ECLI:NL:TGZRAMS:2026:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8842

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:134
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/8842
Onderwerp:
  • Geen of onvoldoende zorg
  • Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is van mening dat de huisarts in de behandelrelatie structureel grensoverschrijdend, nalatig en psychisch schadelijk heeft gehandeld en dat het niet mogelijk was om dit bij de huisarts aan te kaarten. Het college overweegt dat de vragen van de huisarts vragen zijn die op grond van de NHG Standaard Depressie/module suïcidaliteit relevant zijn om een inschatting van het gevaar te kunnen maken. Het college gaat er dan ook vanuit dat de opmerkingen van de huisarts zijn gemaakt in die context, en niet in de betekenis die klaagster aan die woorden heeft gegeven. Omdat er verder twee verschillende lezingen zijn en onderbouwing ontbreekt, kan het college niet vaststellen wat er precies is gezegd. Van bagatellisering van de situatie van klaagster door de huisarts is het college niet gebleken. Alles afwegende komt het college tot de conclusie dat de huisarts correct en adequaat heeft gehandeld in een situatie die uitermate complex is. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.

A2025/8842

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 9 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
huisarts,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. M. Verstegen, werkzaam in Leusden.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster, geboren in 1998, kampt al jarenlang met posttraumatische stressstoornis (PTSS) wat 
in 2022 ernstig was verslechterd. Zij was hiervoor onder behandeling in de geestelijke 
gezondheidszorg. Van 2023 tot 2025 was verweerster de huisarts van klaagster. Klaagster is van 
mening dat de huisarts in die behandelrelatie structureel grensoverschrijdend, nalatig en psychisch 
schadelijk heeft gehandeld en dat het niet mogelijk was om dit bij de huisarts aan te kaarten. De 
huisarts heeft het college verzocht om de klacht ongegrond te verklaren.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 juli 2025;
-  een aanvullend stuk van klaagster, ontvangen op 20 augustus 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  een aanvullend bewijsstuk van (de gemachtigde van) de huisarts, ontvangen op 21 oktober 2025;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;

-  het aanvullend verweerschrift met bijlage;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 5 februari 2026, waarbij alleen 
de huisarts aanwezig was.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

2.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

3. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
3.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

3.2   Voorafgaand aan de inhoudelijk beoordeling overweegt het college het volgende. Klaagster gaat 
door een zeer zware periode in haar leven. Uit de stukken blijkt dat klaagster al jarenlang kampt 
met PTSS en dat haar aandoening in 2022 ernstig is verslechterd. Klaagster is daardoor psychisch en 
lichamelijk ernstig ontregeld en verblijft voornamelijk thuis. Het college vindt het erg dat dit 
klaagster op nog jonge leeftijd overkomt.

3.3   Volgens klaagster heeft het handelen van de huisarts een aanzienlijke impact gehad op 
klaagsters stabiliteit. Het college heeft gezien dat de tuchtklachtprocedure de huisarts heeft 
aangegrepen. Bij het mondeling vooronderzoek heeft de huisarts gezegd dat zij na ontvangst van de 
tuchtklacht twee maanden niet heeft gewerkt om tot rust te komen en dat zij nu in meerdere 
praktijken als waarnemer werkt.

3.4   De kern van de klacht is dat de huisarts volgens klaagster meerdere opmerkingen zou hebben 
gemaakt waarvan klaagster meent dat die haar problematiek ontkennen. Daarnaast verwijt klaagster de 
huisarts dat zij haar niet de aandacht en ondersteuning heeft gegeven die haar toekwam, dat er geen 
gesprekken zijn gevoerd nadat klaagster had aangegeven dat het contact met de huisarts haar ernstig 
had geschaad, dat de huisarts een verwijzing naar D ondanks een toezegging niet heeft verzonden en 
dat de dossiervorming in haar zaak tekortschiet. Tot slot noemt klaagster diverse richtlijnen 
waaraan de huisarts zich niet zou hebben gehouden.

3.5  De klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.6   Klaagster heeft de huisarts in augustus 2024 gebeld en gezegd dat ze in een ernstige crisis 
verkeerde, waarop de huisarts volgens klaagster zou hebben gereageerd met de woorden “maar je hebt geen touw gekocht? Bel maar als je echt rare dingen gaat doen”. Bij een ander consult eind 2023 zou de huisarts tegen klaagster hebben gezegd “als ik je zo zie denk ik dat het wel beter gaat”, terwijl klaagster om het consult had gevraagd omdat het slechter ging.

3.7   In feite meent klaagster dat haar situatie door de huisarts is gebagatelliseerd. Het college 
is dit niet met klaagster eens. Over de hierboven genoemde citaten heeft de huisarts verklaard dat 
zij bij patiënten met de problematiek van klaagster altijd een aantal vragen stelt om duidelijkheid 
te krijgen over de concreetheid van de dreiging en dat een van die vragen is of een patiënt al 
concrete voorbereidingshandelingen heeft verricht, bijvoorbeeld het kopen van touw. Het college 
overweegt dat dit vragen zijn die op grond van de Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) Standaard 
Depressie/module suïcidaliteit relevant zijn om een inschatting van het gevaar te kunnen maken. Het 
college gaat er dan ook vanuit dat de opmerkingen van de huisarts zijn gemaakt in die context, en 
niet in de betekenis die klaagster aan die woorden heeft gegeven. Over het consult van eind 2023 
heeft de huisarts opgemerkt dat zij de door klaagster geciteerde opmerking niet kan plaatsen, omdat 
zij juist in het dossier had genoteerd dat het slechter ging met klaagster. Omdat er op dit vlak 
twee verschillende lezingen zijn en verdere onderbouwing ontbreekt, kan het college niet 
vaststellen wat er precies is gezegd. Van bagatellisering van de situatie van klaagster door de 
huisarts is het college niet gebleken.

