ECLI:NL:TGZRAMS:2026:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8994
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:123 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-05-2026 |
| Datum publicatie: | 26-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8994 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is deels kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht en de klacht is voor het overige kennelijk ongegrond. Klaagster vindt dat de behandelend psychotherapeut van haar ex-partner door ernstig en herhaaldelijk onprofessioneel handelen haar veiligheid en welzijn en dat van haar 6-jarige dochter in gevaar heeft gebracht. Voor zover klaagster klaagt over handelingen in het kader van de behandeling van haar ex-partner, is zij niet-ontvankelijk. In de klachtonderdelen over het handelen van de psychotherapeut jegens klaagster als naaste, is zij wel ontvankelijk. Die klachtonderdelen verklaart het college kennelijk ongegrond.Zie ook: A2025/8691 (verweerder in hoedanigheid van psychiater). |
A2025/8994
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 26 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
psychotherapeut,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychotherapeut, gemachtigde: mr. E.A. Kadijk, werkzaam
te Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de behandelend psychotherapeut
van haar ex-partner
(hierna: patiënt). Zij meent dat de psychotherapeut door ernstig en herhaaldelijk
onprofessioneel
handelen haar veiligheid en welzijn en dat van haar 6-jarige dochter in gevaar heeft
gebracht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk
is en dat de
klacht voor het overige kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet
nodig is om nog
vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond
kan worden
verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, met als bijlage de pleitnota
van klaagster
en aanvullende stukken, gehouden op 10 december 2025;
- de brief van de gemachtigde van de psychotherapeut van 12 januari 2026, binnengekomen
op 13
januari 2026, met als bijlage WhatsAppverkeer tussen de
psychotherapeut en klaagster.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënt is in 2022 bij de psychotherapeut onder behandeling gekomen. Klaagster
en patiënt
hadden voor november dat jaar een camperreis naar D gepland, waarbij zij hun minderjarige
dochter
zouden meenemen. Ondanks hun relatieproblemen besloten zij de reis te laten doorgaan.
De
psychotherapeut heeft in verband hiermee drie systeemgesprekken met hen gevoerd
en daarin onder
meer de onderliggende patronen binnen hun huwelijk besproken en hen praktische adviezen
gegeven
voor het hanteren van eventueel oplopende spanningen. In verband met spanningen
hebben klaagster en
patiënt tijdens de reis een aantal maal contact met de psychotherapeut gezocht.
3.2 Na terugkeer van de reis, eind januari 2023, heeft de psychotherapeut de behandeling
van
patiënt weer vervolgd. In april 2023 vertelde patiënt dat klaagster het huwelijk
wilde beëindigen
en dat er een conflict was ontstaan over de omgangsregeling met hun dochter. Op
verzoek van patiënt
heeft de psychotherapeut op 14 mei 2023 schriftelijk informatie aan diens advocaat
verstrekt. In
juni 2023 heeft de psychotherapeut op verzoek van Veilig Thuis informatie verstrekt
over de
behandeling van patiënt en deels over klaagster.
3.3 De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft naar aanleiding van
beschuldigingen
van klaagster over patiënt een onderzoek ingesteld en de psychotherapeut op 14 april
2025 om
informatie verzocht, waaraan de psychotherapeut op 25 april 2025 voldeed. Klaagster
heeft op 12
juni 2025 contact met de psychotherapeut opgenomen. Zij had zijn informatie aan
de Raad gezien en
kon zich daarin niet vinden. De psychotherapeut heeft diezelfde dag een gecorrigeerde
versie van
zijn brief, onder intrekking van zijn eerdere brief, aan de Raad gestuurd.
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Klaagster verwijt de psychotherapeut dat hij:
a) niet zorgvuldig, objectief en onafhankelijk verklaringen heeft opgesteld die
in gerechtelijke
procedures worden gebruikt;
b) heeft gehandeld zonder professionele distantie, dit is ten koste gegaan van de
veiligheid van de
dochter van klaagster en de veiligheid van haarzelf
c) diagnostische beoordelingen (borderline, narcistische persoonlijkheidsstoornis)
van andere
erkende instellingen (E) heeft ondermijnd;
d) de veiligheid van de dochter van klaagster en van klaagster niet heeft gewaarborgd,
dit ondanks
directe signalen van onveiligheid.
