ECLI:NL:TGZRAMS:2026:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9173

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:126
Datum uitspraak: 02-06-2026
Datum publicatie: 02-06-2026
Zaaknummer(s): A2025/9173
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij als zijn ex-schoonzus en als psychiatrisch verpleegkundige een verklaring over (de psychische gesteldheid van) hem heeft opgesteld. Het college oordeelt dat de verpleegkundige verwijtbaar gehandeld door in haar hoedanigheid van verpleegkundige een verklaring op te stellen zonder ooit een behandelrelatie met klager te hebben gehad en in de wetenschap dat deze verklaring in een gerechtelijke procedure zou worden gebruikt. Bovendien is de inhoud van haar verklaring niet objectief en is deze niet uitsluitend op feiten gebaseerd. Berisping opgelegd vanwege ernst verwijt, daarbij weegt mee dat inzicht in onjuistheid handelen onvoldoende is gebleken.

A2025/9173
Beslissing van 2 juni 2026


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 2 juni 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
verpleegkundige,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. E, werkzaam in D.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De verpleegkundige is de zus van de ex-partner van klager. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij als zijn ex-schoonzus en als psychiatrisch verpleegkundige een verklaring over (de psychische gesteldheid van) hem heeft opgesteld, waarvan de verpleegkundige wist dat deze verklaring in een gerechtelijke procedure zou worden gebruikt.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlage.

2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 april 2026. De partijen zijn verschenen. De verpleegkundige werd bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen en de gemachtigde van de verpleegkundige hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Aan de zijde van de verpleegkundige zijn spreekaantekeningen voorgelezen en aan het college en aan klager overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerster is als psychiatrisch verpleegkundige werkzaam bij het F. Klager heeft met de zus van de verpleegkundige (hierna: ex-partner) van 2019 tot en met 2022 een relatie gehad. Uit deze relatie is op 22 maart 2021 een zoon geboren. Vanwege een geschil met de ex-partner over de omgang tussen klager en hun zoon, is klager een kort geding procedure gestart tegen zijn ex-partner. De ex-partner heeft de verpleegkundige gevraagd een verklaring op te stellen ter ondersteuning van haar verweer in deze procedure. Tussen de verpleegkundige en klager heeft nooit een behandelrelatie bestaan.

3.2 De verpleegkundige heeft aan het verzoek van de ex-partner gehoor gegeven en op 27 februari 2024 de volgende verklaring opgesteld:


Subject: Brief
(…)
Geachte dhr/mw,
Mijn naam is C, ik ben psychiatrisch verpleegkundige en zus van Mw G.
Ik wil mijn zorgen uiten over het voortzetten van de omgang tussen dhr A en H.
Mijn zorgen gaan over de staat waarin dhr zich regelmatig bevindt. In de afgelopen jaren is dhr. meerdere malen opgenomen geweest binnen de GGZ in verband met psychose en suïcidaliteit. Ook gebruikt dhr drugs en is bekend met alcohol gebruik.
Het is naar mijn mening onveilig voor H om te verblijven bij dhr. Dhr kan op elk moment in een psychose raken. Dit kan veroorzaakt worden door stress, te weinig slaap, drugs of het stoppen van zijn medicatie. Wanneer dhr is een psychose raakt waar H bij is, kan dit een gevaar zijn voor H. In een psychose is de belevingswereld van deze persoon verstoord. Hierdoor kan er bizar en gevaarlijk gedrag ontstaan naar zichzelf of naar andere. Wanneer de psychose tot uiting komt waar H bij is kan het zo zijn dat hij niet meer in staat is om op een gezonde manier na te denken en door zijn veranderende belevingswereld H iets aan te doen. Ook moeten we hierbij denken wat voor trauma het voor H kan zijn in zijn verdere leven wanneer hij zijn vader is deze toestand meemaakt.
Dhr heeft meerdere tentamen suicidii gepleegd. Wanneer hij dit zou doen als H bij hem is of dit zou benoemen naar H wanneer hij ouder is zou ook dit een groot trauma kunnen veroorzaken. Ook maak ik mij zorgen over of hij H hier mogelijk bij mee zou nemen.
Dhr komt uit een onveilige thuissituatie. Als dhr H zou zien zonder toezicht kan het zo zijn dat dhr H meeneemt naar zijn moeder.
Ook is een bipolaire stoornis en psychose gevoeligheid erfelijk. Wanneer een kind in een situatie opgroeit waar dit voorkomt kan dit getriggerd worden. De kans dat H hier gevoelig voor is acht ik groot, maar wanneer hij opgroeit in een veilige omgeving waar een bipolaire stoornis en psychose niet voorkomt is de kans kleiner dat hij dit zelf zal ontwikkelen.
Verder valt mij op dat H niet meer op zijn hoofd slaat sinds hij zijn vader niet meer ziet. Hij oogt vrolijker. Ook heeft hij geen last meer van snelle overprikkeling, dit uit zich in dat hij rustig blijft in drukke situaties en niet in paniek raakt. H is een lief en sociaal kind die graag contact maakt met andere mensen/kinderen.
(…)