3.8   De opmerking van klaagster dat zij van de huisarts te weinig aandacht en ondersteuning heeft 
gekregen kan het college niet onderschrijven. Het staat wel vast dat de problematiek van klaagster 
ernstig en complex is. Het was dus in de eerste plaats belangrijk dat er voor klaagster goede zorg 
zou zijn vanuit de GGZ en klaagster was ook daadwerkelijk onder psychologische behandeling, die al 
liep toen de contacten tussen klaagster en de huisarts in juli 2023 startten. Daarnaast is 
klaagster diverse malen naar expertisecentra verwezen voor intensieve behandelingen. Klaagster 
heeft de klinische behandelingen echter steeds voortijdig beëindigd.

3.9   De huisarts heeft gezegd dat zij, nadat zij in het voorjaar van 2024 signalen kreeg dat de 
GGZ behandeling mogelijk niet optimaal verliep, veel moeite heeft gedaan om contact te krijgen met 
een van de behandelend psychologen. Naar haar zeggen heeft dat geleid tot slechts één 
telefoongesprek, waarin de behandelend psycholoog aangaf dat de behandeling niet veel vooruitgang 
boekte. Uit het gesprek heeft de huisarts niet geconcludeerd dat zijzelf nog andere acties moest 
ondernemen, behalve dat klaagster de huisarts altijd zou moeten kunnen bellen, ook voor medicatie. 
Door de behandelend psychologen zelf is nimmer contact opgenomen met de huisarts.

3.10  In die zin bevreemden de twee brieven van de behandelend psychologen die klaagster in het 
geding heeft gebracht. Nog afgezien van het feit dat beide verklaringen lijken te zijn afgegeven in 
het kader van deze tuchtklacht en de psychologen daarin niettemin, in strijd met de richtlijnen van 
het Nederlands Instituut van Psychologen, verklaringen afleggen over de toestand van klaagster, acht het college het opmerkelijk dat zij over de zorgen die zij noemen in hun verklaringen geen contact met de huisarts hebben opgenomen, maar nu wel deze verklaring naar buiten brengen.

3.11  Naar het oordeel van het college heeft de huisarts voor klaagster, ondanks dat er intensieve 
begeleiding was vanuit de GGZ, steeds de mogelijkheid geboden om contact op te nemen. Dat dit 
vervolgens ook zeer regelmatig is gebeurd wordt ondersteund door het dossier, waaruit blijkt dat er 
in de voor deze zaak relevante periode vele contacten zijn geweest tussen de huisarts en klaagster.

3.12  Op verzoek van klaagster is de behandelrelatie tussen haar en de huisarts in juli 2025 
verbroken. Klaagster verwijt de huisarts dat zij geen opvolging heeft gegeven aan haar signalen dat 
de contacten met de huisarts haar ernstig hadden geschaad, behalve de mededeling “rot dat het zo is 
overgekomen”. De huisarts heeft over dit laatste gezegd dat deze melding niet afkomstig was van 
haar maar van anderen van de huisartspraktijk. Dit wordt bevestigd in het dossier. De huisarts kan 
voor deze opmerking, wat daarvan ook zij, niet verantwoordelijk worden gehouden. Dat de huisarts 
zelf geen opvolging heeft gegeven aan de signalen van beschadiging van klaagster is voor het 
college begrijpelijk, omdat klaagster zelf te kennen had gegeven dat zij geen contact meer wilde.

3.13  Dat de huisarts klaagster in juli 2025, na het verbreken van de behandelrelatie, toch nog een 
keer gesproken heeft, komt omdat de huisartsenzorg was overgegaan naar een andere huisarts in de 
praktijk, die niet altijd aanwezig was, waardoor het gesprek met klaagster toch nog een keer moest 
plaatsvinden met de huisarts. Het college vindt dit begrijpelijk.

3.14  Over de aanmelding bij D heeft de huisarts verklaard dat zij zich heeft ingespannen om deze 
aanmelding in te dienen, maar dat zij daarvoor informatie nodig had van de behandelend psychiaters 
van klaagster en het haar pas in november 2023 lukte om die informatie te krijgen. De 
regiebehandelaar van klaagster heeft vervolgens toegezegd om de behandeling af te ronden. Het 
college volgt deze visie van de huisarts, aangezien het dossier van klaagster die lezing 
ondersteunt.

3.15  Dat de huisarts in strijd heeft gehandeld met de richtlijnen die zijn genoemd door klaagster 
is het college niet gebleken.

3.16  Alles afwegende komt het college tot de conclusie dat de huisarts correct en adequaat heeft 
gehandeld in een situatie die uitermate complex is.

Slotsom

3.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

4. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 9 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J.C. van der Molen en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen,
secretaris.