ECLI:NL:TGZRAMS:2026:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8968

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:113
Datum uitspraak: 19-05-2026
Datum publicatie: 19-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/8968
Onderwerp:
  • Onvoldoende informatie
  • Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
  • Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster verwijt de gynaecoloog onder andere dat hij medisch onnodig en in strijd met het informed consent heeft gehandeld door zonder toestemming van klaagster haar ovarium te verwijderen, en dat hij onjuist en onvolledig verslag heeft gedaan aan de huisarts. Het college is van oordeel dat de gynaecoloog in dit geval de mogelijkheid van gehele verwijdering van het ovarium nadrukkelijk met klaagster had moeten bespreken. Alleen in geval van een medische situatie die de verwijdering van het ovarium op dat moment noodzakelijk maakte, had de gynaecoloog dat zonder specifieke toestemming van klaagster mogen doen; van een medische noodzaak was in dit geval geen sprake. Ook is de verslaglegging naar de huisarts ondermaats geweest. Berisping.  

A2025/8968

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 19 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
gynaecoloog,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de gyneacoloog.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster, die in een fertiliteitstraject zat, is door de gynaecoloog geopereerd wegens 
cystevorming op haar ovarium. Tijdens de operatie heeft de gynaecoloog besloten dat het niet 
mogelijk was de cystes ovariumsparend te verwijderen en heeft hij het ovarium in zijn geheel 
weggenomen. Na de operatie is een complicatie (buikwandhematoom) ontstaan.

1.2   Klaagster meent dat de gynaecoloog heeft gehandeld in strijd met het beginsel van informed 
consent: zij had geen toestemming gegeven voor het geheel wegnemen van het ovarium. Volgens haar 
was het wegnemen van het ovarium ook niet nodig. Verder klaagt zij over de behandeling van en het 
gevoerde beleid betreffende de complicatie en over de verslaglegging.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat een deel van de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het 
college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 27 augustus 2025;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het op 19 december 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 april 2026. De partijen zijn verschenen. De 
partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten
3.1   Klaagster, die destijds 44 jaar oud was, zou in een privékliniek een IVF behandeling 
ondergaan. De behandeling is niet voortgezet vanwege een toename van de omvang van meerdere cysten 
in het linker ovarium.

3.2   Vanwege het voorgaande is klaagster via een andere gynaecoloog doorverwezen naar de 
gynaecoloog (verweerder). Op 4 januari 2024 heeft een poliklinisch consult plaatsgevonden waarbij 
de mogelijkheden van een laparoscopische cystectomie zijn besproken.

3.3  De gynaecoloog heeft over dit consult onder meer genoteerd (alle citaten voor zover van belang 
en letterlijk weergegeven):
(…) Lichamelijk onderzoek: (…) Vaginale echoscopie toont een normale uterus in avf met normaal 
rechter ovarium en vergroot multicysteus ovarium proces met dunne septa, geen solide partijen, geen 
akoestische schaduw en geen ascites; afmeting thans 68x40x64mm. (…)
Conclusie: multicysteus RIP linker adnex
Beleid: gecounseld voor laparoscopische cystectomie links (mogelijk adnectomie). Procedure, 
complicatiekans en risico’s besproken en akkoord. Informed consent. Lab incl markers. POS afspraak. 
OK-lijst – gezien leeftijd en fertiliteitstraject graag zsm in te plannen. (…)

3.4   Aan klaagster is een patiëntenfolder uitgereikt. Daarin staat onder het kopje “Een cyste van 
de eierstok of een vergrote eierstok”: (…) Om uw klachten te verhelpen of om toekomstige klachten 
te voorkomen, adviseert de gynaecoloog een operatie. Deze bespreekt vóór de ingreep met u of de 
hele eierstok verwijderd wordt of alleen de cyste. In het laatste geval blijft een deel van de 
eierstok behouden. Soms is het pas tijdens de operatie mogelijk om te beoordelen of alleen de cyste 
verwijderd wordt of dat het noodzakelijk is de hele eierstok weg te nemen. (…) Onder het kopje 
“Risico’s en complicaties” staat: (…) Er kan in de buikwand of in de vagina een nabloeding 
optreden. Meestal verwerkt het lichaam zelf een bloeduitstorting, maar dit vergt een langere 
periode van herstel. Bij een ernstige nabloeding is soms een tweede operatie nodig, vaak via een 
grote snede. (…) Sommige vrouwen hebben na de operatie klachten als duizeligheid, slapeloosheid, 
moeheid, concentratiestoornissen, buik en/of rugpijn. Deze zijn niet ernstig te noemen, maar kunnen 
vervelend zijn. Als het verloop van het herstel na de operatie anders is of langer duurt dan 
verwacht, is het verstandig dit met uw huisarts of gynaecoloog te bespreken. (…)

3.5  Klaagster heeft op 4 januari 2024 een “informed consent formulier” ondertekend. Daarop is als 
ingreep vermeld: laparoscopische cystectomie links.

