ECLI:NL:TGZRAMS:2026:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9331

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:130
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 05-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/9331
Onderwerp:
  • Grensoverschrijdend gedrag
  • Onheuse bejegening
  • Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagster heeft zich na haar bevallingsverlof ziekgemeld. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft zij voor een medisch onderzoek het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Klaagster heeft klachten over de wijze waarop dit spreekuur heeft plaatsgevonden en hoe de verzekeringsarts haar heeft bejegend. Het college overweegt dat als de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen, de klacht in beginsel slechts gegrond kan worden bevonden indien er objectieve aanknopingspunten zijn die de lezing van klaagster kunnen ondersteunen. In deze zaak ontbreken dergelijke aanknopingspunten. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2025/9331
Beslissing van 5 juni 2026


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 5 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,

tegen

C,
verzekeringsarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. drs. E, werkzaam te D.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft zich na haar bevallingsverlof ziekgemeld. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft zij voor een medisch onderzoek op 8 september 2025 het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Klaagster heeft klachten over de wijze waarop dit spreekuur heeft plaatsgevonden en hoe de verzekeringsarts haar heeft bejegend. De verzekeringsarts heeft verweer gevoerd en heeft verzocht om de klachten ongegrond te verklaren.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 27 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan in een mondeling vooronderzoek. Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
3.1 Klaagster verwijt de verzekeringsarts:
a. dat hij haar onprofessioneel heeft bejegend tijdens het spreekuur op 8 september 2025;
b. dat hij grensoverschrijdend heeft gehandeld tijdens het lichamelijk onderzoek door zonder uitleg of toestemming haar keizersnedelitteken aan te raken;
c. dat hij onzorgvuldig en feitelijk onjuist heeft gerapporteerd.

3.2. De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.3. Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.1 De vraag is of de verzekeringsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

4.2 Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klachtonderdelen zal het tuchtcollege in het hiernavolgende beoordelen.

Klachtonderdeel a) onprofessionele bejegening tijdens het gesprek van 8 september 2025
4.3 Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat een verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de verzekeringsarts een professionele houding vereist, waarbij een sfeer wordt gecreëerd waarin de te onderzoeken persoon zich voldoende vrij voelt om relevante medische informatie te verstrekken. Tegelijkertijd heeft de verzekeringsarts de taak om de regie over het gesprek te voeren en binnen de beschikbare tijd alle noodzakelijke informatie te verzamelen voor een zorgvuldige beoordeling.

4.4 Klaagster stelt dat de verzekeringsarts haar tijdens het onderzoek veelvuldig heeft onderbroken, hoorbaar heeft gezucht bij emotionele onderwerpen en onvoldoende oogcontact heeft gemaakt. De verzekeringsarts heeft deze lezing gemotiveerd betwist. Hij voert aan dat eventuele onderbrekingen slechts dienden om het gesprek efficiënt te sturen en dat hij tijdens het spreekuur aantekeningen moest maken voor deugdelijke verslaglegging. Het door klaagster ervaren gezucht duidt de verzekeringsarts als een natuurlijke diepe ademhaling, zonder verband met de inhoud van het gesprek.


4.5 Het college overweegt dat in tuchtrechtelijke procedures waarbij de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen, waarvan in dit geval sprake is, de klacht in beginsel slechts gegrond kan worden bevonden indien er objectieve aanknopingspunten zijn die de lezing van klaagster kunnen ondersteunen. In deze zaak ontbreken dergelijke aanknopingspunten. Hoewel het college niet twijfelt aan de oprechtheid van de beleving van klaagster, namelijk dat zij het gesprek als onprettig en weinig empathisch heeft ervaren, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de grens van een professionele bejegening door de verzekeringsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar is overschreden. Hoewel klaagster stelt dat zij een geluidsopname heeft van het spreekuur, is in de stukken te lezen dat deze opname geen integrale opname van het gehele spreekuur betreft, wat onvoldoende is om te beoordelen hoe het spreekuur is verlopen.

