ECLI:NL:TGZRAMS:2026:115 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8524
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:115 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-05-2026 |
| Datum publicatie: | 19-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8524 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft haar beroepsgeheim geschonden door na een MDO contact op te nemen met de moeder van klaagster, ook nadat klaagster had aangegeven dit niet te willen. De psychiater was betrokken bij het bepalen van dat beleid. Er was geen sprake van een noodsituatie die zodanig acuut was dat een andere oplossing niet kon worden afgewacht. De psychiater heeft gereflecteerd op de gebeurtenis. Klacht gegrond, waarschuwing. |
A2025/8524
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 19 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
psychiater, werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege suïcidaliteit en zelfbeschadigend
gedrag. Tijdens een multidisciplinair overleg is een ontslagplan gemaakt en is besloten
om, zonder
toestemming van klaagster, de moeder van klaagster hierover te informeren. Hierna
heeft de
psychiater de moeder van klaagster geïnformeerd over het ontslagplan. Klaagster
verwijt de
psychiater dat zij hiermee haar beroepsgeheim heeft doorbroken. De psychiater heeft
verweer
gevoerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het
college eerst
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 mei 2025;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het op 28 november 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- aanvullende stukken, ontvangen van de gemachtigde van verweerster op 13 en 22
januari 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026. De partijen zijn
verschenen.
Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerster
heeft
pleitnotities voorgelezen en aan het college en klaagster overhandigd.
2.3 Gelijktijdig met deze zaak zijn twee samenhangende klachten ingediend tegen
de
geneesheer-directeur (zaaknummer A2025/8525) en de verpleegkundig specialist die
regiebehandelaar
van klaagster was (zaaknummer A2025/8526). De zaak is gelijktijdig met deze twee
klachten op de
zitting behandeld.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 2002, was op 1 maart 2024 opgenomen op de High Intensive
Care van E in
F, een locatie van G (hierna: de instelling). In de zeven maanden voor de opname
had klaagster op
verschillende locaties verbleven en was haar toestandsbeeld verslechterd; er was
in toenemende mate
sprake van suïcidaliteit, zelfbeschadigend gedrag en impulscontroleproblemen. Een
zorgmachtiging
was verleend tot 29 mei 2024.
3.2 Op 19 maart 2024 vond een multidisciplinair overleg (MDO) plaats met behandelaren
van
verschillende locaties van de instelling, zowel uit de klinische als de ambulante
setting. Het doel
van het MDO was om de behandelmogelijkheden voor klaagster te bespreken. De psychiater
was bij dit
overleg aanwezig als afgevaardigde van de locatie H. Zij kende klaagster niet en
was niet eerder
betrokken geweest bij de behandeling van klaagster. Vlak voordat het MDO begon was
klaagster
gesepareerd (ingesloten), omdat zij de regiebehandelaar had bedreigd.
3.3 Het voorgenomen beleid van het MDO was om klaagster haar eigen verantwoordelijkheid
en
autonomie terug te geven en haar verder ambulant te behandelen. Dit betekende dat
werd toegewerkt
naar ontslag uit de kliniek. Hierbij kwam ook het woonprobleem van klaagster aan
de orde. Klaagster
had geen woning, de moeder van klaagster had aangegeven dat klaagster na de opname
niet meer bij
haar kon wonen en klaagster had een mogelijke maatschappelijke woonvorm afgewezen.
Tijdens het MDO
is besloten om de moeder van klaagster in te lichten over het naderende ontslag,
hoewel bekend was
dat klaagster dat niet wilde. Afgesproken was om dit beleid eerst bij de geneesheer-directeur
te
toetsen.
3.4 De regiebehandelaar heeft klaagster over het ontslagplan geïnformeerd en heeft
met haar
besproken dat haar moeder zou worden gebeld over het naderende ontslag. Klaagster
liet weten dat
zij zich zou suïcideren als haar moeder werd ingelicht.
3.5 Hierna nam de regiebehandelaar telefonisch contact op met de geneesheer-directeur
over de
beslissing om klaagster in te sluiten. Daarnaast bespraken zij de uitkomst van het
MDO. De
geneesheer-directeur onderschreef het beleid zoals dat tijdens het MDO was afgesproken,
waaronder
het informeren van de moeder van klaagster.
3.6 Vervolgens heeft de psychiater diezelfde dag de moeder van klaagster gebeld.
In dat gesprek
heeft de psychiater informatie over de opname en de behandeling van klaagster met
klaagsters moeder
gedeeld. In het zorgdossier heeft de psychiater hierover het volgende genoteerd:
“Zoals afgesproken
moeder gebeld, moeder geeft aan dat ze erg graag contact zou willen met pte.”
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater dat zij door te bellen met de moeder van klaagster
het
beroepsgeheim heeft doorbroken en daarmee een gevaarlijke situatie voor klaagster
heeft gecreëerd.
Klaagster heeft toegelicht dat zij hierna een tijd door haar moeder is lastig gevallen
en gestalkt.
4.2 De psychiater heeft toegelicht onder welke omstandigheden de beslissing om moeder
van
klaagster te bellen genomen is, ondanks dat klaagster dat niet wilde. Achteraf is
de psychiater van
mening dat het zorgvuldiger was geweest als eerst de eerste contactpersoon van klaagster
was
benaderd.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. In deze klachtzaak is daarbij meer concreet de vraag of het beroepsgeheim
is
geschonden. Op grond van het beroepsgeheim mag zonder toestemming van de patiënt
geen informatie
over de behandeling worden gedeeld met, in dit geval, een naaste. Dit beroepsgeheim
kan slechts
onder bijzondere omstandigheden doorbroken worden, op grond van goed hulpverlenerschap,
zoals bij
een acute noodsituatie.
