ECLI:NL:TGZRAMS:2026:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2024/7629
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:131 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-06-2026 |
| Datum publicatie: | 05-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2024/7629 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een jeugdarts. De school van klager heeft de Jeugdgezondheidzorg (JGZ) gevraagd naar de belastbaarheid van klager. De namens de JGZ aan de school verbonden jeugdverpleegkundige heeft de (jeugd)arts gevraagd mee te kijken, waarop de (jeugd)arts een uitgebreide e-mail heeft gestuurd aan de jeugdverpleegkundige, die dat bericht doorstuurde naar de school. Klager verwijt de (jeugd)arts onder andere dat zij een notitie heeft geschreven met een advies aan school. Het college is van oordeel dat de e-mail, gezien de omstandigheden, niet kan worden beschouwd als een notitie waarin de jeugdarts een behandeladvies geeft aan school, maar dat het doel was het geven van ondersteuning aan de jeugdverpleegkundige. Wel had van de jeugdarts verwacht mogen worden dat zij direct nadat zij kennis had van het doorzenden van de e-mail zij duidelijk had gemaakt dat deze tekst niet bestemd was voor de school en slechts bedoeld was als het meedenken met de jeugdverpleegkundige. De klacht is in zoverre gegrond. Het college volstaat met een gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. |
A2024/7629
Beslissing van 5 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 5 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C, wonende in B,
tegen
D,
arts – werkzaam als jeugdarts,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de (jeugd)arts,
gemachtigde: mw. S. Dik, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De school van klager heeft de Jeugdgezondheidzorg (JGZ) gevraagd naar de belastbaarheid
van klager. De namens de JGZ aan de school verbonden jeugdverpleegkundige heeft de
(jeugd)arts naar aanleiding van dit verzoek gevraagd mee te kijken. De (jeugd)arts
heeft in antwoord daarop een uitgebreide e-mail gestuurd aan de jeugdverpleegkundige,
die dat bericht doorstuurde naar de school. Klager verwijt de (jeugd)arts dat zij
zonder toestemming in zijn dossier heeft gekeken en een notitie heeft geschreven met
daarin aanwijzingen en een advies aan school.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht tegen de (jeugd)arts deels gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 17 september 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de brief met bijlagen van de gemachtigde van klager, binnengekomen op 3 januari
2025;
- het proces-verbaal van het op 16 januari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek,
met daaraan gehecht de reactie op het proces-verbaal van de gemachtigde van klager
van 19 maart 2025;
- de brief met bijlagen van de gemachtigde van klager, ontvangen op 21 januari 2025;
- de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klager van 6 april 2026;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerster van 9 april 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 april 2026. De vader van klager is verschenen als gemachtigde van klager, klager zelf was afwezig. Verweerster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was aanwezig de door het college opgeroepen getuige-deskundige M. Kok, arts Maatschappij en Gezondheid, profiel jeugdgezondheidszorg. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd. De getuige-deskundige heeft onder ede vragen beantwoord.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In oktober 2022 vroeg de middelbare school van klager (geboren in 2007) advies
aan een jeugdverpleegkundige in het kader van een al langer lopend begeleidingstraject.
Deze jeugdverpleegkundige was aan de school verbonden namens de JGZ, ondergebracht
bij de GGD. De jeugdverpleegkundige vroeg op 25 oktober 2022 aan de (jeugd)arts om
mee te kijken naar de casus van klager en meldde daarbij: “School loopt al een tijdje vast, ze zouden graag de belastbaarheid in kaart willen
brengen.”