4.6 Voor de vereiste regie op het verloop van het spreekuur kan het bovendien functioneel zijn als de verzekeringsarts interrumpeert indien de beantwoording van vragen niet bijdraagt aan de beoordeling. Ook het schrijven tijdens het gesprek is functioneel en noodzakelijk voor een deugdelijke verslaglegging. Dat de arts hierbij mogelijk minder oogcontact heeft gemaakt dan klaagster wenste, is op zichzelf onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt.

4.7 Nu niet kan worden vastgesteld dat de verzekeringsarts zich onprofessioneel heeft opgesteld, is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel b) grensoverschrijdend lichamelijk onderzoek
4.8 Uitgangspunt is dat bij het verrichten van lichamelijk onderzoek door een verzekeringsarts grote zorgvuldigheid betracht dient te worden, zeker wanneer dit onderzoek betrekking heeft op een intieme of psychisch beladen zone, zoals in dit geval het litteken van de keizersnede van klaagster. Van een arts mag worden verwacht dat hij de te onderzoeken persoon vooraf informeert over de noodzaak, de aard en de wijze van uitvoering van het onderzoek, om de patiënt in staat te stellen hiermee al dan niet in te stemmen.

4.9 Vast staat dat de verzekeringsarts het onderzoek heeft aangekondigd en dat klaagster hieraan haar medewerking heeft verleend. De lezingen over de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, lopen echter uiteen. Waar klaagster stelt dat de aanraking onverhoeds, zonder uitleg en op een als intiem ervaren wijze ('strijkende beweging') plaatsvond, voert de verzekeringsarts aan dat hij het onderzoek rustig heeft uitgevoerd met als doel het beoordelen van het littekenweefsel, passend bij de klachtenomschrijving.

4.10 Naar het oordeel van het college biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de verzekeringsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gelet op de aard van de klachten van klaagster was een lichamelijk onderzoek van het litteken medisch geïndiceerd en daarmee een noodzakelijk onderdeel van de voorbereiding van de verzekeringsgeneeskundige rapportage. Het is naar het oordeel van het college juist tegen deze achtergrond moeilijk voorstelbaar dat de verzekeringsarts het litteken onverhoeds zou hebben aangeraakt, zonder de noodzakelijke behoedzaamheid die bij een dergelijk onderzoek vereist is. Dat klaagster de volgens haar strijkende beweging desondanks als onprettig en onveilig heeft ervaren, betekent echter niet dat de wijze waarop de verzekeringsarts het lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd objectief bezien als onprofessioneel of grensoverschrijdend gekwalificeerd kan worden.

4.11 Gelet op het voorgaande is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel c) onzorgvuldige en feitelijk onjuiste rapportage
4.12 Ten aanzien van de klacht dat de rapportage onjuistheden bevat en de klachten van klaagster onvoldoende weergeeft, merkt het college op dat een verzekeringsgeneeskundige rapportage niet een woordelijke weergave van het gesprek hoeft te zijn. Het is de taak van de verzekeringsarts om de verkregen informatie te structureren en te duiden binnen een verzekeringsgeneeskundig kader. Dat de weergave in de rapportage niet in alle opzichten overeenkomt met de letterlijke bewoordingen van klaagster, zoals bij de beschrijving van de zorg voor haar kind, betekent op zichzelf niet dat de rapportage gebrekkig is, mits de strekking van de problematiek correct is weergegeven.

4.13 Wat betreft het niet inwinnen van informatie bij de behandelend huisarts, overweegt het college dat een verzekeringsarts in beginsel mag afgaan op eigen onderzoek en de door klaagster verstrekte informatie. De verzekeringsarts mocht in dit geval zelf tot een oordeel komen zonder voorafgaand overleg met de huisarts van klaagster. De verzekeringsarts heeft een eigen, onafhankelijke verantwoordelijkheid in het vaststellen van de beperkingen in medisch perspectief. Dat klaagster het niet eens is met de getrokken conclusies over haar arbeidsgeschiktheid maakt de wijze van rapporteren nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.14 Naar het oordeel van het tuchtcollege is ook dit klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom
4.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 5 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, J. Dogger, L. de Jong en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris.