ECLI:NL:TGZRAMS:2026:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8906

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:13
Datum uitspraak: 13-01-2026
Datum publicatie: 13-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/8906
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige naar aanleiding van een geweldsincident in het ziekenhuis.

A2025/8906

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Voorzittersbeslissing van 13 januari 2026 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende te B,
klaagster,

tegen

C
verpleegkundige,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam te Utrecht.

1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 11 augustus 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 6 oktober 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 16 oktober 2025;
- de brief van klaagster, ontvangen op 27 november 2025;
- het verweerschrift.

2. De feiten
2.1 Op 16 december 2024 was klaagster ’s ochtends in het ziekenhuis voor een slaaponderzoek in dagbehandeling. Voorafgaand aan het onderzoek ontstond een discussie tussen klaagster en een verpleegkundige over het al dan niet uitdoen van haar oorbellen. Klaagster moest voor het onderzoek haar oorbellen uitdoen. Klaagster vertelde de verpleegkundige dat zij niet zelf haar oorbellen uit kon doen en dat zij bij andere operaties nooit haar oorbellen uit had moeten doen. Uiteindelijk heeft één van de verpleegkundigen de oorbellen van klaagster uitgedaan.

2.2 Na het onderzoek kwam klaagster op de verkoeverkamer terecht, dit was op de afdeling dagbehandeling chirurgie. Verweerster zag klaagster daar voor het eerst. Klaagster vroeg verweerster naar haar oorbellen waarop verweerster aangaf dat de oorbellen in een kluisje zaten en dat de oorbellen later of thuis wel zouden komen als klaagster weer bijgekomen was.


2.3 Een half uur hierna kwam de zoon van klaagster haar ophalen. Op weg naar de lift kwamen klaagster en haar zoon langs een verpleegkundige post waar verweerster zat. De zoon van klaagster vroeg verweerster waarom zij klaagster niet geholpen had bij het indoen van de oorbellen. Hierop gaf zij aan dat klaagster daar niet specifiek om had gevraagd. Vervolgens escaleerde de situatie waarbij de zoon van klaagster een vloeralarm dat op de balie stond naar verweerster gooide waarbij hij haar raakte.

2.4 Toen klaagster en haar zoon wegliepen en in de lift stapten, heeft een andere verpleegkundige, het avondhoofd, die het incident had gezien, haar voet tussen de liftdeur gehouden. Zij sprak klaagster en haar zoon aan. Hierbij zou de zoon van klaagster tegen het been van deze verpleegkundige hebben getrapt, maar klaagster stelt dat het enkel om een schijnbeweging ging. Vervolgens is de beveiliging ingeschakeld en is aangifte gedaan tegen de zoon van klaagster. De zoon van klaagster is in juli 2025 veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren wegens mishandeling van verweerster.

3. De klacht en de overwegingen
3.1 Klaagster richt de klacht tegen verweerster en ‘de hoofdverpleegkundige KNO heelkunde’. De klacht is als volgt verwoord in het klaagschrift:
1. Geen hulp (aan-)geboden toen patiënt dit meermaals vroeg;
2. Mijn persoonlijke spullen niet veilig opgeborgen in de kluis, stond open;
3. Had mij uit de lift moeten laten stappen, maar hield mij tegen mijn wil bewust vast in de lift, noem dit vrijheidsberoving!
4. Heeft zich racistisch uitgelaten in geschrift, door uitlatingen te doen in verslag.

3.2 Verweerster brengt daar tegen in dat klaagster haar niet gevraagd heeft de oorbellen
in te doen, zij vroeg enkel naar de status daarvan. Wat betreft het kluisje weet verweerster niet of dit kluisje openstond, zij is niet bij de kluis geweest. Het is iemand anders geweest die de spullen van klaagster uit de kluis aan haar teruggaf. Met betrekking tot het incident in de lift, stelt verweerster dat zij daar niet bij betrokken was. Zij was aan het bijkomen van de geweldsexplosie van de zoon van klaagster, aldus verweerster. Ten slotte ontkent verweerster dat er racistische opmerkingen in het verslag staan. Verweerster heeft veel last van wat er gebeurd is, en voelt zich meer dan voorheen onveilig op haar werk en bij het verlaten van het ziekenhuis.

3.3 Het is de voorzitter duidelijk geworden dat er tijdens de aanwezigheid van klaagster
in het ziekenhuis geweld tegen verweerster heeft plaatsgevonden door de zoon van klaagster, omdat de strafrechter de zoon van klaagster strafrechtelijk heeft veroordeeld voor de mishandeling van verweerster. Klaagsters zoon is daarmee een zeer duidelijke grens overgegaan door geweld tegen verweerster te gebruiken. Hoewel het om klaagster gaat en niet om haar zoon, stelt de voorzitter vast dat klaagster geen afstand neemt van deze mishandeling. In het klaagschrift merkt klaagster namelijk alleen op dat haar zoon uit zijn doen was, maar niet agressief.


3.4 Wat betreft het beoordelen van de klachtonderdelen heeft de voorzitter geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van wat klaagster in haar klacht schrijft. De klachtonderdelen 1, 2 en 3 kunnen dus niet gegrond verklaard worden bij een gebrek aan feitelijke grondslag.

3.5 Wat betreft klachtonderdeel 4 is het betreffende verslag van het incident wel bij het
klaagschrift gevoegd. De voorzitter ziet hier echter geen racistische uitlatingen in terug. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

3.6 De voorzitter is van oordeel dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen.

4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.