ECLI:NL:TGZRAMS:2026:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8753

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:132
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/8753
Onderwerp:
  • Geen of onvoldoende zorg
  • Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft een klacht ingediend naar aanleiding van de visite van 4 april 2023 van de huisarts bij haar op 16 april 2023 overleden vader. Verweerster was niet de eigen huisarts van de patiënt. Tegen de eigen huisarts van de patiënt is door klaagster ook een klacht ingediend (zaaknummer A2025/8754). Het college oordeelt dat de huisarts adequaat heeft gehandeld toen zij op 4 april 2023, na de zorgwekkende waarnemingen van de familie, meteen naar de patiënt is toegegaan. Dat de huisarts de geuite zorgen en wensen van de familie van patiënt niet serieus heeft genomen is volgens het college dan ook niet gebleken. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.

A2025/8753

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 9 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
huisarts,
destijds werkzaam in D, verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. K. Zeylmaker, werkzaam in Leusden.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is de dochter van wijlen E, hierna ‘patiënt’. Klaagster heeft een klacht ingediend 
naar aanleiding van de visite van 4 april 2023 van de huisarts bij haar vader. Verweerster was niet 
de eigen huisarts van de patiënt. Tegen de eigen huisarts van de patiënt is door klaagster ook een 
klacht ingediend (zaaknummer A2025/8754). Klaagster verwijt verweerster - onder andere - dat zij de 
zorgen van de familie van patiënt op die dag niet serieus heeft genomen, de ernst van de situatie 
niet goed heeft ingeschat en niet goed met de familie heeft gecommuniceerd over haar diagnose en de 
vervolgstappen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 juli 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 12 januari 2026, met als 
bijlagen het oordeel van de klachtenonderzoekscommissie van het F en de reactie
van de (gemachtigde van) verweerster.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1   In maart en april 2023 is de waarnemend huisarts (verweerster) vier keer op visite geweest 
bij de patiënt. Deze consulten hebben plaatsgevonden op 14, 16 en 21 maart 2023 en het laatste 
consult heeft plaatsgevonden op 4 april 2023. In deze periode was patiënt onder andere bekend met 
hartfalen, klachten van vermoeidheid, een lage lichaamstemperatuur (rond 34 graden) en 
longproblemen. De patiënt was ook onder behandeling van een cardioloog en een internist.

3.2   Op 4 april 2023 werd er door klaagster gebeld met de huisartsenpraktijk van de huisarts en 
heeft zij klachten gemeld van extreme vermoeidheid, benauwdheid, spreken met dubbele tong en het 
niet meer op eigen benen kunnen staan. De huisarts is die dag meteen langsgegaan bij de patiënt. De 
huisarts noteerde daarover in het medisch dossier (alle citaten letterlijk weergegeven – inclusief 
typefouten – en voor zover van belang):
“S   Visite want zou helemaal niet goed gaan; erg benauwd en kon gisteren niet zelf naar bed komen 
vanwege krachtsverlies in zijn benen. Zou ook met dubbele tong spreken. Pt; Geeft aan dat hij erg 
moe is, heeft wel goed geslapen vannacht. Niet echt benauwd. Heeft het tevens erg koud. Heeft zich 
gewogen en weeg 110 kg. Krijgt morgen furosemide infuus in F. Heeft nog geen afspraak internist 
staan. Lopen kost veel kracht, wordt hij moe van.
O   Zittend op de stoel. Goed te verstaan; geen dyastre of afasie.
Goede kracht in beide armen en benen. Barre zakt niet uit en topneusproef ongestoord.
RR 120/80 p51 t: low (eerdere visites ook steeds 34 graden.) Sat 99% Pulm Rechts basaal crepitaties 
cf Cor S1S2S
E   vermoeidheid
P    - Voor nu normale controles en geen acute pathologie. Analyse vermoeidheid loopt volgens onze 
gegevens (zal nog een berichtje sturen naar Z). Dit gaat helaas niet binnen 1 da. Nu geen extra 
thuiszorg nodig. Kinderen gaan dit oppakken.”

3.3   Op 7 april 2023 heeft de zus van klaagster telefonisch contact gehad met de eigen huisarts 
van de patiënt. De eigen huisarts noteerde daarover in het medisch dossier:
“S   Dochter G vindt dat hij achteruit gaat, weet niet goed hoe nu verder. Gaat achteruit in 
afgelopen 3 weken betreft geheugen. Lijkt verward. Vergeet steeds meer dingen en lijkt me een dikke 
tong te praten (zie ook visite van C dinsdag)
O   komt moeizaam stoel uit Heeft H thuiszorg 2x/dag
E   Decompensatio cordis
P   di visite gepland

Advies aan dochter: vragen bij H of zorg uitgebreid kan worden”

3.4   Op 9 april 2023 is de patiënt via de huisartsenpost naar het ziekenhuis gebracht. Op 16 april 
2023 is de patiënt overleden.