Verweerster heeft deze verklaring verstuurd vanaf haar zakelijke mailadres van het F en ondertekend met haar professionele handtekening waarin haar functie en de afdeling waar zij werkt genoteerd staat.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig
4.1 Klager verwijt de verpleegkundige kort samengevat dat zij:
a) onprofessioneel heeft gehandeld door
i. een medische verklaring af te geven over klager zonder dat zij met elkaar een behandelrelatie hebben,
ii. deze verklaring te versturen vanaf het e-mailadres van haar werk en te ondertekenen met haar functie en de naam van haar werkgever (F) en
iii. de verklaring op te stellen, terwijl zij wist dat de verklaring in een gerechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner zou worden gebruikt;
b) in deze verklaring onjuiste (medische) informatie heeft opgeschreven over klager die schadelijk voor hem is;

4.2 De verpleegkundige heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de verpleegkundige het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De tuchtnormen in artikel 47 lid 1 sub a en b Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) zien niet alleen op handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te verlenen aan zijn patiënt en aan diens naaste betrekkingen (eerste tuchtnorm), maar ook op ander handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (tweede tuchtnorm). Als voorwaarde van het toepassen van de tweede tuchtnorm geldt het zogenaamde weerslagcriterium. Het weerslagcriterium houdt in dat het handelen (in voldoende mate) zijn weerslag moet hebben op de individuele gezondheidszorg.

5.2 Volgens de verpleegkundige is de klacht niet ontvankelijk, omdat niet voldaan is aan het weerslagcriterium. De verpleegkundige heeft de verklaring namelijk opgesteld als privépersoon en haar handelen heeft niets te maken met haar werk als verpleegkundige. Daarnaast is het de vraag of het handelen van de verpleegkundige van dien aard en ernst is dat het vertrouwen in de beroepsuitoefening is geschaad.

5.3 Het college oordeelt dat de klacht ontvankelijk is en zal de klacht daarom inhoudelijk behandelen. Het handelen van de verpleegkundige valt onder de tweede tuchtnorm, omdat zij een verklaring heeft opgesteld in haar hoedanigheid en deskundigheid van psychiatrisch verpleegkundige. De verpleegkundige heeft een verklaring opgesteld waarin zij ingaat op de medische situatie van klager en meer in het algemeen een beeld schetst van mensen die kampen met een bipolaire stoornis en psychosegevoeligheid. Daarnaast heeft zij op meerdere manieren haar deskundigheid naar voren gebracht. Zo heeft zij de verklaring verstuurd vanaf haar werkmailadres, de mail ondertekend met haar professionele handtekening en heeft zij in de eerste alinea expliciet benoemd dat zij psychiatrisch verpleegkundige is. Het handelen van de verpleegkundige heeft daarom wel degelijk (een aanmerkelijke) weerslag op de individuele gezondheidszorg en valt dus onder de tweede tuchtnorm. Dat de verklaring gebruikt is in de privésfeer (de rechtszaak tussen klager en zijn ex-partner) maakt dit oordeel niet anders.