3.2 De (jeugd)arts heeft daarop op 26 oktober 2022 het dossier van klager bekeken en haar bevindingen met de jeugdverpleegkundige gedeeld in een e-mailbericht van ongeveer twee pagina’s. In deze e-mail staat onder andere het volgende (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Zonder dat ik helemaal ingevoerd ben in de in’s en out’s is de ervaring dat hoogbegaafden
vaker problemen hebben in de sociale omgang. Je ziet nogal eens kenmerken van zowel
ADHD(prikkelgevoeligheid) als van ASS( het kan alleen op hun manier en ze moeten zelf
het nut ervan inzien) Dit lijkt ook met [klager] het geval te zijn. Deze kenmerken
botsen met het schoolsysteem. Ouders en [klager] willen dat het systeem zich naar
[klager] voegt, maar het systeem is niet oneindig flexibel en de meeste scholen haken
af als kennelijk 1op 1 onderwijs nodig is. Dit betekent dat school zelf haar eigen
grenzen zal moeten bepalen en bespreken met ouders. Nu wiebelen ze mee met alle wensen
van [klager] die daarmee de regie in handen heeft. Dat is op zich niet erg als het
doel van school is dit kind succesvol het VWO af te laten ronden ophet E, maar dat
betekent dat je nog 3 jaar moet onderhandelen en verzinnen wat nu weer. Mijn Inschatting
en ervaring is dat het niet gaat veranderen in de richting zoals school eigenlijk
wil, hooguit een klein beetje. Doel van ouders en [klager] is natuurlijk ook om op
het E te blijven, maar daar zitten dus een hoop voorwaarden aan vast richting school.
De vraag naar belastbaarheid is dus eigenlijk een vraag naar: moeten we mee blijven
wiebelen of niet? Die vraag kan ik niet beantwoorden voor school. Voor [klager] en
ouders lijkt dit wel de meest wenselijke oplossing. (…)
• De vraag over belastbaarheid zal ongetwijfeld weer gesteld worden, maar er is
geen dokter die hem kan beantwoorden.”
3.3 De inhoud van deze e-mail is dezelfde dag door de jeugdverpleegkundige doorgestuurd naar de zorgcoördinator van de school. De school stuurde de e-mail door naar de ouders van klager. Door klager is hierover een klacht bij de GGD ingediend.
4. De klacht en de reactie van de (jeugd)arts
4.1 Klager verwijt de (jeugd)arts (samengevat):
a) Het niet controleren of het verzoek van school vooraf is afgestemd met klager
of zijn ouders;
b) Het ongeoorloofd raadplegen van zijn dossier bij de GGD;
c) Het opstellen van een notitie waarvan de inhoud niet gebaseerd is op onder meer
feiten, kennis van uitzonderlijke begaafdheid en de wet- en regelgeving rond passend
onderwijs. Het niet spreken met klager teneinde (mogelijk) vast te stellen of de (vooringenomen)
mening van de school hout snijdt. Het integraal delen van deze notitie met school;
d) Het als jeugdarts geven van onderwijskundige ‘aanwijzingen’, misbruik maken van
de ‘autoriteit’ die verbonden is aan dat specialisme;
e) Het geven van een onjuist medisch- dan wel handelingsadvies aan school, zonder
voorafgaand toestemming te vragen aan klager of zijn ouders;
f) Het niet direct corrigeren/herroepen van de notitie en school daarover informeren
nadat de klacht hierover naar de GGD is gestuurd (18 november 2022);
g) Handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt;
h) Het foutief handelen of nalaten waarvan het college meent dat toe te moeten voegen
op basis van de vermelde feiten.
4.2 De (jeugd)arts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van klachtonderdelen g) en h) en die klachtonderdelen dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor zover het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de (jeugd)arts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Ten aanzien van de omstandigheden waarin zij de e-mail van 26 oktober 2022 aan de jeugdverpleegkundige stuurde, voert de (jeugd)arts het volgende aan. Na de zomervakantie van 2022 was er binnen de JGZ een tekort aan capaciteit in het stadsdeel van de school van klager, waardoor er geen (jeugd)arts beschikbaar was voor deze school. Het management van de JGZ zocht een (jeugd)arts die de ziekteverzuimbegeleiding van de school van klager kon overnemen. Een jeugdverpleegkundige die namens de JGZ aan de school verbonden was, nam wegens het gebrek aan capaciteit artsentaken op zich. De (jeugd)arts kon de ziekteverzuimbegeleiding van de school niet op zich nemen vanwege haar fulltime werkzaamheden bij andere scholen, maar zij bood uit collegialiteit en betrokkenheid aan om op de achtergrond mee te denken en advies te geven bij ingewikkelde casuïstiek, in het bijzonder omdat zij wilde voorkomen dat een jeugdige de dupe zou worden van organisatorische tekorten. De (jeugd)arts heeft bij de JGZ gewezen op het belang van een goede afbakening van verantwoordelijkheden van de verschillende betrokkenen en duidelijke communicatie met de school over deze oplossing van de noodsituatie.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Zijn de klachtonderdelen g) en h) ontvankelijk?
