ECLI:NL:TGZRAMS:2026:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8525
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:116 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-05-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8525 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater, die ook geneesheer-directeur is, heeft een afweging gemaakt in de rol van psychiater, en niet in de rol van geneesheer-directeur. Tweede tuchtnorm. De psychiater onderschreef het tijdens het MDO afgesproken beleid om contact op te nemen met de moeder van klaagster, ook nadat klaagster had aangegeven dit niet te willen. Er was geen sprake van een noodsituatie die zodanig acuut was dat een andere oplossing niet kon worden afgewacht. De psychiater heeft gereflecteerd op de gebeurtenis. Klacht gegrond, waarschuwing. |
A2025/8525
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 19 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
psychiater, werkzaam in D, verweerster,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege suïcidaliteit en zelfbeschadigend
gedrag. Tijdens een multidisciplinair overleg (MDO) is een ontslagplan voor klaagster
gemaakt en is
besloten om, zonder toestemming van klaagster, de moeder van klaagster hierover
te informeren. Bij
dat overleg waren onder meer een andere psychiater en klaagsters regiebehandelaar
aanwezig.
Verweerster is in de GGZ-instelling werkzaam als geneesheer-directeur. Na het overleg
is zij over
het ontslagplan geïnformeerd, inclusief het voornemen om contact op te nemen met
klaagsters moeder,
en zij heeft daarmee ingestemd. Klaagster verwijt de verweerster dat zij hiermee
haar beroepsgeheim
heeft doorbroken. Verweerster heeft verweer gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het
college eerst
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 mei 2025;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het op 28 november 2025 gehouden mondelinge
vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026. De partijen zijn
verschenen.
Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerster
heeft
pleitnotities voorgelezen en aan het college en klaagster overhandigd.
2.3 Gelijktijdig met deze zaak zijn twee samenhangende klachten ingediend tegen
de andere
psychiater (zaaknummer A2025/8524) en de verpleegkundig specialist die regiebehandelaar
van
klaagster was (zaaknummer A2025/8526). De zaak is gelijktijdig met deze twee klachten
op de zitting
behandeld.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 2002, was op 1 maart 2024 opgenomen op de High Intensive
Care van E in
D, een locatie van F (hierna: de instelling). In de zeven maanden voor de opname
had klaagster op
verschillende locaties verbleven en was haar toestandsbeeld verslechterd; er was
in toenemende mate
sprake van suïcidaliteit, zelfbeschadigend gedrag en impulscontroleproblemen. Een
zorgmachtiging
was verleend tot 29 mei 2024.
3.2 Op 19 maart 2024 vond een multidisciplinair overleg (MDO) plaats met behandelaren
van
verschillende locaties van de instelling, zowel uit de klinische als de ambulante
setting. Het doel
van het MDO was om de behandelmogelijkheden voor klaagster te bespreken. Bij dit
overleg waren de
psychiater en de verpleegkundig specialist, die regiebehandelaar van klaagster was,
aanwezig,
verweerster was niet aanwezig bij dit overleg. Vlak voordat het MDO begon was klaagster
gesepareerd
(ingesloten), omdat zij de regiebehandelaar had bedreigd.
3.3 Het voorgenomen beleid van het MDO was om klaagster haar eigen verantwoordelijkheid
en
autonomie terug te geven en haar verder ambulant te behandelen. Dit betekende dat
werd toegewerkt
naar ontslag uit de kliniek. Hierbij kwam ook het woonprobleem van klaagster aan
de orde. Klaagster
had geen woning, de moeder van klaagster had aangegeven dat klaagster na de opname
niet meer bij
haar kon wonen en klaagster had een mogelijke maatschappelijke woonvorm afgewezen.
Tijdens het MDO
is besloten om de moeder van klaagster in te lichten over het naderende ontslag,
hoewel bekend was
dat klaagster dat niet wilde. Afgesproken was om dit beleid eerst bij de geneesheer-directeur
(verweerster) te toetsen.
3.4 De regiebehandelaar heeft klaagster over het ontslagplan geïnformeerd en heeft
met haar
besproken dat haar moeder zou worden gebeld over het naderende ontslag. Klaagster
liet weten dat
zij zich zou suïcideren als haar moeder werd ingelicht.
3.5 Hierna nam de regiebehandelaar telefonisch contact op met verweerster over de
beslissing om
klaagster in te sluiten. Daarnaast bespraken zij de uitkomst van het MDO. Verweerster
onderschreef
het beleid zoals dat tijdens het MDO was afgesproken, waaronder het informeren van
de moeder van
klaagster.