De criteria voor de beoordeling

5.4 Of de klachten gegrond zijn hangt af van het oordeel over de vraag of de verpleegkundige met het opstellen van de verklaring in strijd heeft gehandeld met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdelen a) onprofessioneel handelen en b) onjuiste informatie
5.5 Het college ziet aanleiding om de klachten gezamenlijk te behandelen. Het college oordeelt dat de klachten gegrond zijn. De verpleegkundige had de verklaring, en zeker de manier waarop zij dit gedaan heeft, niet mogen afleggen. Het college licht dit oordeel toe.

5.6 Vast staat dat klager geen patiënt is (geweest) van de verpleegkundige en de verpleegkundige ook niet op andere gronden haar deskundigheid als verpleegkundige ten behoeve van klager heeft ingezet. Ook staat vast dat de verpleegkundige in haar verklaring haar hoedanigheid van psychiatrisch verpleegkundige heeft genoemd, zij de verklaring heeft verstuurd vanaf haar werkmailadres en onder de mail haar professionele handtekening heeft gezet waarin staat: “Verpleegkundige Psychiatrie HIC”. Alhoewel de verpleegkundige in haar verweerschrift schrijft dat het niet haar bedoeling was om de verklaring af te geven als verpleegkundige, heeft ze tijdens de zitting aangegeven dat de ex-partner haar heeft gevraagd dit wel te benoemen. Zij heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. Gelet op al deze
omstandigheden heeft de verpleegkundige kennelijk meer gewicht willen geven aan de inhoud van haar verklaring door haar professionele functie op meerdere manieren naar voren te laten komen. Dat de verpleegkundige als verklaring geeft voor het gebruik van haar werkmailadres dat haar eigen (privé) laptop kapot was, zij de enige thuis was met een laptop en zij niet handig genoeg is in het omgaan met haar telefoon om de e-mail daarmee te versturen, maakt het oordeel van het college op dit punt niet anders.

5.7 De verpleegkundige had de verklaring om meerdere redenen niet mogen afgeven. In de richtlijn van de KNMG en in de Handreiking voor verpleegkundigen en verzorgenden “Hoe ga je om met een verzoek van de zorgvrager om een verklaring af te leggen” van de V&VN wordt ingegaan op de situatie dat de zorgverlener wordt gevraagd een verklaring af te geven over iemand met wie (wel) een behandelrelatie bestaat of heeft bestaan. In deze kwestie kwam het verzoek niet van iemand met wie de verpleegkundige een behandelrelatie heeft (gehad). Daarom had de verpleegkundige extra op haar hoede moeten zijn.

5.8 In de richtlijn van de KNMG staat dat een behandelend arts wel feitelijke medische informatie over een patiënt mag verstrekken als de patiënt daar toestemming voor geeft. Als voorbeeld wordt genoemd een bepaalde diagnose die is gesteld of bepaalde medicatie die is voorgeschreven.

5.9 In de Handreiking van de V&VN wordt duidelijk gemaakt dat je zeer terughoudend moet zijn in het afleggen van een verklaring op verzoek van een zorgvrager en wordt gewezen op de afwegingen die een verpleegkundige/verzorgende hierbij moet maken. Zo staat hierin onder meer:


“(…) Die professionele verantwoordelijkheid omvat naast je persoonlijke verantwoordelijkheid ook je functionele en je beroepsmatige verantwoordelijkheid: je verantwoordelijkheid als werknemer en je verantwoordelijkheid als lid van de beroepsgroep. (…) De afgelegde verklaring gaat een rol spelen buiten de gezondheidszorg en daarmee buiten jouw werkplek en beroepsdomein. Daarom is het belangrijk om in je afweging rekening te houden met de normen van je organisatie. Het is ook van belang om je handelen te toetsen aan de normen van de professionele beroepsuitoefening en om de professionele grenzen te bewaken. Daarbij moet je je ook afvragen of het afleggen van een verklaring het maatschappelijk vertrouwen in de beroepsgroep zal schaden. (…)
Als verpleegkundige of verzorgende ben je uitermate terughoudend met het verstrekken van een verklaring op verzoek van de zorgvrager aan derden over informatie die je tijdens de zorgverlening van of over de zorgvrager gekregen hebt en waarbij die verklaring bedoeld is voor gebruik buiten van of over de gezondheidszorg. (…)
Voordat je een besluit neemt over het wel of niet afleggen van een verklaring, is het belangrijk dat je anderen raadpleegt. Zij kunnen je helpen om duidelijk te krijgen of je in deze specifieke situatie nu wel of niet een verklaring af kunt of moet leggen. Je kunt bijvoorbeeld een collega, je leidinggevende of je beroepsorganisatie de situatie geanonimiseerd voorleggen met de vraag wat naar hun idee de beste handelwijze is. (…)