5.1 De (jeugd)arts voert over klachtonderdeel g) aan dat het niet voldoet aan de
specificeringsplicht. Ten aanzien van klachtonderdeel h) voert de (jeugd)arts aan
dat dit een verzoek is om de klachtonderdelen aan te vullen, terwijl krachtens artikel
65 lid 2 van de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (de Wet BIG)
juncto artikel 4 van het Tuchtrechtbesluit BIG het klaagschrift de klacht, de feiten
en de gronden moet bevatten waarop de klacht berust. De (jeugd)arts verzoekt het college
daarom beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk te verklaren.
5.2 Het college beschouwt klachtonderdeel g) als een voortvloeisel van de klachtonderdelen daarvoor, en zal het vanwege de samenhang daarom inhoudelijk behandelen bij de gezamenlijke bespreking van de klachtonderdelen a) tot en met f). Het college begrijpt het verzoek onder h) aldus dat klager het college vraagt om ambtshalve aanvulling of uitbreiding van klachtonderdelen. In artikel 4, lid 1 aanhef en onder b van het Tuchtrechtbesluit BIG staat dat de klacht en de feiten en gronden waarop deze berust, moeten zijn opgenomen in het klaagschrift. Het is dus (uitsluitend) aan klager om de klachtgronden te formuleren, dit met het oog op een evenwichtige procedure waarin het ook voor de aangeklaagde partij duidelijk moet zijn uit welke onderdelen de klacht bestaat. Voor ambtshalve aanvulling of uitbreiding van klachtonderdelen door het college is om die reden geen ruimte. Klager is daarom in klachtonderdeel h) niet ontvankelijk.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.3 De vraag is of de (jeugd)arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende (jeugd)arts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdelen a) t/m g) zonder toestemming onjuist adviseren aan school
5.4 Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen a) tot en met g) gezamenlijk
bespreken. De gemachtigde van klager heeft tijdens het mondeling vooronderzoek en
ter zitting de klacht nader toegelicht. Volgens de gemachtigde van klager is er toestemming
gegeven om de belastbaarheid van klager door de JGZ te laten onderzoeken. De kern
van de klacht is dat de (jeugd)arts zonder toestemming in het dossier van klager heeft
gekeken, zich in haar notitie van 26 oktober 2022 over meer dan alleen de belastbaarheid
van klager heeft uitgesproken en er daarna niet voor heeft gewaakt dat hetgeen zij
had opgeschreven niet bij de school terecht zou komen. Zij heeft daarmee gehandeld
in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, aldus klager.
5.5 Het college overweegt dat de (jeugd)arts overtuigend heeft toegelicht dat zij bij het dossier van klager betrokken raakte doordat zij conform binnen de JGZ gemaakte afspraken als “achterwacht” van de jeugdverpleegkundige werd gevraagd mee te kijken in een lopend dossier, bij een vraag die door de jeugdverpleegkundige met de school en (via de school) met ouders was afgestemd. De (jeugd)arts mocht er in dat kader van uitgaan dat zij in die rol ook toestemming had om in het dossier van klager kijken.
5.6 Het college is van oordeel dat de e-mail die op 26 oktober 2022 door de (jeugd)arts aan de jeugdverpleegkundige werd gestuurd, gezien de omstandigheden moet worden beschouwd als het delen van de gedachten die zij had over de vraag naar de belastbaarheid van klager en na de bestudering van het dossier, met als doel het geven van ondersteuning aan de jeugdverpleegkundige bij de beantwoording van die vraag. En dus niet als een notitie waarin zij onderwijskundige aanwijzingen of een behandeladvies geeft aan school. Dit past binnen de situatie dat er door tekorten binnen de JGZ geen jeugdarts voor de school van klager beschikbaar was, de (jeugd)arts insprong om via de jeugdverpleegkundige toch enige ondersteuning te bieden en dat de verpleegkundige vroeg om “mee te kijken”. Het college is van oordeel dat de e-mail wel uitgebreid is, terwijl de (jeugd)arts klager niet zelf heeft gesproken, maar dat dit gezien genoemde omstandigheden en het doel van de e-mail niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In zoverre zijn de klachtonderdelen a) tot en met e) en g) ongegrond.
