ECLI:NL:TGZRAMS:2026:129 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9257

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:129
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 05-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/9257
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager maakt de bedrijfsarts meerdere verwijten over diens begeleiding. Klager heeft eerder een tuchtklacht tegen de bedrijfsarts ingediend. Hoewel de onderbouwing van de klachtonderdelen summier is, is het college van oordeel dat de klachtonderdelen voldoen aan de voor de onderbouwing daarvan betreft minimale eisen. De bedrijfsarts heeft tegen elk van de klachtonderdelen ook inhoudelijk verweer gevoerd. Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is maar dat zijn klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

A2025/9257
Beslissing van 5 juni 2026
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 5 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
bedrijfsarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager, installatiebeheerder, heeft zich in december 2021 ziekgemeld. Klager heeft eerder, op 23 januari 2023, een tuchtklacht ingediend tegen de bedrijfsarts waarin hij de bedrijfsarts meerdere verwijten maakte over diens begeleiding. Het college heeft deze tuchtklacht op 4 juli 2023 kennelijk ongegrond verklaard.

1.2 Klager verwijt de bedrijfsarts in de nieuwe klachtprocedure (thans nog) vier zaken. Deze verwijten zijn het niet verstrekken van de veiligheidsbladen veilige stoffen, het ontzeggen van een werkplek onderzoek, het blokkeren van medische hulp en het negeren van het advies van de arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd waarbij primair wordt aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk is en subsidiair de klacht wordt betwist.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is maar dat zijn klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 13 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen.
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 februari 2026.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij gebruik gemaakt. In het mondeling vooronderzoek heeft klager zijn klachten bij randnummers 1, 6, 7 en 8 van zijn klaagschrift ingetrokken. De klachten bij randnummers 2, 3, 4 en 5 liggen nog wel voor en daarop zal het college een beslissing nemen.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
3.1. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij:
a) niet de veiligheidsbladen gevaarlijke stoffen heeft verstrekt;
b) een werkplek onderzoek heeft ontzegd door feiten te manipuleren;
c) medische hulp heeft geblokkeerd;
d) het advies van de arbeidsdeskundige heeft genegeerd.

3.2. De bedrijfsarts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de bedrijfsarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.3. Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
4.1 De bedrijfsarts heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat de klachtonderdelen onvoldoende onderbouwd zijn. Het college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is in zijn klacht. Voor de ontvankelijkheid van een tuchtklacht is vereist dat de klacht voldoende bepaald is. Dit houdt in dat duidelijk moet zijn op welk handelen of nalaten van de bedrijfsarts de klacht betrekking heeft.

4.2 Hoewel de onderbouwing van de klachtonderdelen summier is, is het college van oordeel dat de klachtonderdelen voldoen aan de voor de onderbouwing daarvan betreft minimale eisen. De bedrijfsarts heeft tegen elk van de klachtonderdelen ook inhoudelijk verweer gevoerd. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.3 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. 4.4 Het college oordeelt dat de bedrijfsarts ten aanzien van geen van de klachten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) het niet verstrekken van de veiligheidsbladen veilige stoffen

4.5 Klager stelt dat de bedrijfsarts de veiligheidsbladen had moeten verstrekken aan hem en de Arbeidsinspectie. Volgens hem heeft de Arbeidsinspectie hiertoe geadviseerd na een werkpleksurvey. Bij klager bestond de verwachting dat de bedrijfsarts de veiligheidsbladen zou verstrekken, wat volgens hem niet is gebeurd, terwijl zij deze veiligheidsbladen wel in haar bezit had.

4.6 De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat zij naar aanleiding van een brief van de Arbeidsinspectie documenten heeft ontvangen die zij op 8 februari 2023 per e-mail heeft doorgeleid naar de behandelend longarts, zodat deze konden worden betrokken bij het lopende onderzoek. Dit is volgens haar opgenomen in het dossier. Indien het voor haar duidelijk was geweest dat zij de documenten rechtstreeks aan klager had moeten overhandigen dan had zij dat gedaan.