3.6 Vervolgens heeft de psychiater die ook bij het MDO aanwezig was geweest diezelfde
dag de
moeder van klaagster gebeld. In dat gesprek heeft de psychiater informatie over
de opname en de
behandeling van klaagster met klaagsters moeder gedeeld. In het zorgdossier heeft
de psychiater
hierover het volgende genoteerd: “Zoals afgesproken moeder gebeld, moeder geeft aan dat ze erg
graag contact zou willen met pte.”
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij door in te stemmen met het plan om te
bellen met de
moeder van klaagster het beroepsgeheim heeft doorbroken en daarmee een gevaarlijke
situatie voor
klaagster heeft gecreëerd. Klaagster heeft toegelicht dat zij hierna een tijd door
haar moeder is
lastig gevallen en gestalkt.
4.2 Verweerster heeft toegelicht onder welke omstandigheden de beslissing om moeder
van klaagster
te bellen genomen is, ondanks dat klaagster dat niet wilde. Achteraf is verweerster
van mening dat
het zorgvuldiger was geweest als eerst de eerste contactpersoon van klaagster was
benaderd.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt in de eerste plaats vast dat de klacht - behalve tegen de
twee overige
zorgverleners - zich ook richt tegen verweerster. Tijdens het mondelinge vooronderzoek,
waarbij
verweerster en de twee andere zorgverleners aanwezig waren, heeft klaagster verduidelijkt
dat de
klacht ook tegen verweerster is gericht omdat zij betrokken is geweest bij het proces
voorafgaand
aan het bellen van klaagster moeder. Door de gemachtigde van verweerster is tijdens
het mondeling
vooronderzoek ook benoemd dat de klacht blijkbaar als zodanig moet worden opgevat.
Ontvankelijkheid
5.2 Ambtshalve overweegt het college dat klaagster in haar klacht tegen verweerster
ook
ontvankelijk is. Het college is van oordeel dat verweerster in deze zaak niet uitsluitend
is
opgetreden in een beleids- en beheersmatige rol. Bij de beslissing van de regiebehandelaar
om
klaagster in te sluiten, is het verplicht om de geneesheer-directeur als psychiater
te consulteren.
Daarnaast is verweerster geconsulteerd over het voorgenomen beleid. Het college
stelt vast dat
verweerster, die een BIG-registratie heeft als psychiater, deze afweging vervolgens
heeft gemaakt
in de rol van psychiater en niet in de rol van de geneesheer-directeur als bestuurder
vanuit de
organisatie van de zorg en de randvoorwaarden waaronder die wordt verleend. Daarmee
is de tweede
tuchtnorm als bedoeld in artikel 47 van de wet BIG van toepassing.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is vervolgens of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere
professionele standaarden. In deze klachtzaak is daarbij meer concreet de vraag
of het
beroepsgeheim is geschonden. Op grond van het beroepsgeheim mag zonder toestemming
van de patiënt
geen informatie over de behandeling worden gedeeld met, in dit geval, een naaste.
Dit beroepsgeheim
kan slechts onder bijzondere omstandigheden doorbroken worden, op grond van goed
hulpverlenerschap,
zoals bij een acute noodsituatie.
De beoordeling van de klacht
5.4 Duidelijk is dat verweerster en de overige zorgverleners die in deze kwestie
bij de
behandeling van klaagster betrokken waren zich enorm hebben ingespannen om klaagster
goede hulp te
verlenen, in een zeer complexe situatie. Duidelijk is ook dat klaagster niet wilde
dat haar moeder
werd ingelicht en dat verweerster hiervan op de hoogte was. Dat heeft klaagster
gezegd op 19 maart
2024 toen de regiebehandelaar haar na het MDO een terugkoppeling gaf van het overleg,
en die
informatie is vervolgens met verweerster gedeeld. Voor zover op dat moment getwijfeld
kon worden
aan klaagsters wilsbekwaamheid, merkt het college op dat klaagster ook voordien
al meermalen had
aangegeven dat niet te willen.
5.5 De vraag is vervolgens of er sprake was van een acute noodsituatie waardoor
verweerster en de
andere zorgverleners voorbij konden gaan aan de weigering van klaagster om haar
moeder te
informeren.