Een waardeoordeel geef je niet, als de conclusies gaan over een terrein dat buiten jouw deskundigheidsgebied ligt. Je zegt bijvoorbeeld niet dat de zorgvrager wel of niet tot verantwoord ouderschap in staat is, als de beoordeling daarvan niet tot jouw deskundigheid behoort. (…)
Je geeft alleen feitelijke informatie over (de gezondheidstoestand van) de zorgvrager. Je spreekt opnieuw geen waardeoordeel uit.”

5.10 Hieruit volgt duidelijk dat de verpleegkundige, zelfs al was er wel een behandelrelatie (geweest) met klager, een zeer zorgvuldige afweging had moeten maken bij de beslissing om een verklaring op te stellen. Zeker nu het voor de verpleegkundige van meet af aan duidelijk was dat de ex-partner de verklaring in een gerechtelijke procedure zou gebruiken. Daarnaast schrijft de richtlijn voor dat het belangrijk is anderen te raadplegen en de grenzen van de eigen deskundigheid in acht te nemen. Dat heeft de verpleegkundige niet gedaan.

5.11 Ook maakt de inhoud van de verklaring dat de verpleegkundige niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk verpleegkundige had behoren te doen. De hiervoor aangehaalde richtlijn schrijft namelijk voor dat alleen feitelijke informatie opgeschreven mag worden en dat er geen waardeoordeel mag worden gegeven. Hier heeft de verpleegkundige zich niet aan gehouden. De verpleegkundige heeft informatie over de gezondheidstoestand van klager genoemd die zij enkel gebaseerd heeft op informatie die zij via de ex-partner heeft verkregen en op dat wat klager haar zou hebben verteld toen hij en de ex-partner nog een relatie hadden. De verpleegkundige heeft aangegeven klager niet meer te hebben gesproken sinds hij en de ex-partner uit elkaar zijn gegaan. Los hiervan klopt de inhoud van de verklaring van de verpleegkundige volgens klager niet, zoals de beweringen dat klager een bipolaire stoornis heeft en “meerdere tentamen suicidii” heeft gepleegd. Het college is het met klager eens dat dergelijke uitlatingen schadelijke gevolgen voor hem kunnen hebben. Of klager daadwerkelijk in de kort gedingprocedure met zijn ex-partner benadeeld is door deze verklaring, zoals klager beweert, doet niet ter zake. Het gaat er om dat de verpleegkundige nooit een medische verklaring over een derde had mogen opstellen en al helemaal niet met deze inhoud en in deze vorm.

Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond zijn.

Maatregel
5.13 Uit het voorgaande volgt dat de verpleegkundige verwijtbaar heeft gehandeld door in haar hoedanigheid van verpleegkundige een verklaring op te stellen zonder ooit een behandelrelatie met klager te hebben gehad en in de wetenschap dat deze verklaring in een gerechtelijke procedure zou worden gebruikt. Bovendien is de inhoud van haar verklaring niet objectief en is deze niet uitsluitend op feiten gebaseerd.
Het college zal de verpleegkundige de maatregel van berisping opleggen, vanwege de ernst van het verwijt dat de verpleegkundige kan worden gemaakt. Daarnaast weegt mee dat het college, mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting met haar besproken is, niet de overtuiging heeft gekregen dat de verpleegkundige inmiddels inzicht heeft gekregen in de onjuistheid van haar handelen en daar op adequate wijze op heeft gereflecteerd.

Publicatie
5.14 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere verpleegkundigen en zorgverleners in het algemeen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager ontvankelijk;
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de verpleegkundige de maatregel op van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nursing en V&VN.

Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, W.M.E. Bil, J.H. Hunink en E.M. Rozemeijer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.M. Tan, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.