4.7 Naar het oordeel van het college heeft de bedrijfsarts zorgvuldig gehandeld. Van het bewust achterhouden van documenten is niet gebleken. De bedrijfsarts heeft de informatie immers direct gedeeld met de betrokken longarts en heeft de stukken bovendien in het dossier van klager gevoegd. Dat zij de veiligheidsbladen niet ook rechtstreeks aan klager heeft gezonden omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat doorzending aan de longarts volstond, kan haar in tuchtrechtelijke zin niet worden verweten. Anders dan klager van mening is, is het geen taak van een bedrijfsarts om dit soort stukken naar de Arbeidsinspectie of naar klager te sturen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) ontzeggen werkplek onderzoek
4.8 Klager stelt dat hem nader onderzoek naar zijn werkplek is ontzegd ondanks zijn verzoek daartoe. De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat de beslissingsbevoegdheid voor het faciliteren en financieren van een dergelijk onderzoek bij de werkgever ligt en niet bij de bedrijfsarts. Bovendien is gebleken dat de behandelend longarts destijds geen direct verband vermoedde tussen de werkplek en de klachten van klager. Deze conclusie is later weliswaar genuanceerd door de behandelend arts, maar dat gebeurde toen de bedrijfsarts niet meer betrokken was bij klager.

4.9 Nog ervan afgezien dat het wel of niet instemmen met een werkplekonderzoek in het algemeen een beslissing is die bij de werkgever ligt en de bedrijfsarts daarbij slechts een adviserende rol heeft, stelt het college vast dat de relevante gebeurtenissen rondom het (niet) instemmen met het werkplekonderzoek hebben plaatsgevonden na de overdracht door de bedrijfsarts van het dossier van klager. Omdat de bedrijfsarts vanaf dat moment geen
bemoeienis meer had met klager, kan het uitblijven van dit onderzoek haar alleen al om die reden niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) blokkeren medische hulp
4.10 Klager verwijt de bedrijfsarts in de kern dat zij medische hulp zou hebben geblokkeerd door onvoldoende voortvarend te handelen bij het realiseren van een werkplekonderzoek en door niet adequaat te reageren op verzoeken om rapportages over eerdere metingen. De bedrijfsarts betwist dat zij geen proactieve houding heeft gehad. Zij heeft juist geadviseerd tot een werkplekonderzoek.

4.11 Het college is van oordeel dat geen sprake is geweest van het blokkeren van medische hulp door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft onweersproken aangevoerd dat zij juist wel een werkplekonderzoek heeft geadviseerd. Dat dit onderzoek niet of niet direct is uitgevoerd, kan de bedrijfsarts niet worden verweten. Evenmin is gebleken van niet adequaat reageren door de bedrijfsarts op verzoeken om rapportages over eerdere metingen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) negeren advies arbeidsdeskundige
4.12 Klager verwijt de bedrijfsarts het negeren van het advies van de betrokken arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts heeft dit advies volgens klager niet inhoudelijk met hem besproken en er is geen opvolging aan gegeven door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts voert aan dat zij een advies van een arbeidsdeskundige leest om te bezien of er bijzonderheden in staan, en dat deze adviezen primair van belang zijn voor de beoordeling of iemand kan terugkeren naar de eigen werkplek, wat in dit geval niet zo was. De bedrijfsarts heeft in de zaak van klager vervolgens beoordeeld of re-integratie op een andere wijze mogelijk zou zijn, hetgeen zo was. De indruk van de bedrijfsarts is dat klager meer van haar verwacht dan binnen haar functie en verantwoordelijkheid valt.

4.13 Het college is van oordeel dat niet is gebleken dat de bedrijfsarts het advies van de arbeidsdeskundige heeft genegeerd en naast zich neer heeft gelegd. De bedrijfsarts heeft uitgelegd dat zij het arbeidsdeskundig advies leest en nagaat of daarin bijzonderheden staan. Daarmee heeft de bedrijfsarts een juiste afweging gemaakt. Aangezien duidelijk was dat klager niet kon terugkeren naar zijn eigen werkplek was een intensievere beoordeling door de bedrijfsarts van het advies van de arbeidsdeskundige niet vereist. Klager heeft zijn stelling dat de bedrijfsarts het advies heeft genegeerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door de bedrijfsarts, niet nader feitelijk onderbouwd, bijvoorbeeld door te verduidelijken aan welke bijzonderheden in het advies zij dan ten onrechte geen gewicht zou hebben toegekend. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
4.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.


5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 5 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, J. Dogger, L. de Jong en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris.