ECLI:NL:TGZRAMS:2026:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8394
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:128 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-06-2026 |
| Datum publicatie: | 05-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8394 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager maakt de bedrijfsarts meerdere verwijten over haar handelen gedurende het re-integratie traject van klager, onder andere dat zij geen actie ondernam toen zijn werkgever niet passende werkzaamheden aanbood. Het college oordeelt hierover dat de bedrijfsarts in de rapportages heeft aangegeven welke beperkingen er waren en dat klager het aangeboden werk niet passend vond; het is niet de taak van een bedrijfsarts om er vervolgens nog op toe te zien of de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts wel in volle omvang opvolgt. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond. |
A2025/8394
Beslissing van 5 juni 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 5 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C,
tegen
D,
bedrijfsarts,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam te Loenen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager, geboren in 1971, is op 3 juli 2023 ziekgemeld als Service Technicus
Energie bij F. Hij is vervolgens eind juli 2023 getroffen door een herseninfarct.
Vanaf september 2024 is klager gestart met een re-integratie traject. Tijdens dit
traject bestond een arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever. Klager verwijt
de bedrijfsarts dat zij geen actie heeft ondernomen toen hij tijdens dit traject tot
tweemaal toe van zijn werkgever niet passende werkzaamheden kreeg aangeboden en dat
zij dreigde een melding bij de werkgever te doen toen hij niet wilde meewerken aan
een neuropsychologisch onderzoek maar een second opinion wilde. Ook verwijt klager
de bedrijfsarts dat zij haar eigen adviesrapport is kwijtgeraakt, en dat een door
haar gemaakte nieuwe versie afweek van het eerdere rapport. De bedrijfsarts heeft
verweer gevoerd en heeft gevraagd om de klachten ongegrond te verklaren.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2025;
- het aanvullend klaagschrift met de bijlagen, binnengekomen op 13 juni 2025;
- de aanvullende bijlagen van klager, ontvangen op 20 juni 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de aanvullende bijlagen van klager, ontvangen op 11 augustus 2025 en 12 september
2025;
- het proces-verbaal van het op 22 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek,
met daaraan gehecht de reactie op het proces-verbaal van de gemachtigde van verweerster
van 20 oktober 2025;
- de aanvullende bijlagen van klager, ontvangen op 23 januari 2026;
- het medisch dossier, ontvangen van de gemachtigde van verweerster op 3 april 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 april 2026. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1971, is op 3 juli 2023 ziekgemeld als Service Technicus
Energie bij F en kreeg kort daarop een herseninfarct. Vanaf september 2024 is klager
een re-integratietraject begonnen. Tijdens dit traject heeft klagers werkgever tweemaal
een plek aangeboden, waarvan in beide gevallen achteraf werd vastgesteld dat deze
niet passend was.
3.2 Tussen klager en zijn werkgever is een arbeidsconflict ontstaan.
3.3 De bedrijfsarts heeft aanvankelijk in de terugkoppeling aan de werkgever gezegd dat er bij klager sprake was van beperkingen op met name het gebied van concentratie. Klager heeft aangegeven deze beperkingen niet te ervaren. Tussen klager en de bedrijfsarts is hierover verschil van inzicht ontstaan, waarbij klager heeft gevraagd om een second opinion en waarbij de bedrijfsarts heeft voorgesteld om een neuropsychologisch expertiseonderzoek uit te voeren.
3.4 Zowel in de second opinion in februari 2025 als in het expertiseonderzoek van maart 2025 is geconcludeerd dat de beperkingen bij klager niet meer aan de orde waren.
3.5 De bedrijfsarts heeft vervolgens in de terugkoppeling van 17 april 2025 aan de werkgever vermeld dat het doel was gewijzigd van re-integratie naar tot einde wachttijd komen van volledige hervatting in klagers eigen functie.