3.6   Op 9 januari 2024 heeft nog een telefonische afspraak plaatsgevonden waarbij klaagster vragen 
over de operatie aan de gynaecoloog kon stellen.

3.7   Op 31 januari 2024 heeft de operatie plaatsgevonden waarbij klaagster onder narcose is 
gebracht. Tijdens de operatie heeft de gynaecoloog besloten om het linker ovarium in zijn geheel te 
verwijderen omdat hij had vastgesteld dat het hele ovarium dunwandig cysteus was gedeformeerd en 
macroscopisch geen normaal overiumweefsel meer aanwezig was.

3.8  In het operatieverslag dat meteen na de operatie is opgemaakt staat:
Conclusie: vlotte ongecompliceerde laparoscopische adnectomie links. Totaal bloedverlies nihil. Een 
brief met dezelfde inhoud is aan de huisarts van klaagster gezonden.

3.9   Nadat klaagster uit de narcose was ontwaakt, heeft de gynaecoloog, tussen twee operaties 
door, aan haar verteld hoe de operatie was gegaan en dat het ovarium was weggenomen.

3.10  Halverwege de dag bleek zich bij klaagster een pijnlijk buikwand hematoom te hebben 
ontwikkeld. Een collega van de gynaecoloog heeft klaagster beoordeeld en met de gynaecoloog het 
beleid besproken: drukverband en eventueel cold packs en extra pijnstilling. Aan het einde van die 
dag is klaagster uit het ziekenhuis ontslagen.

3.11  Op 3 februari 2024 heeft klaagster via de spoedlijn gevraagd om overleg in verband met 
zwelling van het buikwandhematoom en gerelateerde pijn. De gynaecoloog heeft met klaagster 
gesproken en een afspraak voor een consult op 5 februari 2024 gemaakt. Tijdens dat consult is een 
deel van de hechtingen verwijderd en heeft klaagster een recept voor extra pijnstiling meegekregen.

3.12  Op 5 februari 2024 is de complicatie (het buikwandhematoom) in het dossier van klaagster 
vermeld.

3.13  Op 6 februari 2024 is de gynaecoloog naar aanleiding van een telefonische melding van 
klaagster dat er vocht uit de navelwond liep, bij haar op huisbezoek geweest. Hij heeft vastgesteld 
dat sprake was van oppervlakkige wonddehiscente, heeft de navelwond gedesinfecteerd en heeft 
hechtpleisters aangebracht.

3.14  Op 18 maart 2024 heeft de postoperatieve nacontrole plaatsgevonden. De menstruatiecyclus 
bleek nog niet op gang gekomen te zijn. De gynaecoloog heeft endocrinologisch onderzoek laten 
verrichten.

3.15  Op 25 maart 2024 heeft de gynaecoloog op de voicemail van klaagster de uitslagen van het 
laboratorium ingesproken en aangegeven dat sprake was van beginnende overgang. De gynaecoloog heeft 
klaagster geadviseerd te starten met een bio-identieke hormonale combinatiepil.

3.16  Klaagster heeft geen vervolgafspraak meer met de gynaecoloog gemaakt en heeft zich tot een 
andere gynaecoloog gewend. De menstruatie is uiteindelijk weer (voor enige tijd) op gang gekomen.

3.17  Bij brief van 23 september 2024 heeft klaagster een officiële klacht bij de onafhankelijke 
klachtcommissie van het ziekenhuis van de gynaecoloog ingediend. Daarover heeft enige mailwisseling 
met de klachtenfunctionaris plaatsgevonden en de gynaecoloog heeft bij brief van 11 oktober 2024 
gereageerd op de klacht. Klaagster wilde vervolgens niet met de gynaecoloog in gesprek.