4.2 De psychotherapeut heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te
verklaren en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de psychotherapeut het college verzocht de
klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De psychotherapeut heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk
is in de klacht,
omdat er geen behandelrelatie bestond tussen de psychotherapeut en klaagster. Het
college komt tot
het oordeel dat klaagster in de klachtonderdelen b en c kennelijk niet-ontvankelijk
is. In de
overige klachtonderdelen is zij wel ontvankelijk.
5.2 De psychotherapeut is op grond van artikel 47 eerste lid 1 aanhef en onder a
van de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) onderworpen aan tuchtrechtspraak
ten aanzien
van enig handelen in strijd met de zorg die hij in zijn hoedanigheid van beroepsbeoefenaar
behoort
te betrachten ten opzichte van:
1° degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of
zijn bijstand is ingeroepen;
2° (…)
3° de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen.
5.3 Ten tijde van de verweten gedragingen was klaagster als de partner van patiënt
een naaste
betrekking. De klachtonderdelen b en c hebben beide betrekking op handelingen in
het kader van de
medische behandeling van patiënt en niet op handelen jegens klaagster als naaste
betrekking. Ten
aanzien van die klachtonderdelen kan klaagster daarom niet worden ontvangen in haar
klacht.
5.4 De klachtonderdelen a en d hebben betrekking op het handelen van de psychotherapeut
jegens
klaagster als naaste. Zij is in die klachtonderdelen ontvankelijk.
5.5 Het college zal de klachtonderdelen a en d daarom verder inhoudelijk bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling van de overige klachtonderdelen?
5.6 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut.
Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de psychotherapeut geldende beroepsnormen en
andere
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen
is niet altijd
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.7 Het college oordeelt dat de psychotherapeut niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a: niet zorgvuldig, niet objectief en niet onafhankelijk opstellen
van verklaringen
die gebruikt worden in gerechtelijke procedures
5.8 Dit klachtonderdeel ziet op de verklaringen die de psychotherapeut heeft opgesteld
voor de
advocaat van patiënt, Veilig Thuis en de eerste en herstelde brief aan de Raad.
5.9 In de eerste brief aan de Raad heeft de psychotherapeut uitspraken gedaan die
als niet
volledig zakelijk kunnen worden aangemerkt. Na de reactie van klaagster daarop heeft
de
psychotherapeut deze brief direct ingetrokken en een herstelde brief ervoor in de
plaats gesteld,
waarin deze uitspraken zorgvuldig zijn verwijderd. Het college is, gelet op deze
gang van zaken,
van oordeel dat hem van de eerste brief geen tuchtrechtelijk verwijt te maken is.
5.10 Uit de aan het college beschikbaar gestelde informatie blijkt voor het overige
niet dat de
verklaringen van de psychotherapeut onjuist of onzorgvuldig zijn.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d: het niet waarborgen van de veiligheid van klaagster en haar dochter
5.11 Voor zover klaagster hiermee doelt op de veiligheid in zijn algemeenheid en
angst voor
patiënt, merkt het college op dat niet duidelijk is geworden hoe het medisch handelen
van de
psychotherapeut van invloed is geweest op het gevoel van onveiligheid. Voor zover
het
klachtonderdeel specifiek ziet op een onveilig gevoel tijdens de vakantiereis in
D, merkt het
college het volgende op. Uit de overgelegde berichten blijkt dat de psychotherapeut
zich heeft
ingespannen om escalaties te voorkomen. Dit heeft hij gedaan door daaraan voorafgaand
gesprekken
met hen te hebben over onderliggende patronen in de relatie en hen praktische adviezen
te geven
over het omgaan met onverwacht oplopende spanningen. Ook tijdens de betreffende
reis is hij voor
hen beschikbaar geweest en heeft hij ondersteuning via videobellen aangeboden. Niet
is gebleken dat
hij onzorgvuldig of onprofessioneel heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in de
klachtonderdelen
b en c en dat klachtonderdelen a en d ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk wat betreft klachtonderdelen
b en c;
- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 mei 2026 door J.F. Aalders, voorzitter, H.J. de Boer
en H.J.
Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.