4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij
a) geen actie heeft ondernomen toen klager tot tweemaal toe door de werkgever werkzaamheden
werden aangeboden die niet passend waren;
b) beperkingen heeft aangenomen die klager niet ervaarde, op basis van oude informatie;
c) weerstand uitte over de wens van klager om een second opinion te vragen en gedreigd
heeft de werkgever in te lichten over de weigering van klager om een expertiseonderzoek
te ondergaan;
d) bij de werkgever niet nadrukkelijk onder de aandacht heeft gebracht dat klager
geen beperkingen meer had en dus kon hervatten in zijn oude functie;
e) haar eigen adviesrapport kort voor het versturen van de WIA aanvraag is kwijtgeraakt,
en een door haar gemaakte nieuwe versie afweek van het origineel.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) Geen actie ondernomen toen klager tot tweemaal toe door de werkgever
werkzaamheden werden aangeboden die niet passend waren
5.2 Aan klager zijn tijdens zijn re-integratie werkzaamheden aangeboden op de I
van F en bij het G. Achteraf heeft de werkgever de conclusie getrokken dat beide werkzaamheden
niet passend waren. Klager meent dat de bedrijfsarts onder deze omstandigheden actie
had moeten ondernemen en aan de werkgever had moeten laten weten dat de werkzaamheden
voor klager niet geschikt waren. Het college heeft vastgesteld dat de bedrijfsarts
in de terugkoppeling van 18 november 2024 en van 9 januari 2025 aan de werkgever heeft
benoemd dat klager het aangeboden werk niet passend vond en dat zij geadviseerd heeft
om klager en werkgever onderling afstemming te laten zoeken over meer passend werk.
Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts door deze aanpak niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. De bedrijfsarts heeft in de rapportages aangegeven welke
beperkingen er waren en ook dat klager het aangeboden werk niet passend vond. Het
is niet de taak van een bedrijfsarts om er vervolgens nog op toe te zien of de werkgever
de adviezen van de bedrijfsarts wel in volle omvang opvolgt. Dit klachtonderdeel is
ongegrond.
Klachtonderdeel b) beperkingen aangenomen die klager niet ervaarde en op basis van
oude informatie
5.3 Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij in de eerste terugkoppelingen aan de
werkgever ten onrechte beperkingen vermeldde, met name in de concentratie van klager.
Klager heeft aangevoerd dat deze beperkingen er op dat moment niet meer waren en dat
de bedrijfsarts zich baseerde op informatie van een andere arts van ongeveer zes maanden
daarvoor. Het college stelt vast dat de bedrijfsarts zich aanvankelijk heeft gebaseerd
op informatie uit het
inzetbaarheidsprofiel van klager dat door een eerdere bedrijfsarts op 17 juni 2024
was opgesteld. Bij het opstellen van het belastbaarheidsprofiel heeft de bedrijfsarts
ook acht geslagen op de eigen verklaringen van klager, die op dat moment nog aangaf
last te hebben van beperkingen in zijn concentratie. Het college is van oordeel dat
de bedrijfsarts zich heeft mogen baseren op de genoemde informatie. Uiteindelijk heeft
de bedrijfsarts, nadat zij nieuwe informatie kreeg, het inzetbaarheidsprofiel aangepast.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c) weerstand van de bedrijfsarts bij de wens van klager om een second
opinion te vragen en dreigen door de bedrijfsarts dat de werkgever ingelicht zou worden
over de weigering van klager om een expertiseonderzoek te ondergaan
5.4 Klager heeft bij de bedrijfsarts te kennen gegeven dat hij een second opinion
wilde van een andere bedrijfsarts en deze second opinion eerst wilde laten verrichten
alvorens mee te werken aan een expertiseonderzoek. De bedrijfsarts heeft volgens klager
de second opinion geweigerd en heeft vervolgens druk uitgeoefend om een neuropsychologisch
expertiseonderzoek te laten verrichten. Klager zegt dat de bedrijfsarts dreigde dat
aan zijn werkgever gemeld zou worden dat hij het expertiseonderzoek weigerde, als
hij vast zou houden aan zijn wens eerst een second opinion te krijgen.
