ECLI:NL:TGZRAMS:2026:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8936
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:135 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-06-2026 |
| Datum publicatie: | 09-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8936 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klagers hebben een klacht ingediend in verband met de behandeling van hun moeder voorafgaand aan haar overlijden. Het college overweegt dat de huisarts de geldende protocollen ten aanzien van de palliatieve sedatie op een juiste wijze heeft doorlopen. Op medisch gebied heeft de huisarts dan ook de juiste zorg geleverd. Het college overweegt dat de communicatie met klagers en patiënte rondom het verloop van een palliatieve sedatie en hoe zich dat verhoudt ten aanzien van het verloop van een euthanasie wellicht beter had gekund. Daarbij had de huisarts eerder en helderder kunnen communiceren over haar persoonlijke bezwaren tegen euthanasie, omdat dit had kunnen bijdragen aan een beter verwachtingsmanagement voor patiënte en haar familie. Het college is echter van mening dat het handelen van de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8936
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 9 juni 2026 op de klacht van:
A en B,
wonende in C, respectievelijk D (E), klagers,
tegen
F,
huisarts,
werkzaam in C,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klagers zijn de kinderen van wijlen G, hierna ‘patiënte’. Zij is op 24 januari
2025
overleden. Klagers hebben een klacht ingediend in verband met de behandeling van
hun moeder
voorafgaand aan haar overlijden. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de
huisarts niet de
zorg heeft geleverd aan patiënte die verwacht mocht worden, door – samengevat –
patiënte en klagers
niet goed in te lichten over het verloop van de palliatieve sedatie en niet te luisteren
naar de
wens van patiënte voor euthanasie, dan wel niet te luisteren naar de zorgen van
klagers over dat
patiënte in de laatste fase van haar leven veel pijn had.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2025;
- de aanvullende klaagschriften, ontvangen op 15 oktober en 7 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 15 januari 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De huisarts was langere tijd betrokken bij de zorg van patiënte. Vanaf eind
2021-begin 2022
verbleef patiënte in verzorgingstehuis “H”. De huisarts heeft voor het eerst contact
gehad met
klagers in januari 2025.
3.2 Medio december 2024 kreeg patiënte een longontsteking. Op 27 december 2024 noteert
de
huisarts in het medisch dossier (alle citaten letterlijk weergegeven – inclusief
typefouten – en
voor zover van belang):
“H belt op spoed: mw. voelt zich al wkn niet lekker, klachten verergeren. Pijn onder
schouders. In
vlagen warm/koud. Zweten+duizelig+. preutelende ademhaling. Kramp in armen/handen.
Licht in het
hoofd. Bleek+. Tensie: 138/72 Sat: 98% Pols: 89 temp. 56,5gr. KB: patiente vertelt
enorme kramp op
de borst te hebben gehad, met benauwdheid, niet bang om dood te gaan, maar wel om
te stikken. Heeft
haar familie gebeld.”
3.3 In het bijzijn van familieleden van patiënte heeft de huisarts op 9 januari
2025 met patiënte
gesproken over het levenseinde, waarbij er volgens het medisch dossier is gesproken
over euthanasie
en palliatieve sedatie.
3.4 Op 14 januari 2025 noteerde de huisarts in het medisch dossier:
“S (…)
Wil opnieuw een gesprek over palliatieve sedatie: wil dat nu. Ook Levenseindekliniek
aanvraag
gedaan: duurt 6 maanden
Patiente zou haar medicatie willen staken, ,om de de levensduur naar < 2 weken te
krijgen, aldus
familie
O In de stoel, bleek, kortademig, is afgevallen (nu 43 kg, was 47 kg in oktober).
Familie is aanwezig, legt druk op mij. ‘Anders gaan we naar een andere huisarts,
I, die loop hier
ook rond.’
E Hartfalen, EF 20%, co specialist/HF poli
P Euthanasie doe ik niet niet deze situatie, dat is nee tenzij, waarbij een maligniteit
aanwezig
moet zijn. Palliatieve sedatie wil ik overwegen bij stoppen medicatie. Ik overleg
met een collega.
(…)”
3.5 Op 17 januari en 20 januari 2025 wordt er volgens het medisch dossier opnieuw
met patiënte en
de familie gesproken over euthanasie en palliatieve sedatie. Op 21 januari 2025
wordt er
uiteindelijk gestart met de palliatieve sedatie.
3.6 Op 22, 23 en 24 januari 2025 melden de familieleden van patiënte dat zij nog
wakker is
geworden, onrustig is en pijn lijkt te lijden. Op 24 januari 2025 is patiënte overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts – naar het college begrijpt - dat zij:
a) hun moeder heeft misleid;
b) het medisch dossier van hun moeder niet heeft doorgestuurd naar het Expertisecentrum
Euthanasie
(hierna: Expertisecentrum);
c) geen overleg heeft gehad met een andere arts over de euthanasie;
d) niet heeft geluisterd naar de familie van moeder over dat zij zich oncomfortabel
voelde;
e) klagers niet heeft meegenomen in het overleg over de toe te dienen medicatie
aan de moeder;
f) de familie van moeder heeft doorgestuurd naar de huisartsenpraktijk en zelf niet
bereikbaar was.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt.
5.2 Verder benoemt het college dat bij uiteenlopende standpunten over een gebeurtenis
het college
uitgaat van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd, tenzij er aanwijzingen
zijn dat wat in het
dossier staat niet juist is.
5.3 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en
overweegt daartoe als volgt.