5.7 Het college oordeelt anders ten aanzien van de regie over deze e-mail waarin de (jeugd)arts haar gedachten de vrije loop heeft gelaten. Klager verwijt de (jeugd)arts volgens het college terecht dat zij niet heeft voorkomen dat de e-mail (vrijwel) integraal met de school is gedeeld en dat zij niet direct heeft ingegrepen toen bleek dat haar complete tekst was doorgezonden. In dat kader is van belang dat vaststaat dat er op 26 of 27 oktober 2022 contact is geweest tussen de (jeugd)arts en de jeugdverpleegkundige over het delen van de tekst van de e-mail met de zorgcoördinator van school en de vraag of de e-mail mocht worden doorgestuurd naar de ouders van klager. Op die laatste vraag van de zorgcoördinator antwoordt de jeugdverpleegkundige in een e-mail van 27 oktober 2022, onder meer, als volgt:
“Het verslag van D [de (jeugd)arts] kan met vader gedeeld worden. (…) D geeft nog het volgende aan: Wat ik gedaan heb is ieders belangen en beperkingen zo integer mogelijk zonder oordeel verduidelijken. Hierbij heb ik de nuance gezocht en ben ik toch duidelijk genoeg geweest over mijn inschatting dat persoonlijke kenmerken, eigen regie (versterkt in coronaperiode) en sociale stress een rol lijken te spelen bij A. (…)”
5.8 De (jeugd)arts heeft nadat de klacht tegen haar was ingediend verklaard dat het niet haar bedoeling was dat haar e-mail bij school terecht zou komen. Maar ook als ervan uitgegaan zou moeten worden dat de jeugdverpleegkundige zonder overleg met de (jeugd)arts de e-mail naar de school heeft gestuurd, staat vast dat de (jeugd)arts kort na de verzending aan school op de hoogte was geraakt van het doorsturen. Het had op haar weg gelegen om vervolgens direct duidelijk te maken dat deze tekst niet bestemd was voor de school en slechts bedoeld was als het meedenken met de jeugdverpleegkundige in de bij randnummer 5.5 beschreven zin. Ter zitting heeft de (jeugd)arts echter toegelicht dat zij tegen de jeugdverpleegkundige heeft gezegd dat “de tweede helft” van haar e-mail wel met de ouders gedeeld kon worden. Daarnaast heeft zij kennelijk een korte toelichting op haar bericht gegeven. Zij heeft ten onrechte gemeend daarmee te kunnen volstaan en dat acht het college tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klachtonderdelen c), f) en g) zijn dus gegrond voor zover zij gaan over het (laten) delen van de e-mail met school.
5.9 Voor zover klachtonderdeel f) gaat over de afhandeling van de klacht die op 18 november 2022 is ingediend bij de GGD is deze ongegrond, omdat de afhandeling door de klachtenafdeling van de GGD niet aan de (jeugd)arts verweten kan worden.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager in klachtonderdeel h) niet ontvankelijk
is, dat klachtonderdelen c), f) en g) (deels) gegrond zijn en de andere klachtonderdelen
ongegrond.
Maatregel
5.11 Het college zal met toepassing van artikel 69 lid 4 van de Wet BIG volstaan
met een
gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel.
De gewraakte e-mail is verstuurd in een periode van grote tekorten in de JGZ, waarin
de (jeugd)arts op verzoek van de GGD de jeugdverpleegkundige heeft ondersteund, om
te voorkomen dat een jeugdige de dupe zou worden van organisatorische tekorten. Daarbij
komt dat volgens getuige-deskundige Kok de richtlijnen van de beroepsgroep maar ten
dele voorzien in een antwoord op de vraag hoe en door wie de uitvoering van de taken
belegd bij de JGZ moeten worden uitgevoerd en dat schaarste hierbij een belangrijke
rol speelt.
Gezien deze omstandigheden vindt het college het opleggen van een maatregel aan
de (jeugd)arts niet gerechtvaardigd.
Publicatie
5.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat de jeugdgezondheidszorg mogelijk van deze zaak kan leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel h);
- verklaart klachtonderdelen c), f) en g) gedeeltelijk gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch
Contact en JA! Magazine.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, J. Dogger, L. de Jong en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.