Het college heeft geconstateerd dat de second opinion op 6 januari 2025 is aangevraagd en op 25 januari 2025 heeft plaatsgevonden. Dat de bedrijfsarts deze second opinion zou hebben geweigerd is niet gebleken. Evenmin heeft het college vastgesteld dat door de bedrijfsarts een ongeoorloofd pressiemiddel is ingezet toen klager niet wilde meewerken aan het expertiseonderzoek, wel dat klager zelf bij zijn werkgever te kennen heeft gegeven dat hij niet wilde meewerken aan dat onderzoek. Bij de begeleiding door de bedrijfsarts heeft de bedrijfsarts, en niet de werknemer, de regie over het traject dat gevolgd wordt en over de onderzoeken die moeten plaatsvinden. Aangezien er verschil van inzicht bestond over de nog resterende beperkingen van klager, vindt het college het redelijk dat de bedrijfsarts in dit verband een expertiserapportage wilde opvragen. Ook dit klachtonderdeel van klager is ongegrond.
Klachtonderdeel d) bedrijfsarts heeft bij werkgever niet nadrukkelijk onder de aandacht
gebracht dat klager geen beperkingen meer had en dus kon hervatten in zijn oude functie
5.5 Zowel de second opinion als het expertiseonderzoek hadden als uitkomst dat er
bij klager geen beperkingen meer waren. De bedrijfsarts heeft vervolgens bij haar
terugkoppeling van 17 april 2025 aan de werkgever vermeld dat dit het geval was. Zij
heeft daarmee te kennen gegeven dat zij deze conclusies overnam. Voor zover klager
heeft bedoeld dat door de nieuwe onderzoeken gebleken zou zijn dat de bedrijfsarts
een onjuiste inschatting had gemaakt van klagers belastbaarheid, volgt het college
dit standpunt niet. In de eerste plaats heeft de bedrijfsarts, om haar eigen visie
te toetsen, juist zelf geadviseerd om het expertiseonderzoek te laten plaatsvinden.
Bovendien waren de beperkingen van klager aanvankelijk wel degelijk aanwezig, en verdwenen
zij in de loop van de tijd. In haar laatste terugkoppeling heeft de bedrijfsarts toegevoegd
dat het aanvankelijke einddoel van de re-integratie is gewijzigd in hervatting in
de eigen functie. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts een correcte opvolging
heeft gegeven aan de nieuwe informatie en de verbeterde situatie bij klager. In dit
verband heeft klager gezegd dat het voor zijn psychisch en mentaal welbevinden veel
zou hebben betekend en zijn herstel zou hebben bevorderd als de bedrijfsarts eerder
en duidelijker bij de werkgever had aangedrongen op hervatting in zijn eigen functie.
Het college heeft vastgesteld dat er tussen klager en zijn werkgever een stevig arbeidsconflict
is ontstaan. In het algemeen heeft een bedrijfsarts ook een rol bij een arbeidsconflict,
in die zin dat de bedrijfsarts beoordeelt of de werknemer door het conflict arbeidsongeschikt
is geworden en zij daarover kan adviseren. Het college heeft vastgesteld dat de bedrijfsarts
klager vragen heeft gesteld over het arbeidsconflict maar dat klager de bedrijfsarts
hierover geen informatie heeft willen geven. Onder die omstandigheden had de bedrijfsarts
geen verderstrekkende verplichting, zoals het duidelijker bij de werkgever aandringen
op hervatting in zijn eigen functie zoals gewenst door klager. Ook dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel e) kwijtraken door de bedrijfsarts van haar eigen adviesrapport kort
voor het versturen van de WIA aanvraag, en afwijkingen in een door haar gemaakte nieuwe
versie
5.6 De bedrijfsarts heeft hierover verklaard dat zij abusievelijk een spreekuurrapportage
heeft overgeschreven door een rapportage van een later consult, en dat dit in de hand
is gewerkt door de werking van het gebruikte digitale rapportagesysteem van H. Zij
heeft hierover verklaard dat ze de vergissing betreurt maar dat het document tijdig
is hersteld en dat klager er geen nadeel van heeft ondervonden. Het college is van
oordeel dat het hier een vergissing betreft die -mede gelet op het niet intreden van
onomkeerbare gevolgen- niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ook dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, E.M. Deen,
lid-jurist, J. Dogger, L. de Jong en F.M. Brouwer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door H.S.S. Isfour, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.