Zij hebben betoogd dat dit het geval was. Klaagster had veel ernstige psychiatrische
problemen,
waarbij sprake was van suïcidaliteit en automutilatie. Er was lopend beleid ingezet
om haar
klachten te behandelen vanuit een klinische setting, maar er traden bij klaagster
meer en meer
situaties op waarin dit niet meer goed lukte. Dit stelde de behandelaren voor een
dilemma,
aangezien klaagster in de klinische setting niet meer behandelbaar bleek, maar men
haar ook niet
zonder woon- of verblijfsruimte de kliniek uit wilde sturen. Op 19 maart 2024 escaleerde
de
situatie waardoor klaagster in de separeercel moest worden geplaatst.
5.6 Het college is van oordeel dat er daarmee op zich sprake was van een noodsituatie.
Als gevolg
daarvan was feitelijk niet mogelijk om overleg te voeren met de naasten van klaagster,
terwijl dit
wel uitermate wenselijk was. Ook is duidelijk dat klaagsters moeder in het verleden
een helpende
invloed had gehad op klaagster.
5.7 Om voorbij te kunnen gaan aan de weigering van klaagster om contact met haar
moeder op te
nemen, had de noodsituatie naar het oordeel van het college echter een zodanig acuut
karakter
moeten hebben dat er daarom onmiddellijk gehandeld moest worden. Verweerster en
de andere
zorgverleners hebben echter niet kunnen verduidelijken dat dit op 19 maart 2024
het geval was en
dat er onmiddellijk gehandeld moest worden, en niet bijvoorbeeld nog een etmaal
kon worden gewacht.
De zorgmachtiging die voor klaagster was afgegeven liep op dat moment nog geruime
tijd door. Ze hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat er geen andere oplossing was,
bijvoorbeeld het toch - ondanks haar terughoudendheid om een standpunt in te nemen
- proberen om de eerste contactpersoon de kwestie voor te leggen.
Daarbij speelt mee dat normaal gesproken het informeren van één (van de) ouder(s)
een beschermende
factor is bij suïcidale patiënten, maar dat verweerster en de andere zorgverleners
niet hebben
kunnen uitleggen hoe zij hebben getaxeerd dat contact zoeken in dit geval ook tot
positieve
gevolgen zou leiden. Klaagster had meerdere keren, ook toen zij in de separeercel
een
terugkoppeling kreeg van het overleg, te kennen gegeven dat het slechter met haar
zou gaan als haar
moeder benaderd zou worden. Bovendien was het verweerster en de andere zorgverleners
bekend dat
klaagsters moeder op dat moment zelf gebukt ging onder ernstige psychiatrische problematiek.
5.8 Het college is dan ook niet overtuigd geraakt van de doelmatigheid van het contact
zoeken met
klaagsters moeder. Veeleer lijkt het te zijn gegaan om te onderzoeken of de moeder
eventueel
bruikbare informatie zou kunnen geven over een mogelijke woon- of verblijfplaats.
Door het zoeken
van contact met klaagsters moeder en haar in te lichten over de situatie waarin
klaagster op dat
moment verkeerde, is het beroepsgeheim doorbroken, zonder dat er op dat moment sprake
was van een
noodsituatie die zodanig acuut was dat een andere oplossing niet kon worden afgewacht.
Naar het
oordeel van het college is verweerster hiervoor medeverantwoordelijk doordat zij
het beleid heeft
geaccordeerd.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.10 Bij de beslissing welke maatregel moet worden opgelegd heeft het college overwogen
dat
verweerster en de andere zorgverleners zich gesteld zagen voor een op zichzelf invoelbaar
dilemma
en meenden dat zij snel moesten beslissen en om die reden de wens van klaagster
hebben overruled.
Ook met de kennis van toen hadden zij echter kritischer moeten zijn op de vraag
wat de gevolgen
zouden zijn als korte tijd gewacht zou worden met het nemen van een beslissing en
of het niet beter
was geweest om toch de eerste contactpersoon te benaderen en de kwestie met haar
te bespreken,
ondanks dat de eerste contactpersoon liever geen standpunt wilde innemen. Klaagster
heeft
onweersproken gesteld dat het opnemen van contact met haar moeder voor haar zeer
lastige gevolgen
heeft gehad. Tegelijkertijd ziet het college dat zowel verweerster als de andere
zorgverleners
hebben gereflecteerd op de gebeurtenis en dat zij ook zelf inzien dat anders gehandeld
had moeten
worden. Al met al is het college van oordeel dat daarom kan worden volstaan met
een waarschuwing.
Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties
herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
legt verweerster de maatregel op van waarschuwing:
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, H.J. Kolthof
en A.M. van
Hemert, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris,
en
in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.