ECLI:NL:TGZRAMS:2026:12 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8636

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:12
Datum uitspraak: 13-01-2026
Datum publicatie: 13-01-2026
Zaaknummer(s): A2025/8636
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft meerdere verzoeken tot een zorgmachtiging met betrekking tot klager geïnitieerd. Klager verwijt verweerder onder meer geen of onjuiste diagnoses te hebben gesteld en onjuiste behandelingen te hebben toegepast. Het college oordeelt dat de psychiater inzichtelijk en deugdelijk heeft onderbouwd op grond waarvan de diagnose passend is. De verleende zorgmachtigingen legitimeerden de op hem toegepaste verplichte zorg. De aan klager verstrekte medicatie zijn ook passend bij de behandeling van de psychiatrische klachten van klager. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

A2025/8636
Beslissing van 13 januari 2026



REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 januari 2026 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
psychiater,
destijds werkzaam te B,
verweerder,
gemachtigde: mr. F. Westenberg, werkzaam te Zwaag.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager is vanaf 2014 regelmatig vrijwillig en gedwongen, met een crisismaatregel of zorgmachtiging, opgenomen geweest in verband met psychotische klachten. Verweerder is vanaf augustus 2022 via het FACT-team als psychiater bij de behandeling van klager betrokken. Verweerder heeft meerdere verzoeken tot een zorgmachtiging met betrekking tot klager geïnitieerd. Klager verwijt verweerder onder meer geen of onjuiste diagnoses te hebben gesteld en onjuiste behandelingen te hebben toegepast.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen 16 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. De feiten
3.1 Verweerder is als psychiater werkzaam voor D. Hij is als zodanig verbonden aan het ambulant team E en tevens werkzaam in de crisisdienst. Het eerste contact van verweerder met klager was op 2 augustus 2022. Klager is toen door de psychiater van het IHT-team B van D verwezen naar verweerder. Er is toen vrijwillige zorg opgestart bij het FACT-team, waaraan verweerder als behandelaar was verbonden. Verweerder is vanaf dat moment als hoofdbehandelaar betrokken bij de psychiatrische zorg voor klager.

3.2 In de periode daarna is klager regelmatig met toepassing van crisismaatregelen en zorgmachtigingen gedwongen opgenomen geweest. Bij klager is sprake van een ernstig psychotisch toestandsbeeld, waarbij het gebruik van verschillende drugs een rol speelt. Van medio februari tot medio maart 2023 zat klager wegens verdenking van strafbare feiten in voorarrest in de Psychiatrische Penitentiaire Inrichting (hierna: de PPI) in F. De behandelend psychiater van de PPI heeft op 16 maart 2023 telefonisch contact opgenomen met verweerder in verband met het ontslag van klager uit de PPI.

3.3 Vanaf 2 maart 2025 tot medio augustus 2025 is klager in verband met een psychotische decompensatie op basis van een crisismaatregel en een door de rechtbank G bij beschikking van 1 april 2025 afgegeven zorgmachtiging opgenomen geweest in de H.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) Geen of een onjuiste diagnose heeft gesteld;
b) Een onjuiste behandeling is gestart en heeft gecontinueerd;
c) Onterecht de geheimhoudingsplicht doorbroken.

4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdelen a) onjuiste/geen diagnose
5.3 Verweerder heeft onder meer aan de hand van het medisch dossier van klager toegelicht dat tijdens de behandeling van klager door het IHT-team aanvankelijk de diagnose bipolaire 1 stoornis werd aangehouden, maar dat uiteindelijk door de psychiater die klager ruim 2 jaar behandelde de werkdiagnose schizofrenie is gesteld. Vanaf de aanmelding van klager bij het FACT- team hebben diverse consulten bij verweerder plaatsgevonden, inclusief anamnese en psychiatrisch onderzoek. Verweerder heeft op 24 februari 2023 een dossieronderzoek verricht. Verweerder heeft toegelicht dat hij op basis van dit dossieronderzoek, eerdere conclusies en beschrijvende diagnoses, rapportages van kliniekpsychiaters, dienstdoende en kliniekartsen en onafhankelijke psychiaters, die klager zagen in het kader van aangevraagde zorgmachtigingen, en eigen psychiatrisch onderzoek en gesprekken met klager de eerder gestelde diagnose schizofrenie heeft onderschreven.

5.4 Het college is van oordeel dat verweerder voldoende heeft toegelicht dat klager in de loop van de jaren herhaaldelijk psychiatrisch is onderzocht en beoordeeld. Ook verweerder zelf heeft diagnostisch onderzoek bij klager verricht en meerdere gesprekken met klager gevoerd. Verweerder heeft inzichtelijk en deugdelijk onderbouwd op grond waarvan de met betrekking tot klager reeds eerder gestelde en door verweerder gehandhaafde hoofddiagnose schizofrenie nog steeds passend is. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b) starten en continueren van een onjuiste behandeling
5.5 Het college overweegt dat voor zover klager klachten heeft over de op hem toegepaste verplichte zorg, de verleende zorgmachtigingen (laatstelijk bij beschikking van 1 april 2025) daartoe legitimeerden. De door (onder meer) op advies van verweerder aan klager verstrekte antipsychotica zijn ook overigens passend bij de behandeling van de psychiatrische klachten van klager. Ook overigens heeft het college niet kunnen vaststellen dat verweerder een onjuiste behandeling op klager heeft toegepast en/of heeft gecontinueerd. Klachtonderdeel b) is eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel c) het onterecht doorbreken van de geheimhoudingsplicht
5.6 Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder in zijn contact met de psychiater van de PPI zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De psychiater verbonden aan de PPI te F heeft in verband met het ontslag van klager uit de PPI contact gehad met verweerder als verantwoordelijk behandelaar buiten de PPI. Verweerder heeft toegelicht dat hij daarbij voor de behandeling relevante informatie heeft ontvangen, maar zelf geen informatie heeft verstrekt. Het college heeft geen aanwijzingen dat dit anders zou zijn. Ook overigens geldt dat klager reeds in februari 2023 mondeling en schriftelijk toestemming had gegeven om informatie te delen met de SPV van de PPI F. Ook klachtonderdeel c) is ongegrond.

Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 13 januari 2026 door W.A.H. Melissen, voorzitter, A.C.M. Kleinsman en A.E. van ‘t Hoog, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.