4. De klacht en de reactie van de gynaecoloog
4.1  Klaagster verwijt de gynaecoloog dat:
a) hij heeft gehandeld in strijd met het informed consent omdat hij zonder toestemming van 
klaagster haar ovarium heeft verwijderd;
b) sprake was van medisch onnodige handelen bij klaagster omdat de cyste op het ovarium goedaardig 
bleek te zijn, er een biopt genomen had kunnen worden en zij op grond daarvan had kunnen beslissen;
c) hij onjuist en onvolledig verslag heeft gedaan van de operatie aan de huisarts door te melden 
dat sprake was van een geplande ovariëctomie en nihil bloedverlies;
d) sprake was van onzorgvuldig complicatiebeleid omdat het hematoom niet tijdig is ontdekt of 
behandeld en de nazorg niet helpend was;
e) door het handelen van verweerder schade is ontstaan door blijvend verlies van vruchtbaarheid, 
fysieke klachten, ontsiering van het lichaam en psychische impact.

4.2  De gynaecoloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de gynaecoloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gynaecoloog. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor 
hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) informed consent
5.2   Volgens klaagster is haar ovarium zonder haar (specifieke) toestemming verwijderd terwijl 
daartoe geen medische noodzaak bestond. Voorafgaande aan de operatie is niet met haar besproken dat 
algehele verwijdering van het ovarium een mogelijkheid zou kunnen zijn. Het behoud ervan was voor 
klaagster heel belangrijk gelet op het nog lopende IVF-traject waarin klaagster zich bevond. Verder 
was met klaagster alleen besproken dat een incisie van maximaal 2 centimeter gemaakt zou worden. 
Doordat het ovarium in zijn geheel is verwijderd, is een incisie van 5 centimeter gemaakt waarvoor 
zij ook geen toestemming heeft gegeven.

5.3   De gynaecoloog erkent dat hij ervan op de hoogte was dat het behoud van het ovarium voor 
klaagster heel belangrijk was. Hij zou daarvoor zijn uiterste best doen. Voorafgaand aan de 
operatie heeft de gynaecoloog met klaagster de in 3.4. genoemde folder besproken waarin de 
mogelijkheid van het geheel wegnemen van het ovarium is opgenomen. Het informed consent formulier 
is door klaagster ondertekend. In het telefoongesprek dat daarna plaatsvond, had klaagster de 
mogelijkheid om nog vragen te stellen, bijvoorbeeld over de folder. Tijdens de operatie bleek 
volgens de gynaecoloog dat het onmogelijk was om de cystes te verwijderen zonder het hele ovarium 
weg te nemen. De gynaecoloog heeft toen moeten kiezen tussen:
a) het afbreken van de operatie om de situatie met klaagster te bespreken waarna eventueel een 
nieuwe operatie zou kunnen plaatsvinden;
b) naar bevind van zaken handelen en het ovarium weg nemen.
De gynaecoloog heeft gekozen voor de tweede optie omdat, gelet op de relatief hoge leeftijd van 
klaagster, sprake was van tijdsdruk in het IVF-traject en de eerste optie een aanzienlijke 
vertraging zou opleveren. Hij meende de belangen van klaagster daarmee het beste te dienen.

5.4   Het college is van oordeel dat sprake is van schending van het beginsel van informed consent 
voor wat betreft de algehele verwijdering van het ovarium van klaagster. Ter zitting heeft de 
gynaecoloog aangegeven dat hij op basis van de hem toen bekende informatie (waaronder een MRI 
verslag) de kans dat hij het ovarium zou kunnen behouden, inschatte op 50/50. Gelet daarop had de 
gynaecoloog niet kunnen volstaan met verwijzing naar de folder, maar had hij de mogelijkheid van 
gehele verwijdering nadrukkelijk moeten bespreken en daarvoor toestemming van klaagster moeten 
krijgen alvorens hij tot die verwijdering over ging. Alleen als sprake zou zijn geweest van een 
medische situatie die de verwijdering van het ovarium op dat moment noodzakelijk maakte, had de 
gynaecoloog dat zonder specifieke toestemming van klaagster mogen doen, maar dat was hier niet het 
geval. De omstandigheid dat het IVF-traject (in welk kader de operatie plaatsvond) volgens de 
gynaecoloog onder tijdsdruk stond, is niet gelijk te stellen aan zo’n medische noodzaak. Deze 
klacht slaagt dan ook.
In het licht van het voorgaande slaagt ook de klacht dat de incisie groter is geworden dan was 
afgesproken terwijl klaagster daarvoor geen toestemming had gegeven.

Klachtonderdeel b) medisch onnodig ingrijpen
5.5   Volgens klaagster is het ovarium onnodig verwijderd omdat de cystes goedaardig bleken. 
Verweerder had een biopt moeten nemen en op basis van de uitslag daarvan had klaagster (op een 
later moment) een keuze kunnen maken.

