op 
het strafblad van klager met daarop de vermelding van ernstige geweldsdelicten. Naar het oordeel 
van de voorzitter doet zich hiermee een situatie voor zoals omschreven in de beslissing van 24 
maart 2026 ECLI:NL:TGZRAMS:2026:79 en is er sprake van objectieve, concrete en gemotiveerde 
zwaarwegende omstandigheden die aanleiding geven om de openbaarmaking van de persoonsgegevens van 
de verpleegkundige ook in het vervolg van de procedure te beperken.

3.2   De voorzitter komt inhoudelijk tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat 
duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het 
volgende van belang.

3.3   Door de verpleegkundige wordt weersproken dat haar iets te verwijten valt ten aanzien van het 
verstrekken van de informatie aan derden over klager. Klager heeft de verwijten niet concreet 
toegelicht of onderbouwd. De voorzitter overweegt dat er in het dossier geen aanknopingspunten te 
vinden zijn voor het handelen dat klager de verpleegkundige verwijt of dat zij inhoudelijk 
betrokken is geweest bij de afgifte van de zorgmachtiging en de overplaatsing van klager naar het 
PPC, anders dan het aanleveren van informatie over klager. Dat de verpleegkundige jegens klager 
nalatig is geweest kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. De voorzitter is daarom 
van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

4. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 4 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.