4. De klacht en de reactie van de huisarts

4.1  Klaagster verwijt de huisarts – naar het college begrijpt – dat zij:
a) de geuite zorgen en wensen niet serieus heeft genomen en hieraan voorbij is gegaan;
b) de ernst van de situatie niet goed heeft ingeschat;
c) actiever op zoek had moeten gaan naar de oorzaak van het delier;
d) niet heeft gecommuniceerd wat haar diagnose was en haar overwegingen over mogelijke 
vervolgstappen met betrekking tot het onderzoek niet heeft besproken, zodat er geen sprake was van 
shared decision making.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder 
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun 
eigen handelen.

5.2   Tijdens het mondeling vooronderzoek is naar voren gekomen dat de klacht met name betrekking 
heeft op het consult van 4 april 2023. Klaagster heeft toegelicht dat de familie van de patiënt die 
dag geschrokken is van de gezondheidssituatie van patiënt. Zij hebben hun zorgen over de ‘knik’ in 
zijn gezondheid geuit bij de huisarts en hadden verwacht dat de huisarts patiënt zou doorsturen 
naar het ziekenhuis. Na het consult heeft de huisarts volgens klaagster geen instructies gegeven 
aan de familie bij welke signalen zij weer contact op moesten nemen. Klaagster heeft daaraan 
toegevoegd dat er door de huisarts ook niet is gecommuniceerd welke diagnose zij stelde en wat de 
vervolgstappen waren.

5.3   De huisarts heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in de periode maart en april 2023 een 
betrokken (waarnemend) huisarts is geweest voor patiënt en de klachten van patiënt en zijn familie 
altijd serieus heeft genomen. Zij heeft toegelicht dat zij tijdens de visite van 4 april 2023 de 
patiënt heeft onderzocht en dat zij bij hem een broze gezondheid vaststelde die weliswaar steeds 
verder achteruitging, maar dat er op dat moment geen acute signalen waren voor een 
ziekenhuisopname.

5.4  Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en 
overweegt het volgende.

5.5   Het college snapt het verdriet dat klaagster heeft over het verlies van haar vader. Uit het 
dossier en het mondeling vooronderzoek is gebleken dat de vader van klaagster op leeftijd was en al 
langere tijd een zwakke gezondheid had die steeds verder achteruitging. Achteraf gezien staat vast 
dat, verdrietig genoeg, er rekening mee gehouden moest worden dat hij op korte termijn zou kunnen 
overlijden.

Klachtonderdelen a), b) en d)
5.6   Deze klachtonderdelen, kort gezegd over de inschatting van de situatie en de communicatie 
daarover met de patiënt en met klaagster, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Anders dan 
klaagster, kan het college een ‘knik’ in de verslechtering van het toestandsbeeld van patiënt niet 
in de medische gegevens terugvinden. De huisarts heeft de patiënt op meerdere momenten gezien in 
maart en april 2023 en is op die manier actief betrokken geweest bij de ontwikkelingen in zijn 
gezondheid. Het college oordeelt dat de huisarts adequaat heeft gehandeld toen zij op 4 april 2023, 
na de zorgwekkende waarnemingen van de familie, meteen naar de patiënt is toegegaan. Dat de 
huisarts de geuite zorgen en wensen van de familie van patiënt niet serieus heeft genomen is 
volgens het college dan ook niet gebleken. Met de huisarts is het college van oordeel dat er uit 
dat onderzoek geen acute reden naar voren kwam om de patiënt meteen door te sturen naar het 
ziekenhuis. Bovendien zou de patiënt de dag daarna zelf naar het ziekenhuis gaan, omdat hij daar 
een furosemide infuus toegediend zou krijgen.

5.7   Omdat de aard van de klachten op dat moment nog steeds hetzelfde was en de huisarts 
concludeerde dat er geen neurologisch probleem aan ten grondslag lag, acht het college het 
begrijpelijk dat de huisarts geen nieuwe of andere diagnose aan de familie heeft kunnen meedelen en 
zij ook geen nieuw vervolgonderzoek heeft ingesteld. In het medisch dossier is herhaaldelijk te 
lezen dat de huisarts de familie heeft ingelicht over wanneer zij opnieuw contact moesten opnemen 
met de huisarts. Over de te nemen vervolgstappen overweegt het college dat de huisarts een nieuwe 
visite had ingepland voor 11 april 2023 en daarnaast had de familie ook veel contact gehad met de 
afdeling cardiologie in het ziekenhuis. Dat de huisarts tekort zou zijn geschoten in de 
vervolgstappen is het college niet gebleken. Het college komt daarom tot de conclusie dat de 
huisarts voor klachtonderdelen a), b) en d) geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en zal 
deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel c)
5.8   Over klachtonderdeel c), inhoudende dat de huisarts actiever op zoek had moeten gaan naar de 
oorzaak van het delier, overweegt het college dat uit het medisch dossier niet is gebleken dat bij 
de patiënt is vastgesteld dat hij een delier heeft gehad. Naar het college begrijpt is dit aan de 
familie van patiënt verteld toen hij werd opgenomen in het ziekenhuis.

Gelet op het ontbreken van medische stukken omtrent het vermoeden van een delier kan het college 
niet vaststellen dat de patiënt daadwerkelijk een delier heeft gehad. Het college komt daarom niet 
toe aan de beoordeling of de huisarts hierover een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit 
klachtonderdeel c is daarom ook kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 9 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J.C. van der Molen en J.W. Sollie, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen,
secretaris.