5.6   De gynaecoloog wijst erop dat het doel van de operatie de verwijdering van de cystes was 
zodat het IVF-traject, dat door die cystes belemmerd werd, voortgezet zou kunnen worden. De 
histologische diagnose komt pas achteraf en het is daarom niet redelijk dat klaagster dan stelt dat 
de operatie niet nodig was geweest.

5.7   Vast staat dat hoogstwaarschijnlijk sprake was van een goedaardig multicysteus ovarium. Voor 
de gezondheid van klaagster was het op dat moment niet noodzakelijk om de cystes te verwijderen of 
om het ovarium in zijn geheel weg te nemen. In die zin was geen sprake van medische noodzaak. De 
reden voor de verwijdering van de cystes lag in het (afgebroken) IVF traject. Zoals hiervoor bij 
klacht onderdeel a al is overwogen en beslist, had klaagster alleen toestemming gegeven voor 
verwijdering van de cystes en is verwijdering van het gehele ovarium niet besproken, laat staan dat 
zij daarmee had ingestemd. Zonder die toestemming van klaagster moet het verwijderen van het 
ovarium, ook in het licht van het afgebroken en eventueel nog te hervatten IVF traject, als medisch 
onnodig ingrijpen worden aangemerkt. De klacht slaagt dus.

Klachtonderdeel c) onjuiste en onvolledig verslaglegging
5.8   Klaagster wijst erop dat in de ontslagbrief de operatie werd weergegeven als een geplande 
adnectomie, met de notitie “nihil bloedverlies” en medicatiegebruik paracetamol. Dit was niet in 
overeenstemming met de feiten en de huisarts van klaagster is hierdoor niet correct geïnformeerd.

5.9   De gynaecoloog heeft erkend dat de verslaglegging niet volledig en correct is geweest. Hij 
refereert zich ter zake aan het oordeel van het college.

5.10  De klacht slaagt. Hoewel begrijpelijk is dat de na de operatie opgetreden complicatie niet in 
de brief aan de huisarts, die onmiddellijk na de operatie is opgemaakt, is vermeld, had het op de 
weg van de gynaecoloog gelegen om tijdig een aanvullende brief te sturen waarin de laatste 
informatie was opgenomen. Dat is niet gebeurd. Ook overigens is, zoals verweerder erkent, de 
verslaglegging ondermaats geweest.

Klachtonderdeel d) onzorgvuldig complicatiebeleid
5.11  Volgens klaagster is het hematoom dat na de operatie optrad, niet tijdig ontdekt of behandeld 
en is de nazorg ondeugdelijk geweest. Hierdoor heeft klaagster langdurig pijnklachten gehad en is 
sprake van (onnodig) littekenweefsel.

5.12  De gynaecoloog heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een mild stabiel buikwandhematoom 
als complicatie. Dit is een onbedoeld en ongewenst resultaat van de operatie dat is opgetreden ondanks correcte uitvoering. Deze complicatie heeft nadelen voor klaagster gehad, maar is wel op medisch correcte wijze behandeld.

5.13  Het college kan op basis van het medisch dossier niet vaststellen dat het hematoom niet 
tijdig is ontdekt. En als dat al het geval was, kan dat de gynaecoloog niet worden verweten. De 
postoperatieve nazorg is immers niet door de gynaecoloog maar door recovery verpleegkundigen 
gedaan. Toen zij constateerden dat zich een hematoom had ontwikkeld, is contact opgenomen met de 
gynaecoloog die toen nog met zijn operatieprogramma bezig was. Klaagster is vervolgens door een 
collega van de gynaecoloog beoordeeld en in die samenspraak is het beleid bepaald. De gynaecoloog 
heeft terecht aangevoerd dat het gebruikelijke beleid bij een hematoom bestaat uit een drukverband, 
pijnstilling en afwachten. Dit beleid is gevoerd. Het college kan niet vaststellen dat de verdere 
nazorg niet is geweest conform hetgeen verwacht mocht worden. De consulten die na de operatie 
hebben plaatsgevonden gaven geen aanleiding voor wijziging van het ingezette beleid: de wonden 
genazen goed en klaagster is pijnstilling aangeboden. Dat de hechtingen te vroeg zijn verwijderd 
zoals klaagster heeft betoogd, kan het college niet vaststellen. Zoals de gynaecoloog heeft 
aangevoerd, zijn na vijf dagen alleen de hechtingen bij de kleinere wondjes verwijderd omdat die 
geen functie meer hadden en heeft hij de hechtingen bij de grote incisie laten zitten. De conclusie 
is daarom dat, hoewel het voorstelbaar is dat de opgetreden complicatie tot pijn bij klaagster 
heeft geleid, de gynaecoloog ten aanzien van het ontstaan van het hematoom en de behandeling 
daarvan geen verwijt valt te maken. De klacht slaagt niet.