5.2 Duidelijk is dat de psychiater en de overige zorgverleners die in deze kwestie
bij de
behandeling van klaagster betrokken waren zich enorm hebben ingespannen om klaagster
goede hulp te
verlenen, in een zeer complexe situatie. Duidelijk is ook dat klaagster niet wilde
dat haar moeder
werd ingelicht en dat de psychiater hiervan op de hoogte was. Dat heeft klaagster
gezegd op 19
maart 2024 toen de regiebehandelaar haar na het MDO een terugkoppeling gaf van het
overleg. Voor
zover op dat moment getwijfeld kon worden aan klaagsters wilsbekwaamheid, merkt
het college op dat
klaagster ook voordien al meermalen had aangegeven dat niet te willen.
5.3 De vraag is vervolgens of er sprake was van een acute noodsituatie waardoor
de psychiater en
de andere zorgverleners voorbij konden gaan aan de weigering van klaagster om haar
moeder te
informeren. Zij hebben betoogd dat dit het geval was. Klaagster had veel ernstige
psychiatrische problemen,
waarbij sprake was van suïcidaliteit en automutilatie. Er was lopend beleid ingezet
om haar
klachten te behandelen vanuit een klinische setting, maar er traden bij klaagster
meer en meer
situaties op waarin dit niet meer goed lukte. Dit stelde de behandelaren voor een
dilemma,
aangezien klaagster in de klinische setting niet meer behandelbaar bleek, maar men
haar ook niet
zonder woon- of verblijfsruimte de kliniek uit wilde sturen.
Op 19 maart 2024 escaleerde de situatie waardoor klaagster in de separeercel moest
worden
geplaatst.
5.4 Het college is van oordeel dat er daarmee op zich sprake was van een noodsituatie.
Als gevolg
daarvan was feitelijk niet mogelijk om overleg te voeren met de naasten van klaagster,
terwijl dit
wel uitermate wenselijk was. Ook is duidelijk dat klaagsters moeder in het verleden
een helpende
invloed had gehad op klaagster.
5.5 Om voorbij te kunnen gaan aan de weigering van klaagster om contact met haar
moeder op te
nemen, had de noodsituatie naar het oordeel van het college echter een zodanig acuut
karakter
moeten hebben dat er daarom onmiddellijk gehandeld moest worden. De psychiater en
de andere
zorgverleners hebben echter niet kunnen verduidelijken dat dit op 19 maart 2024
het geval was en
dat er onmiddellijk gehandeld moest worden, en niet bijvoorbeeld nog een etmaal
kon worden gewacht.
De zorgmachtiging die voor klaagster was afgegeven liep op dat moment nog geruime
tijd door. Ze
hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat er geen andere oplossing was, bijvoorbeeld
het toch -
ondanks haar terughoudendheid om een standpunt in te nemen - proberen om de eerste
contactpersoon
de kwestie voor te leggen.
Daarbij speelt mee dat normaal gesproken het informeren van één (van de) ouder(s)
een beschermende
factor is bij suïcidale patiënten, maar dat de psychiater en de andere zorgverleners
niet hebben
kunnen uitleggen hoe zij hebben getaxeerd dat contact zoeken in dit geval ook tot
positieve
gevolgen zou leiden. Klaagster had meerdere keren, ook toen zij in de separeercel
een
terugkoppeling kreeg van het overleg, te kennen gegeven dat het slechter met haar
zou gaan als haar
moeder benaderd zou worden. Bovendien was het de psychiater en de andere zorgverleners
bekend dat
klaagsters moeder op dat moment zelf gebukt ging onder ernstige psychiatrische problematiek.
5.6 Het college is dan ook niet overtuigd geraakt van de doelmatigheid van het contact
zoeken met
klaagsters moeder. Veeleer lijkt het te zijn gegaan om te onderzoeken of de moeder
eventueel
bruikbare informatie zou kunnen geven over een mogelijke woon- of verblijfplaats.
Door het zoeken
van contact met klaagsters moeder en haar in te lichten over de situatie waarin
klaagster op dat
moment verkeerde, hebben de psychiater en de andere zorgverleners hun beroepsgeheim
doorbroken,
zonder dat er op dat moment sprake was van een noodsituatie die zodanig acuut was
dat een andere
oplossing niet kon worden afgewacht.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.8 Bij de beslissing welke maatregel moet worden opgelegd heeft het college overwogen
dat de
psychiater en de andere zorgverleners zich gesteld zagen voor een op zichzelf invoelbaar
dilemma en
meenden dat zij snel moesten beslissen en om die reden de wens van klaagster hebben
overruled. Ook
met de kennis van toen hadden zij echter kritischer moeten zijn op de vraag wat
de gevolgen zouden
zijn als korte tijd gewacht zou worden met het nemen van een beslissing en of het
niet beter was
geweest om toch de eerste contactpersoon te benaderen en de kwestie met haar te
bespreken, ondanks
dat de eerste contactpersoon liever geen standpunt wilde innemen. Klaagster heeft
onweersproken
gesteld dat het opnemen van contact met haar moeder voor haar zeer lastige gevolgen
heeft gehad.
Tegelijkertijd ziet het college dat zowel de psychiater als de andere zorgverleners
hebben
gereflecteerd op de gebeurtenis en dat zij ook zelf inzien dat anders gehandeld
had moeten worden.
Al met al is het college van oordeel dat daarom kan worden volstaan met een waarschuwing.
Publicatie
5.9 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverlenersmogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de psychiater de maatregel op van waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, H.J. Kolthof
en
A.M. van Hemert, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind,
secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.