Klachtonderdelen a), b), c) en d)
5.4 Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken. In het klaagschrift
en tijdens
het mondeling vooronderzoek is door klagers toegelicht dat zij vinden dat de huisarts
de wens van
patiënte voor euthanasie niet heeft gerespecteerd. Zo heeft de huisarts de gegevens
van patiënte
niet doorgestuurd naar het Expertisecentrum. Klagers verwijten de huisarts ook,
mede gelet op haar
persoonlijke terughoudendheid bij euthanasie, dat zij geen contact heeft opgenomen
met een andere arts. Toen er werd gesproken over de mogelijkheid van palliatieve sedatie
heeft de huisarts aan patiënte beloofd dat zij geen pijn meer zou hebben en niets
zou merken van de diepe slaap waarin zij terecht zou komen.
Toen de palliatieve sedatie is gestart, werd patiënte echter wel wakker en hebben
klagers gezien
dat zij oncomfortabel was. Klagers voelden zich misleid door de belofte van de huisarts,
omdat de
palliatieve sedatie niet verliep zoals de huisarts hen had toegezegd en patiënte
van het feitelijke
beloop hinder moet hebben ondervonden.
5.5 Op basis van het dossier en het mondeling vooronderzoek maakt het college op
dat klagers
andere verwachtingen hadden van de laatste fase van het leven van patiënte. Bij
patiënte was er een
voorkeur voor euthanasie. De huisarts heeft toen aangegeven dat zij in deze situatie
geen
euthanasie zal faciliteren. Daarnaast werd duidelijk dat, mede gelet op de lichamelijke
conditie
van patiënte, de wachttijd bij het Expertisecentrum te lang was. Op
21 januari 2025 heeft patiënte zelf aangegeven zo snel mogelijk te willen starten
met palliatieve
sedatie.
5.6 Dat de huisarts verwijtbaar de gegevens niet heeft doorgestuurd aan het Expertisecentrum
is
naar het oordeel van het college echter niet gebleken. Door de huisarts is toegelicht
dat zij
gezamenlijk met klagers en patiënte tot de conclusie is gekomen dat het geen zin
had om het
Expertisecentrum nog in te schakelen, omdat de wachtlijsten te lang waren (zes maanden
wachttijd).
Onder die omstandigheden was de persoonlijke opvatting van de huisarts over euthanasie
niet
relevant. Patiënte heeft bovendien niet zelf aan de huisarts gevraagd om door een
andere arts
gezien te worden en patiënte was op dat moment nog goed in staat om haar eigen belangen
te
behartigen. Het college oordeel dat de huisarts daar dan ook niet tekort in is geschoten.
Deze
klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.
5.7 Voorts overweegt het college dat de huisarts de geldende protocollen ten aanzien
van de
palliatieve sedatie op een juiste wijze heeft doorlopen. Op medisch gebied heeft
de huisarts dan
ook de juiste zorg geleverd. Naast het leveren van de juiste medische zorg, heeft
de huisarts ook
een belangrijke taak in het begeleiden van patiënte en familie. Het college constateert
dat er door
klagers meerdere malen is geklaagd over het verloop van de palliatieve sedatie en
dat zij daar
andere verwachtingen van hadden. De huisarts heeft deze zorgen van de familie ook
meermaals in het
medisch dossier genoteerd. Het college overweegt dat de communicatie met klagers
en patiënte rondom
het verloop van een palliatieve sedatie en hoe zich dat verhoudt ten aanzien van
het verloop van
een euthanasie wellicht beter had gekund. Daarbij had de huisarts eerder en helderder
kunnen
communiceren over haar persoonlijke bezwaren tegen euthanasie, omdat dit had kunnen
bijdragen aan
een beter verwachtingsmanagement voor patiënte en haar familie. Het college is echter
van mening
dat het handelen van de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Hoewel de
huisarts in haar
communicatie vooraf tekort is geschoten, ziet het college wel dat zij gedurende
het toedienen van
de palliatieve sedatie goed naar de familie heeft geluisterd en iedere keer actie
heeft ondernomen
wanneer de familie contact met haar zocht. Alles afwegende oordeelt het college
dat de huisarts heeft gehandeld als een redelijk bekwaam arts en haar geen tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) gesprek op de gang
5.8 Over de situatie dat klagers niet zouden zijn meegenomen in het ophogen van
de medicatie en
dat hierover op de gang is gesproken buiten hun aanwezigheid, overweegt het college
dat door de
huisarts op een inzichtelijke wijze is toegelicht hoe zij met haar collega’s op
de gang de laatste
medische instructies heeft doorgenomen. Aan het bed van patiënte is benoemd dat
de medicatie zou
worden opgehoogd en later op de gang zijn de medische details verder besproken.
Het college
oordeelt dat deze gang van zaken gebruikelijk is en dat dan ook niet is gebleken
dat er bepaalde
beslissingen op de gang zijn genomen waar klagers buiten zijn gehouden. Ook dit
klachtonderdeel is
daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) contact met de huisartsenpost
5.9 Over dit klachtonderdeel oordeelt het college dat het gebruikelijk is dat
de huisarts niet op
alle tijden van de dag bereikbaar is voor haar patiënten en dat in die gevallen
contact opgenomen
kan worden met de huisartsenpost. De huisarts heeft daartoe ook een adequate overdracht
geschreven
voor de huisartsenpost, zodat de medewerkers op de huisartsenpost op de hoogte waren
van de
situatie van patiënte. Ook dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 9 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J.C. van der Molen en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M.
Hanssen,
secretaris.