Klachtonderdeel e) Schade
5.14  Volgens klaagster heeft zij door het handelen van verweerder blijvende schade geleden: door 
het verlies van het ovarium en het optreden van het hematoom is de cyclus gestopt en is daarmee 
sprake van ernstig verlies van vruchtbaarheid. Verder heeft klaagster fysieke klachten door pijn en 
inwendig littekenweefsel, en is sprake van ontsiering van haar lichaam door een groot zichtbaar 
litteken. Door al het voorgaande ervaart klaagster ook psychische schade.

5.15  De gynaecoloog heeft de gestelde schade weersproken. De cyclus is al in mei 2025 spontaan op 
gang gekomen en het tijdelijk uitblijven daarvan is niet veroorzaakt door de operatie maar door 
beginnend climacterium. De operatiewonden zijn volgens de gynaecoloog primair genezen.

5.16  Op grond van artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet Big) 
oordeelt het college over de vraag of het handelen of nalaten van de gynaecoloog in strijd is met 
de zorg die hij in die hoedanigheid ten opzichte van klaagster behoort te betrachten of in strijd 
is met hetgeen een behoorlijk gynaecoloog betaamt.
Het handelen in kwestie betreft het (zonder toestemming van klaagster) wegnemen van het ovarium en 
het maken van een grotere incisie, de post-operatieve zorg (waaronder de behandeling van het 
opgetreden hematoom) en de verslaglegging.

Het laatste klachtonderdeel ziet niet op het handelen van de gynaecoloog maar op de (mogelijke) 
gevolgen daarvan. Het is niet aan het college om te oordelen over de door klaagster gestelde schade 
en evenmin over de vraag of die schade het gevolg is van het handelen (of nalaten) van de 
gynaecoloog. Voor wat betreft dit klachtonderdeel is klaagster niet ontvankelijk.

Slotsom
5.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a, b en c gegrond zijn, 
klachtonderdeel d ongegrond is en dat klaagster niet ontvankelijk is ten aanzien van 
klachtonderdeel e.

Maatregel
5.18  Omdat een deel van de klacht gegrond is, moet het college beoordelen of een maatregel op zijn 
plaats is en zo ja, welke.

5.19  De gynaecoloog is tekortgeschoten in de zorgverlening door voorafgaande aan de operatie de 
mogelijkheid van een algehele verwijdering van het ovarium niet expliciet te bespreken terwijl de 
kans daarop aanzienlijk was en door vervolgens zonder medische noodzaak en zonder de specifieke 
toestemming van klaagster het ovarium geheel weg te nemen en de incisie twee keer zo groot te maken 
dan tevoren was besproken. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van 
klaagster. Verder is hij tekortgeschoten in de verslaglegging waardoor de huisarts van klaagster 
onjuist is geïnformeerd. Het handelen van de gynaecoloog en met name het niet respecteren van het 
beginsel van informed consent, is tuchtrechtelijk verwijtbaar en rechtvaardigt de oplegging van een 
maatregel.

5.20  In het voordeel van de gynaecoloog houdt het college rekening met het volgende:
- niet alleen de complicatie maar ook de klacht van klaagster is binnen de vakgroep van de 
gynaecoloog besproken;
- de gynaecoloog heeft naar aanleiding van de klacht verbeteracties in de vakgroep ingebracht, te 
weten: 1) informed consent specifieker maken per ingreep en schriftelijk vastleggen, 2) bij 
optreden complicatie zo spoedig mogelijk brief naar de huisarts, 3) geen voicemailbericht 
achterlaten bij uitslagen en/of beleidsvoorstellen met context, 4) extra aandacht voor communicatie 
met de patiënt, des te meer bij opgetreden complicaties;
- de gynaecoloog is, in zijn lange loopbaan, nog niet eerder met tuchtrecht in aanraking geweest.

5.21  Gelet op het voorgaande acht het college de maatregel van berisping op zijn plaats.

Publicatie
5.22  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel e;
-  verklaart klachtonderdeel a, klachtonderdeel b en klachtonderdeel c gegrond;
-  legt de gynaecoloog de maatregel op van berisping;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, S. Veersema,
H.H. de Haan en A.J. Goverde, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk,
secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.